Compendium Logo




2083 - Een Europese Onafhankelijkheidsverklaring

Door Andrew Berwick, Londen – 2011




Index

Inleiding

Over het compendium - 2083

Distributie van het boek

Een boodschap van de auteur/maker van het compendium

Inleiding - Wat is 'Politieke Correctheid'?

Hoe het allemaal begon - Politieke Correctheid is cultureel marxisme

Cultureel marxistische profielen

De beweging voor academische hervorming

Politieke Correctheid: deconstructie en letterkunde

Radicaal feminisme en Politieke Correctheid

Verdere werken over de Frankfurter Schule

Aanvullende werken over de Frankfurter Schule


Boek 1: Wat u moet weten over onze vervalste geschiedenis en andere vormen van cultureel marxistische/multiculturalistische propaganda

1.1 Historisch revisionisme (negationisme)

1.2 Algemene kenmerken van Europees Islamitisch Negationisme

1.3 Het Falen Van de Westerse Universiteiten

1.4 Overzicht 1: De Religie van Vrede? De oorlog van de islam tegen de wereld - Islam 101

1.5 Al-taqiyya - Religieuze/politieke misleiding

1.6 Naskh - Koranische abrogatie

1.7 Overzicht 2: Islam - Wat het Westen moet weten

1.8 Het Levende Erfgoed van Jihad-slavernij

1.9 Hindu Kush, de Grootste Genocide in de Menselijke Geschiedenis

1.10 Aanvullende informatie - Hindu Kush

1.11 Hoe de Kruistochten echt waren

1.12 De Kruistochten en vandaag

1.13 De factoren die hebben geleid tot de Kruistochten

1.14 De Moderne Nasleep van de Kruistochten

1.15 Geschiedenis van het Islamitische Ottomaanse Turkse Rijk

1.16 Jus primae Noctis - Geïnstitutionaliseerde verkrachting van christenen onder het Ottomaanse Rijk

1.17 Jihadistische genocide van christenen in het Ottomaanse Rijk en Turkije - De Armeense, Griekse en Assyrische genocides

1.18 Turkije: Terug Naar Het Verleden?

1.19 De val van de christelijke staat Libanon

1.20 Slag bij Poitiers (Slag van Tours) - Eerste islamitische golf - Jaar 732

1.21 Het Beleg van Wenen - Tweede islamitische golf - Jaar 1683

1.22 Europese Kruisridders: Helden, Kampioenen, Legendes

1.23 Westerse vs. Islamitische Wetenschap en Religie

1.24 Historisch gezien is Bosnië Servisch Land

1.25 Wie zijn de 'Bosniërs'?

1.26 Islamitische demografische oorlogvoering in de geschiedenis van Kosovo

1.27 Mythen en Politiek - Oorsprong van de Mythe van een Tolerante Pluralistische Islamitische Maatschappij

1.28 Palestina Voor De Syriërs?

1.29 Overzicht - Historische daden van hoogverraad door Europese regeringen

1.30 Verdere studies



Boek 2: Europa Brandt

2.1 Het Eurabië-Project van de EU (De Eurabië Code) - Documentatie van de bewuste strategie van de EU om Europa geleidelijk te islamiseren.

2.2 De Eurabië Code - Updates 2008

2.3 Tien redenen om de EU af te schaffen

2.4 Waarom de EU vernietigd moet worden, en snel

2.5 Boycot de VN!

2.6 Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg is een door cultureel marxisten beheerste politieke entiteit

2.7 Wachten op Churchill of Godot?


De naam van de duivel: cultureel marxisme, multiculturalisme, globalisme, feminisme, emotionalisme, suïcidaal humanisme, egalitarianisme - de weg naar rampspoed

2.8 Het Falen van Westers Feminisme

2.9 Hoe de feministische "oorlog tegen jongens" de weg vrijmaakte voor de islam

2.10 Feminisme leidt tot onderdrukking van vrouwen

2.11 Wat veroorzaakt lage geboortecijfers?

2.12 De vaderloze beschaving

2.13 De West-Europese cultureel marxistische/multiculturele intellectuele elite - wie zijn ze?

2.14 De Arbeidspartij wil massa-immigratie voor multicultureel UK

2.15 De schandalige waarheid floept eruit: Arbeidspartij cynisch van plan om de volledige samenstelling van Groot-Brittannië te veranderen zonder het ons te vertellen

2.16 Waarom het vakgebied van sociologie volledig moet worden verwijderd uit de academische wereld

2.17 De psychologie van cultureel marxisten

2.18 Democratie en de bevooroordeelde media

2.19 a. De mediahegemonie van de EUSSR/USASSR

2.20 Pro-islamitische mediastrategieën

2.21 Vragen en peilingen die uw regering en persbureaus niet toestaan

2.22 Omgaan met journalisten - opdragen van uw eigen karaktermoord door de multiculturele Politiek Correcte pers

2.23 Inzicht in de fundamenten achter het multiculturalisme

2.24 Onwetendheid en multiculturalisme moet worden vernietigd


Geglobaliseerd kapitalisme - nog een reden voor de val van Europa

2.25 Is het kapitalisme altijd een voorvechter van de vrijheid?

2.26 Big Business, een drijvende kracht achter immigratie

2.27 Migratie heeft geen economisch voordeel gebracht

2.28 Wat kost de moslimimmigratie Europa?


Moderne Jihad

2.29 Huidige en recente jihads in Azië en Afrika

2.30 Overzicht van jihadi terreuraanvallen

2.31 Islamitische Vervolging van Christenen

2.32 Christenen in het Midden-Oosten

2.33 Vechten om te overleven - Een christelijke exodus uit de Arabische wereld

2.34 Bekeerlingen in de islamitische wereld

2.35 Egypte: Jihad volgens het boekje

2.36 Het Afghaans-Bosnische netwerk van mujahideen in Europa

2.37 Rechtvaardiging van islamitische misdaad tegen de niet-moslims

2.38 De echte wortels van de islamitische haat

2.39 De aanhoudende burgeroorlog in Europa - Moslims willen autonoom gebied, geen betere integratie

2.40 Wreedheden die de moslims hebben begaan tegen de West-Europeanen, 1960-2010 (2020)

2.41 Verschillende vormen van jihad

2.42 Het proces van islamisering in Europese landen

2.43 Proces van islamisering in Westerse landen van 1% tot 100%

2.44 Lijst van islamitische eisen voor de sharia in Europa

2.45 Saoedi-Arabië - De kop van de slang

2.46 Hoeveel moslims wereldwijd steunen de militante islam of jihadistisch salafisme?

2.47 De Europese wahabietenlobby

2.48 Leaving Islam - interview met een ex-moslim

2.49 Gematigde moslims en de islamisering van Europa

2.50 Waarom we niet kunnen rekenen op gematigde moslims

2.51 Is de islam verenigbaar met democratie?


Demografie

2.52 Demografie en de islamisering van Europa


Statistieken

2.53 Statistieken en de islamisering van Europa


Europa vandaag de dag

2.54 Europa's ondergang - Hoera! We capituleren!

2.55 Jihad vernietigt het Zweedse model

2.56 Islamisering en lafheid in Scandinavië

2.57 Onze beledigende nationale vlag

2.58 Zal Nederland de 21e eeuw overleven?

2.59 De Spanjaarden en de Portugezen - Dhimmi's voor eens en voor altijd?

2.60 Complot tussen de Britse regering en islamitische terroristen

2.61 Kosovo - Nog een nieuwe stap in de islamisering van Europa

2.62 De Noorse Inquisitie - Zonsondergang in het land van de middernachtzon

2.63 De antiracistische heksenjachten

2.64 Discriminatie en intimidatie van Cultureel Conservatieven

2.65 Antifa & de Arbeid-jugend - door de staat gesponsorde marxistische lynch mobs

2.66 De enige Engelse liefdadigheidsorganisatie wordt gebrandmerkt als racistisch, terwijl 215 Somalische organisaties worden verwelkomd

2.67 Hoe de diversiteitsindustrie/etnische industrie/sub-culturen zoals hiphop in combinatie met onbeperkte mediarechten eraan bijdragen aan de samenleving te vernietigen

2.68 Hoe het Westen de Koude Oorlog verloor

2.69 De ondergang van de beschaving in Europa

2.70 Geef de Nobelprijs voor de Vrede aan Ayaan Hirsi Ali

2.71 Nobelprijs voor de Vrede wederom uitgereikt voor verzoening van de islam

2.72 Groen is het nieuwe Rood - stop milieucommunisme!


Effectieve communicatie en consolidatie

2.73 Consolidatie van de gematigde culturele conservatieve machten van Europa

2.74 Organisatorische strategie voor fase 1: betere communicatie en samenwerking tussen de culturele conservatieve groepen

2.75 Marxistische organisatorische strategieën en netwerken kopiëren - lokaal, nationaal en internationaal

2.76 Openbaar verzet tegen islamisering vertaald naar succes voor politieke partijen

2.77 Retorische strategieën van cultureel conservatieven/nationalisten

2.78 Verschillen in Amerikaanse en Europese nationalistische retoriek

2.79 Het opleiden van de Europese patriotten die het ontbreekt aan ideologisch vertrouwen

2.80 Gids met vijf stappen om uw rechtse blog/site om te zetten naar een krant/tijdschrift met nationale distributie


Omdat ons overleven ervan afhangt

2.81 De strategie van Westerse Survivalisten

2.82 Christendom - Voors en tegens

2.83 De Kerk - deel van het probleem of deel van de oplossing?

2.84 Gij zult christendom en jodendom haten

2.85 Een toekomstige christelijke identiteit voor Europa?

2.86 Conflictvermijding en hoe dit te vermijden

2.87 'Westerse' moderne landen die nooit multiculturalisme hebben goedgekeurd - Japan, Zuid-Korea en Taiwan

2.88 Democratie werkt niet

2.89 Europa wordt verkracht - emigratie van de inheemse Europeanen?

2.90 Suggesties voor de toekomst

2.91 Waar vechten we voor?

2.92 Wie zijn wij, wie zijn onze vijanden - De prijs van historisch geheugenverlies

2.93 Een Europese Onafhankelijkheidsverklaring

2.94 Conservatieven bespreken toekomstige oplossingen voor Europa

2.95 De islamisering van Europa - mogelijke uitkomsten

2.96 Over de dood van multiculturalisme

2.97 Europa stevent af op een burgeroorlog

2.98 Zijn alle Europese mannen zwakgeestige lafaards of zijn ze gewoon gehersenspoeld?

2.99 De zelfvernietiging van de VS

2.100 Vervolg discussie over de betrekkingen tussen de VS en Europa

2.101 Behouden of vervangen van de Europese monarchieën?

2.102 Geen oorlog tussen kapitalisme en socialisme, maar een culturele oorlog tussen nationalisme en internationalisme

2.103 Democratie moet hervormd worden

Commentaar: LoneStranger

2.104 Toekomstige deportaties van moslims uit Europa

2.105 Wijziging van de investerings/onderwijsmentaliteit in de komende decennia

2.106 De ideologische reis - van geïndoctrineerde multiculturele fanatiekeling tot Conservatieve Revolutionair

2.107 Verdere bronnen



Boek 3: Een Preventieve Oorlogsverklaring

DISCLAIMER


De Conservatieve Revolutie - de enige oplossing voor vrije Europeanen

3.1 Een fase van dialoog is ten einde gekomen (1995-1999)

3.2 Aanklachten tegen alle cultureel marxistische/multiculturele elites van Europa (verraders van categorie A en B)

3.3 De Europese Verzetsbeweging/Inheemse Rechtenbewegingen - PCCTS, Knights Templar biedt een volledig pardon aan de West-Europese multiculturele regimes, de alliantie MA-100 (politieke partijen) en alle afzonderlijke verraders van categorie A en B als ze voor onze strijdkrachten capituleren voor 1 januari 2020

3.4 Waarom gewapend verzet tegen de cultureel marxistische/multiculturele regimes van West-Europa de enige rationele benadering is

3.5 Een nieuw tijdperk is aangebroken - de tijd voor dialoog is nu voorbij

3.6 Uitleg van de Europese Burgeroorlog - Fase 1, 2 en 3

3.7 Er zijn vier mogelijke uitkomsten van fase 2 en 3

3.8 Onderscheid maken tussen en omgaan met verraders van categorie A, B en C: hardcore marxisten, cultureel marxisten, suïcidale humanisten/cynische carrièrejagers en kapitalistische globalisten

3.9 Eisen/verzoeken/bedes aan onze nationale legerleiding

3.10 Assimilatiebeleid/eisen/aanbod voor islamitische mensen die in Europa wonen (dit aanbod vervalt op 1 januari 2020)


Een Europese Militaire Orde herrijst - Lof der Nieuwe Ridderorde

3.11 De geschiedenis van de Pauperes commilitones Christi Templique Solomonici (Knights Templar)

3.12 Herstichting van Pauperes Commilitones Christi Templique Solomonici - PCCTS, Knights Templar

3.13 Principes van de Orde/het Tribunaal

3.14 De rangen van PCCTS, Knights Templar - Fase 1

3.15 Wat is een 'Justiciar Knight' en hoe kan ik de rang behalen?

3.16 PCCTS - Doel en doelstellingen van heroprichting

3.17 Justiciar Knights, taken en eisen

3.18 "Open-source" oorlogvoering - clandestiene celsystemen - de meest efficiënte manier van oorlogvoering in fase 1

3.19 Celstructuur - Celcommandant

3.20 PCCTS, Knights Templar - Organisatorisch overzicht

3.21 7 Dodelijke fouten om te vermijden

3.22 Terreur gebruiken als een methode om de massa's wakker te schudden - veel van onze volkeren haten ons ervoor

3.23 De wrede aard van onze activiteiten

3.24 Evenredigheidsprincipe


Planning van de operatie

3.25 Uw operatie financieren

3.26 Voorkom verdenking van familieleden, buren en vrienden

3.27 Voorkomen dat u op een zwarte lijst terecht komt

3.28 Gewoontes om afluistering te voorkomen

3.29 Hoe u gemotiveerd kunt blijven voor een langere periode - het uitvoeren van een dagelijkse mentale controle

3.30 Risicospreiding door de operatie in 4 fasen te verdelen

3.31 Apparatuur - wapens/munitie/pantsers etc.

3.32 Pantserfase - gids van de KT voor ballistisch pantser

3.33 Verwante tactische uitrusting en diversen

3.34 Wapenfase

3.35 Lichamelijke training, bepakking en het uitvoeren van simulaties voor de operatie

3.36 Veilige opslag van materiaal in afgelegen kisten (eliminatie van bewijs)

3.37 Buitenlandse 'zwarte markten' gebruiken bij de aanschaf van apparatuur

3.38 Diensten die worden aangeboden door Europese criminele syndicaten/netwerken

3.39 Aankondigingen sturen voorafgaand aan een operatie

3.40 Het toepassen van bedrieging in stedelijke guerrilla-oorlogvoering

3.41 West-Europese primaire doelen (fase 1)

3.42 West-Europese primaire doelen - prioriteitenlijst

3.43 MA100 - politieke partijen die multiculturalisme steunen

3.44 Verraders - classificatiesysteem - Verraders van categorie A, B of C

3.45 Meer of minder nadruk op gemarkeerde doelwitten

3.46 Vrouwen doden op het slagveld - direct of indirect

3.47 Het vermijden van angst/arrestatie en dood

3.48 Korte samenvatting - overzicht van de plannings- en uitvoeringsfase voor uw missie


Evalueren van aanvalsstrategieën: 1. Terreuracties, 2. Sabotage-operaties, 3. Manipulatieve proxy-aanvallen

3.49 Conventionele terreuracties (niet-MVW)

3.50 Opstellen van een secundaire strategie (plan b) in geval van ontmaskering

3.51 Defensieve en Offensieve Methodes - Veldstrategieën

3.52 Massavernietigingswapens van kunstmest en het wapenverbod

3.53 Massavernietigingswapens verwerven en gebruiken tegen de cultureel marxistische/multiculturele elites


Sabotagemissies

3.54 Sabotagemissies - de meest efficiënte manieren om de huidige West-Europese multiculturele regimes te verlammen

3.55 Creëren van chemische of biologische wapens - eenvoudiger dan het maken van explosieven

3.56 Evaluatie van de mogelijkheden voor het verwerven en activeren van nucleaire wapens in fase 1

3.57 Europese kerncentrales gebruiken als massavernietigingswapens

3.58 Aanvalsstrategie voor een kerncentrale: "Operation Regime Ender"

3.59 Radiologische wapens oftewel RDDs, het maken, implementeren en ontploffen van radiologische bommen in West-Europese hoofdsteden


Communicatie en Logistiek

3.60 Europese verzetsstrijders en het belang van een aantrekkelijk imago en ideologie - efficiënte marketingtechnieken

3.61 Na een succesvolle operatie - het tegengaan van misleidende informatiecampagnes van de multiculturele overheid - martelaarschap of gevangenis

3.62 Grootmeester Overseer - de Organisatie van de Overseer

3.63 Waarom zouden we gesneuvelde martelaren en levende helden van onze strijd moeten eren?

3.64 Knights Templar: Ordes, onderscheidingen, uniform, titel, grafsteen en relevante informatie

3.65 Militaire onderscheidingen en eervolle vermeldingen - decoraties van de Knights Templar (gewapende en civiele inspanningen)

3.66 Knights Templar biedt 19 verschillende onderscheidingen

3.67 Knights Templar uniform

3.68 Eregrafsteen van de Knights Templar

3.69 Achtergrondinformatie - symboliek van insignes

3.70 Verklaringen voor Justiciar Knight en andere patriottische verzetsstrijders na een operatie en tijdens een strafproces

3.71 De juiste advocaat/juridisch adviseur vinden voor uw proces


Verschillende onderwerpen

3.72 De Eed van de PCCTS, Knights Templar - Inwijdingsritueel

3.73 Toekomstige vergoedingsregeling voor Europese leden van de verzetsbeweging

3.74 Recht tot Revolutie

3.75 Geweldloos verzet - burgerlijke ongehoorzaamheid/economische sabotage

3.76 Nationale Inlichtingendiensten

3.77 Een verzoek aan de Politiekorpsen (systeembeschermers) van West-Europa

3.78 "Young Europeans" beweging - YE - geruchten over een opkomende massale consolidatie van anti-marxistische/anti-multiculturalistische troepen

3.79 Verschillende info


Europese politieke oplossingen voor de toekomst

3.80 Hervorming van de Europese Kerk - van een versplinterde en onaantrekkelijke 'PvdA-kerk' naar een verenigde, sterke en aantrekkelijke 'Traditionele Kerk'

3.81 De toekomst van Europees christendom

3.82 Het Patriarchaat zal heringevoerd worden

3.83 Het re-creëren van de traditionele patriarchale sociale structuren

3.84 Knights Templar en etnocentrisme

3.85 De politieke waarde van seks in een cultureel conservatieve toekomst

3.86 De seksuele ethiek/seksuele moraal in West-Europa is vernietigd door cultureel marxisme en liberalisme

3.87 De epidemie van seksueel overdraagbare aandoeningen (soa's) in West-Europa als gevolg van cultureel marxisme kost maar liefst 350 miljard euro per jaar

3.88 Diverse onderwerpen met betrekking tot sociale structuren

3.89 Anti-feministisch beleid - Hervatting van het patriarchale model van deconstructie van de West-Europese matriarchale systemen

3.90 Voorkomen van de Europese bevolkingsdaling - verzekering van duurzaamheid - toekomstige nationale voortplantingsbeleid

3.91 Toekomstig model voor democratie en monoculturalisme

3.92 Het snelle uitsterven van de Noordse genotypen

3.93 Reprogenetica en de toekomst

3.94 Toekomstig model voor economie/publieke sector/verzorgingsstaat/economische zones/werkersklasse

3.95 Toekomstige West-Europese onderwijssystemen

3.96 Alternatieve energiebronnen, wetenschappelijke/technologische evolutie, overconsumptie/vervuiling/overbevolking

3.97 Toekomstig hulpbeleid, Afrika - De buitenlandse cultureel marxistische hulporganisatie en de schade die het toebrengt aan Afrika

3.98 Toekomstige misdaadpreventie, volkslied van de Europese Federatie, Onafhankelijkheidsdag, imperialisme

3.99 De vernietigende kracht van de diversiteits-/etnische industrieën, opmerkingen en oplossingen

3.100 Oplossingen voor Zuid-Afrika, Israël en de VS


ONVOLTOOID - ONBEWERKT

3.101 De cultureel marxistische oorlog tegen God en de Kerk in West-Europa leidt tot geestelijk failliete landen die geen doelen hebben voor hun beschaving (ONVOLTOOID EN ONBEWERKT, voel u vrij om dit essay te voltooien)

3.102 De VS - een stervend Europees Rijk: gebrek aan monoculturalisme/etnocentrisme leidt tot een afbraak van sociale cohesie - de doelstellingen van de conservatieve revolutionaire bewegingen (ONVOLTOOID EN ONBEWERKT, voel u vrij om dit essay te voltooien)

3.103 De Val van de EUSSR, de Opkomst van de nieuwe nationalistische Europese Wereldorde (ONVOLTOOID EN ONBEWERKT, voel u vrij om dit essay te voltooien)

3.104 Pro-Afrikaans nationalisme: deportatie en/of segregatie is de meest antiracistische benadering (ONVOLTOOID EN ONBEWERKT, voel u vrij om dit essay te voltooien)


Consolideren van Europese conservatieve organisaties

3.105 Een nieuw conservatisme/nationalisme - Weense School van Denken

3.106 Patriottische jeugdbewegingen creëren in fase 1

3.107 Consolidatie gematigde (niet-militaire) Europese culturele conservatieve organisaties - fase 1 en 2

3.108 Europa, Anti-immigratiepartijen/organisaties - Nationalistische partijen/orgs

3.109 Europese protectoraten

3.110 Pan-Europese bewegingen

3.111 Nationaal-Anarchisten (Anarcho-nationalisten, bepaalde ACAB-, oi-, RAC-, 14/88 nationalisten)

3.112 Schatting van West-Europese strijdklare cultureel conservatieven 2009

3.113 Hulp van onze Europees-Amerikaanse/Canadese/Australische broeders in de Europese burgeroorlog

3.114 Deelname van conservatieve personen uit de minderheidsgroepen - hindoes, boeddhisten en christenen

3.115 Het zal de gesynchroniseerde en gecombineerde (onofficiële) inspanningen kosten van de 8 politieke fronten om in de volgende 70 jaar multiculturalisme te overwinnen

3.116 Een officieel verzoek/pleidooi voor alle Europese patriotten - Vereiste administratieve taken met hoge prioriteit/doelstellingen

3.117 Facebook en andere sociale netwerksites gebruiken als een platform om de Europese verzetsbeweging te consolideren en te doen groeien

3.118 Online 'wervers' voor patriottische gewapende verzetsbewegingen/ 8e front - een primaire administratieve taak

3.119 Leer uw kinderen de waarheid en laat ze niet indoctrineren door cultureel marxistische/multiculturele propaganda

3.120 Christelijke/nationalistische consolidatie en overwegingen in door moslims gedomineerde West-Europese gevangenissen

West-Europese Burgeroorlog Fase 2

3.121 Van clandestiene cellen tot meer geavanceerde militaire bewegingen

3.122 Doelstellingen in Fase 2

3.123 Een politieke vleugel voor de PCCTS, Knights Templar

3.124 Een politiek incorrecte gids voor het lynchen van multiculturele verraders (fase 2 en 3)

3.125 Investeringen en bescherming van rijkdommen in Europa tijdens fase 2 en 3 - burgeroorlog, hoe u uw rijkdommen kunt beschermen

3.126 Oprichten van een cultureel conservatieve paramilitaire organisatie/militie

3.127 In fase 2 kan er volledige of gedeeltelijke gratie kan worden verleend aan vele verraders van categorie A, B en C

3.128 Voorbereiding voor fase 3 (2070-2083) - Staatsgreep

3.129 Aanbevelingen voor cultureel conservatieve hoge en lagere militaire officieren (fase 1, 2 en 3)

3.130 Het politieke landschap in W. Europa, 2070-2080, vóór de aanvang van fase 3


West-Europese Burgeroorlog Fase 3

3.131 Europese Burgeroorlog, fase 3, 2070-2083

3.132 Voorspelde acties van andere cultureel marxistische/multiculturele regimes

3.133 Het culturele/economische Amerikaanse Rijk - omgaan met een tiran - waarom de Democratische en de Republikeinse partij niet te vertrouwen zijn

3.134 Deportatiebeleid (preventieve maatregelen)

3.135 Economische/sociale gevolgen van de massadeportaties

3.136 Aanbevelingen voor toekomstige cultureel conservatieve/nationalistische regimes bij het vormen en ontwikkelen van de overheid

3.137 Cultureel conservatieve/nationalistische hervormingen tijdens en na fase 3

3.138 Na de burgeroorlog - hoe de vrede te winnen, het creëren van een duurzaam evenwicht tussen conservatisme en liberalisme

3.139 Onderscheid tussen cultureel christendom en religieus christendom - de hervorming van onze suïcidale Kerk

3.140 Creëren van een "Europese Federatie"; een economische, culturele en militaire alliantie

3.141 De onderhandelingen tussen de Europese Federatie en de het blok van de USASSR/EUSSR en islamitische landen in de overgangsperiode fase 3 (voorafgaand aan de deportaties), en de vooruitzichten voor de huidige investeringen die bedrijven in de Europese Federatie hebben gedaan in de islamitische wereld

3.142 Toekomstig buitenlands beleid - deportatie en territoriale aanspraken

3.143 Een nieuw Europa en een nieuw Midden-Oosten (zie kaart)

3.144 Militaire campagnes van de Europese Federatie tegen het islamitische Bosnië-Herzegovina, islamitische Kosovo, islamitische Albanië, Turkije, Syrië (Libanon), Jordanië en Egypte

3.145 Logistieke, militaire en diplomatieke kwesties met betrekking tot uitzetting van moslims uit Europa

3.146 Christenen uit het Midden-Oosten evacueren met betrekking tot de nieuwe christelijke naties

3.147 Lijstje met suggesties - Toekomstige binnenlands en buitenlands beleid


Christelijke rechtvaardiging voor de strijd

3.148 Paus Urbanus II en Paus Innocentius III verleenden een pardon voor alle toekomstige Kruisvaarders (martelaren van de Kerk)

3.149 De Bijbel en zelfverdediging

3.150 Een Boek voor de Tempeliers: Lof der Nieuwe Ridderorde (Liber ad Milites Templi: De Laude Novae Militae)

3.151 Er zijn geen atheïsten in schuttersputjes - voorbereiding van het martelaarschap

3.152 Justiciar Knights, Martelaarschap versus Zelfmoord


Verdere studies

3.153 Interview met een Justiciar Knight Commander van de PCCTS, Knights Templar

3.154 Knights Templar logboek


Verdere studies

3.155 Succesvolle militante organisaties - Case studies

3.156 Gefaalde Europese militante organisaties - Case studies

3.157 Houding van de PCCTS, Knights Templar ten opzichte van andere bevrijdingsorganisaties

3.158 De staat van de Indische/hindoeïstische weerstand - Indiase nationalisten

3.159 Mislukte coup in Turkije (2007) - Case study van het Ergenekon-netwerk

3.160 Vierde Generatie Oorlogvoering

3.161 Studie van Revoluties

3.162 Een korte introductie voor de landbouw en dagbouw - creëren van een dekmantel

Verklarende woordenlijst






Inleiding




Over het compendium - 2083


"De lieden die het Europese volk het meest uitbundig aanbidt zijn de meest brutale leugenaars; de lieden die ze het gewelddadigst haten zijn die mensen die hen de waarheid proberen te vertellen."

U kunt een videopresentatie over het compendium zien door de links hieronder te bezoeken. Het zal niet voor lange tijd beschikbaar blijven, dus ik raad u aan er een back-up van te maken:

http://www.youtube.com/watch?v=vQOfH8Dj1mw
http://www.veoh.com/watch/v21123164bZCBQeZ8

Update: deze links werken nog wel

https://docs.google.com/open?id=0B0C9ihwzJp8abk1penU5T1lhdVU
https://vk.com/video_ext.php?oid=191350147&id=165075790&hash=a74a8479bf942c7d


Na jaren werk is de eerste editie van het compendium 2083 - Een Europese Onafhankelijkheidsverklaring compleet. Als u dit boek heeft ontvangen bent u ofwel een van mijn voormalige 7000 patriottische Facebook-vrienden of een vriend van een van mijn Facebook-vrienden. Als u zich zorgen maakt om de toekomst van West-Europa zult u deze informatie zeker zowel interessant als bijzonder relevant vinden.

Ik heb een aantal jaren gewerkt aan het schrijven, onderzoeken en samenstellen van deze informatie en ik heb het merendeel van mijn zuurverdiende geld uitgegeven aan dit proces (meer dan 300.000 euro). Ik hoef er niets voor terug omdat dit mijn geschenk is aan u, als een collega-patriot.

Veel van de informatie gepresenteerd in dit compendium (3 boeken) is door onze overheden en onze politiek correcte mainstream media (MSM) met opzet verborgen voor de Europese volkeren. Meer dan 90% van de EU en nationale Kamerleden, en meer dan 95% van de journalisten, steunen Europees multiculturalisme en daarmee de voortdurende islamitische kolonisatie van Europa. Maar de Europese volkeren geven hen GEEN toestemming om deze doctrines uit te voeren.

Het compendium - 2083 - Een Europese Onafhankelijkheidsverklaring - beschrijft door meer dan 1000 pagina's heen dat de angst voor islamisering allesbehalve irrationeel is.

Het bevat de volgende grote onderwerpen:

  1. De opkomst van cultureel marxisme/multiculturalisme in West-Europa
  2. Waarom de islamitische kolonisatie en islamisering van West-Europa begon
  3. De huidige toestand van de West-Europese Verzetsbewegingen (antimarxistische en anti-jihad bewegingen)
  4. Oplossingen voor West-Europa en hoe wij, het verzet, de komende tientallen jaren verder zouden moeten
  5. En alle zeer belangrijke thema's waaronder ook oplossingen en strategieën voor alle 8 verschillende politieke fronten

Het compendium/boek presenteert verfijnde ideologische, praktische, tactische, organisatorische en retorische oplossingen en strategieën voor alle patriottische mensen en bewegingen. Dit boek zal van groot belang zijn voor u of u nu een gematigde of een meer toegewijde cultureel conservatieve/nationalist bent.

In het boek staan ook demografische onderzoeken, statistieken uit de geschiedenis, voorspellingen en inzichten over verschillende onderwerpen met betrekking op de huidige en toekomstige strijd voor Europa. Het bevat de meeste onderwerpen met betrekking tot gebeurtenissen in de geschiedenis en de aspecten van het islamitisch imperialisme in het verleden en het heden, [feiten die] tegenwoordig door onze academici verzwegen of vertekend worden, op bevel van West-Europa's cultureel relativistische elites (cultureel relativisme = cultureel marxisme). Het geeft een grondige analyse van de islam, waar de meerderheid van de Europeanen niet bekend mee is. Het documenteert hoe de politieke doctrines die bekend staan als multiculturalisme/cultureel marxisme/cultureel relativisme werden gevormd en toegepast. Multiculturalisten/cultureel marxisten werken gewoonlijk onder de dekmantel van het humanisme. Een meerderheid van hen zijn antinationalistisch en willen de Europese identiteit, tradities, cultuur en zelfs volledige landen deconstrueren - vernietigen.

Zoals we allemaal weten is de oorsprong van Europa's problemen het gebrek aan cultureel zelfvertrouwen (nationalisme). De meeste mensen zijn nog steeds doodsbang voor nationalistische politieke overtuigingen omdat ze denken dat als we die principes ooit weer omarmen, er opeens nieuwe 'Hitlers' op zullen staan en een wereldwijd Armageddon in gang zullen zetten... Het behoeft geen uitleg dat het groeiende aantal nationalisten in West-Europa systematisch belachelijk wordt gemaakt, tot zwijgen wordt gebracht en vervolgd wordt door de huidige cultureel marxistische/multiculturele politieke gevestigde ordes. Dit is een voortdurend proces dat al in 1945 is begonnen. Deze irrationele angst voor nationalistische overtuigingen weerhoudt ons ervan om onze eigen nationale en culturele zelfmoord te stoppen terwijl de islamisering jaarlijks toeneemt. Dit boek presenteert de enige oplossingen die er zijn voor onze huidige problemen.

Men kan de islamisering niet verslaan of de islamitische kolonisatie van West-Europa niet stoppen of terugdraaien zonder eerst die politieke doctrines te verwijderen die zich manifesteren door multiculturalisme/cultureel marxisme.

Ik heb ongeveer de helft van het compendium zelf geschreven. De rest is een samenstelling van werken van een aantal moedige mensen van over de hele wereld. Ik was eerst van plan om een database in te voegen van expliciete illustraties en plaatjes. Maar het document (bestand) zou dan onpraktisch groot zijn, wat het proces van effectieve verspreiding moeilijk zou maken.



Distributie van het boek

De inhoud van het compendium is werkelijk van iedereen en mag vrij verspreid worden in elke vorm en op elke manier. Feitelijk vraag ik u maar om één gunst: ik vraag u om dit boek te verspreiden onder iedereen die u kent. Denkt u alstublieft niet dat anderen dit wel zullen doen. Sorry dat ik zo bot ben, maar zo werkt het nu eenmaal niet. Als wij, het West-Europese Verzet, falen of onverschillig worden, dan zal West-Europa ten onder gaan, en daarmee uw vrijheid en die van uw kinderen. Het is van groot belang, essentieel, dat iedereen tenminste met de waarheid in aanraking kan komen voordat onze systemen binnen 20 tot 70 jaar om zullen vallen. Dus wederom vraag ik u bescheiden om dit boek te verspreiden onder zo veel mogelijk patriottisch ingestelde mensen als u kunt bereiken. Ik ben er 100% zeker van dat de verspreiding van dit compendium aan een groot aandeel Europese patriotten uiteindelijk zal bijdragen aan onze overwinning. Want in deze drie boeken staan de handvaten die nodig zijn om de huidige West-Europese culturele oorlog te winnen.

Zoals ik al heb gezegd is het compendium een samenstelling van de werken van verschillende moedige mensen van over de hele wereld. Ik heb meer dan drie jaar besteed aan het schrijven en/of samenstellen van het meeste van de inhoud. Ik heb niemand van de andere schrijvers om hun toestemming gevraagd, om praktische en veiligheidsredenen, maar de meesten hebben hun werk beschikbaar gesteld voor verspreiding. Het belang van een grote groep weegt zwaarder dan de belangen van een kleine groep. Dit is waarom ik heb besloten om toestemming te geven dat dit compendium vrijelijk verspreid en vertaald mag worden. Beschouw het maar als mijn persoonlijk geschenk en bijdrage aan alle Europeanen. Ik heb mijn bronnen om deze reden ook niet bijgevoegd in het document (gemakkelijker om de verschillende artikelen te gebruiken en verspreiden). Maar het is wel belangrijk dat de auteurs vermeld worden als u het materiaal gebruikt.

Daarom is het intellectuele eigendom van dit compendium eigenlijk van alle Europeanen in de Europese wereld en kan zonder beperkingen worden verspreid en vertaald. Er zal pas echt efficiënte verspreiding en circulatie mogelijk zijn als mensen die het eens zijn met ten minste een deel van de inhoud, principes of ideeën hierin eraan zullen bijdragen om de informatie te verspreiden. Als u dit leest weet u dat veel mensen geïnteresseerd zullen zijn om ook dit compendium (3 boeken) te krijgen. Laten we dit in ons voordeel gebruiken, aangezien het onze strijd ten goede zal komen.

Ik reken erop dat u het boek of iets/alles van de inhoud ervan zult verspreiden naar zo veel mogelijk patriottische Europese politieke activisten. Laat hen weten wat er gaande is en wat er van ons allemaal gevraagd wordt. We hebben immers niet alleen het recht om de huidige ontwikkeling te weerstaan, het is onze plicht als Europeanen om de vernietiging van onze identiteit, onze cultuur en tradities en onze nationale staten te voorkomen! Draagt u alstublieft bij door dit compendium te verspreiden naar zoveel patriottisch gezinde Europeanen in alle 26 Europese landen als menselijkerwijs mogelijk is. Dit is slechts het begin...!

Door mijn invoeging van een "disclaimer" in "Boek 3" mag iedereen de inhoud verspreiden zonder enige Europese wetten te breken. Als u nog steeds twijfelt, staat het u vrij om mijn woorden in bepaalde hoofdstukken te verwijderen of te veranderen voor dat u ze verspreidt.

Helpt u alstublieft om dit boek beschikbaar te stellen via verschillende torrents, blogs, websites, op Facebook, op Twitter, op forums en via andere kanalen. Het is echt een uitzonderlijk, uniek en geweldig instrument dat alle culturele conservatieven kunnen en zouden moeten gebruiken in de komende tientallen jaren.


Voornaamste doelen - het boek vertalen naar het Duits, Frans en Spaans.

Ik raad ten zeerste aan dat met name een Franse, Duitse en Spaanse patriot de verantwoordelijkheid neemt en ervoor zorgt dat dit compendium ofwel wordt verspreid onder of vertaald naar uw respectieve taal(gebied). Het dient te worden gepost in torrents, websites, Facebook-groepen en andere politieke groepen waar er hoge aantallen van cultureel conservatieven/nationalisten/patriotten zijn. Ik ben er niet in geslaagd om het compendium goed te verspreiden onder vooral Frans, Duits en Spaans sprekende personen vanwege taalproblemen. Het is daarom belangrijk dat iemand de stap neemt en de verantwoordelijkheid om het te verspreiden naar zoveel als menselijkerwijs mogelijk is. Als u zelf te druk bent, of niet beschikbaar of niet in staat om bij te dragen om te helpen het te vertalen, neemt u dan contact op met een van de vele cultureel conservatieve/nationalistische intellectuelen/schrijvers/journalisten in uw land. Neemt u alstublieft contact op met mensen die u kent en die niet bang zijn om buiten de grenzen van de politieke correctheid te werken. Wij, de rechtse Verzetsbewegingen van Europa, zijn afhankelijk van een efficiënte verspreiding van die broodnodige informatie in dit compendium. De efficiënte verspreiding van dit boek aan alle nationalisten in Europa zal een belangrijke bijdrage leveren aan toekomstige politieke veranderingen. Dit omdat dit compendium de handvaten en kennis bevat over hoe we onze huidige regimes kunnen vervangen. Ik hoop echt dat iemand deze zeer belangrijke taak zal aanvaarden en uitvoeren, want als u dat niet doet, wie dan wel?


Informatie uit het document halen of converteren van een Word-bestand naar een PDF-bestand + vertaaldienst

Het is gemakkelijk om het document te converteren van een Word-bestand naar een PDF-bestand of een ander formaat als u Microsoft Word/Office-software heeft (bij voorkeur Word 2007 of nieuwer). Als u deze software niet heeft dan kunt u de gratis "Word Viewer" downloaden, waarmee u Word-documenten kunt bekijken, printen en kopiëren, zelfs als u geen Word hebt geïnstalleerd. Doe een zoekopdracht voor het sleutelwoord "Word Viewer" op de volgende site: http://www.microsoft.com/downloads of gebruik de volgende directe download link: http://www.microsoft.com/downloads/details.aspx?displaylang=en&FamilyID=3657ce88-7cfa-457a-9aec-f4f827f20cac

U kunt ook gewoon het volledige Office-pakket kopen of een gratis proefversie downloaden van de Microsoft site: http://office.microsoft.com of als alternatief naar een van de volgende torrent sites gaan om deze gratis te downloaden:

1. thepiratebay.org3. torrentreactor.net5. torrentz.com
2. btscene.com4. extratorrent.com6. btmon.com

U moet eerst een torrent-programma downloaden. Het beste torrent-programma (uTorrent) kan hier gedownload worden: www.utorrent.com. Als u Word 2007 langer wilt gebruiken dan de 60 proefdagen zult u waarschijnlijk een serienummer moeten downloaden waarmee u de software permanent kunt ontgrendelen of tenminste de proefperiode verlengen met 6-12 maanden.

Ik heb ervoor gekozen om het compendium verzenden als een Word-bestand en wel om de volgende redenen:

  1. MS Word is een van de meest gebruikte en populaire software-formaten
  2. Aanzienlijk eenvoudiger om het document te bewerken vergeleken met PDF
  3. Een Word-bestand is aanzienlijk kleiner dan een PDF-bestand (3,5 MB vs 8 tot 10 MB)
  4. De kwaliteit van de plaatjes wordt een stuk beter bewaard dan in PDF
  5. Verspreiding: het is gemakkelijker spamfilters te vermijden met een bestand kleiner dan 5 MB

Aangezien ik ervoor heb gekozen om het document te verzenden in Word-formaat kunt u gemakkelijk alle informatie en plaatjes uit het Word-bestand halen. Ik heb het document om deze reden expres niet beveiligd. Als u de afbeeldingen uit Word wilt halen kunt u het volgende doen:

  1. Opent u MS Paint (standaard Windows-programma), kopieert u het plaatje vanuit Word en plakt u deze in Paint. Vervolgens slaat u de afbeelding in Paint op als een .jpg of een ander formaat.

Het is gemakkelijk om het bestand om te zetten naar een PDF-bestand of een ander formaat als u dat wilt. Sla gewoon het Word-bestand op als een PDF-bestand. Wat betreft het terughalen vanuit een PDF-bestand; diverse software programma's kunnen omzetten en terughalen, waaronder de nieuwste versies van Adobe Acrobat. Zoekt u met google naar de woorden "PDF to Word Converter" of download de volgende gratis converter software:http://www.hellopdf.com/download.php

Wat betreft een gratis en krachtige vertaaldienst is er de google vertaaldienst als een krachtig en relatief nauwkeurig hulpmiddel:
http://translate.google.com


Weergave met een Kindle/Nook/iPad

Kindle, Nook of iPad zijn hardware platforms (met een LCD-scherm) en zeer geschikt voor het lezen van e-books en andere digitale media. Ze kosten tweedehands vanaf 100 tot 200 dollar. Ook zijn er andere draagbare apparaten zoals de iPhone. Het enige wat u hoeft te doen is Word te selecteren als input en Kindle/Nook/iPad/iPhone als output en het bestand dan omzetten.


Een Word-bestand afdrukken op papier

Tegenwoordig kunnen succesvolle doe-het-zelf-uitgevers gebruik maken van de voordelen van "print-on-demand"-diensten, waar ze geen geld hoeven te verspillen aan drukkerskosten of aan inventaris- en voorraadtoeslagen.

Een "print-on-demand" (POD) dienst, ook wel publiceren-op-aanvraag genoemd, is een drukkerstechniek en zakenproces waarin nieuwe exemplaren van een boek niet worden afgedrukt totdat er een bestelling is ontvangen. Veel traditionele kleine persen hebben hun traditionele drukmachines vervangen door POD apparatuur of besteden hun drukwerk uit aan POD aanbieders. Wanneer klanten hun boeken bestellen, kunnen verkooppunten zoals Cafepress.com en anderen (zie lijst), die hun eigen werken publiceren, op aanvraag net zoveel boeken drukken als nodig is en zij zullen die ook versturen en de betalingen regelen met de klanten. Deze publicatiediensten accepteren ook geüploade digitale inhoud zoals Word- of PDF-bestanden. Maar vanwege de controversiële inhoud van dit boek moet de persoon die de eerste regelingen treft wel voorzichtig zijn en misschien ook een paar hoofdstukken weglaten voor hij/zij zulke commerciële diensten als deze gebruikt.

Dit zijn een aantal print-on-demand diensten / boeken-op-aanvraag diensten:

lulu.comxlibris.comauthorhouse.co.ukunibook.com
createspace.comwebook.comspirepublishing.comcreatebooks.com
cafepress.co.ukselfpublishing.comtrafford.combooksurge.com
booksondemand.cominfinitypublishing.comlightningsource.comblurb.com

Een handleiding voor zelf publiceren:
http://www.masternewmedia.org/self-publish-your-book-guide-to-the-best-self-publishing-services/

Inleiding voor e-book format:http://toc.oreilly.com/2008/04/ebook-format-primer.html


Offers die ik heb gebracht tijdens het schrijven van het compendium

Ik heb in totaal 9 jaar van mijn leven gewerkt aan dit project. De eerste vijf jaar heb ik besteed aan studeren en een financiële basis leggen, en de laatste drie jaar heb ik helemaal besteed aan onderzoeken, samenstellen en schrijven. Het heeft mij persoonlijk in totaal 317.000 euro gekost (130.000 euro uit eigen zak en 187.500 aan misgelopen inkomsten tijdens de drie jaar). Dat alles is echter nauwelijks noemenswaardig in vergelijking met de offers die zijn gebracht voor de verspreiding van dit boek, namelijk de echte marketing-operatie ;)

Het verspreiden van de waarheid en verspreiden van degelijke strategieën is van onschatbare waarde, want het is de basis voor de huidige inspanning van ons verzet. Ik hoop dat u de tijd zult nemen om het te lezen. Verschillende aspecten van het werk zijn werkelijk uniek en er is geen soortgelijk compendium. Schrikt u alstublieft niet te veel van de onderwerpen die ik bespreek in de boeken. Veel van de onderwerpen lijken nu nog volkomen absurd of te radicaal, maar over een paar decennia zult u hun relevantie voor onze strijd begrijpen. Mocht de inhoud u desondanks te veel afschrikken, zo erg dat u het boek wilt verwijderen, dan zou ik u sterk aanbevelen het liever op te slaan op een USB-stick (kleine geheugenchip) en de chip op een veilige plaats op te bergen. Want misschien wilt u het over een aantal jaren wel lezen. We kunnen de centrale aspecten van de waarheid immers niet voor altijd negeren.



Een boodschap van de auteur/maker van het compendium

Ik hoop dat u zult genieten van dit compendium. Het biedt momenteel de meest uitgebreide database van oplossingsgerichte onderwerpen. Zoals ik eerder heb gezegd, vraag ik slechts één ding van u: dat u dit boek verspreidt onder uw vrienden en hen vraagt om het ook weer naar hun vrienden te sturen, vooral naar personen die patriottisch gezind zijn. U kunt ons helpen en uzelf, uw familie en uw vrienden, door bij te dragen aan het verspreiden van de oplossingen die ons de overwinning zullen bezorgen, want de waarheid moet gehoord worden... Het is niet alleen ons recht, maar ook onze plicht om bij te dragen aan het behouden van onze identiteit, onze cultuur en ons nationaal zelfbestuur door de voortdurende islamisering te stoppen. Er kan geen Verzetsbeweging zijn als individuen zoals wij weigeren om bij te dragen...

Multiculturalisme (cultureel marxisme/politieke correctheid) is, zoals u wellicht weet, de oorzaak van de voortdurende islamisering van Europa, die heeft gezorgd voor de huidige islamitische kolonisatie van Europa door demografische oorlogsvoering (toegelaten door onze eigen leiders). Dit compendium bevat de oplossingen en legt uit wat er precies van ons allemaal verwacht wordt in de komende tientallen jaren. Iedereen kan en moet op een of andere manier bijdragen, het is gewoon een kwestie van willen.

Tijd is van wezenlijk belang. We hebben maar een paar decennia om voldoende weerstand te organiseren voordat onze grote steden demografisch volledig overspoeld zijn door moslims. Het zal een belangrijke bijdrage leveren aan ons succes als we zorgen voor de succesvolle verspreiding van dit compendium aan zoveel Europeanen als menselijkerwijs mogelijk is. Het kon wel eens de enige manier zijn om te voorkomen dat we een huidige en toekomstige dhimmitude (slavernij) tegemoet gaan, onder de islamitische meerderheid in onze eigen landen.

Het is mij om verschillende redenen niet gelukt om dit compendium naar heel veel mensen te versturen, dus ik hoop echt dat u bereid zult zijn om een bijdrage te leveren.

Dan wil ik nog opmerken dat het Engels mijn tweede taal is en vanwege bepaalde veiligheidsmaatregelen was ik niet in staat om de documenten professioneel te laten redigeren en te laten corrigeren. Natuurlijk valt er nog veel aan te verbeteren. Beschouwt u het dan ook a.u.b. als een 'eerste versie/editie'. De verantwoordelijkheid ligt nu bij u allen, aangezien ik wegens voor de hand liggende redenen niet in staat zal zijn om het verder te ontwikkelen.

Ik moedig iedereen met de juiste vaardigheden aan om bij te dragen aan een tweede editie van dit compendium door het te verbeteren en uit te breiden waar dit nodig is.



Oprechte en patriottische groeten,

Andrew Berwick, Londen, Engeland - 2011

Justiciar Knight Commander van Knights Templar Europe en een van de verschillende leiders van de Nationale en Pan-Europese Patriottische Verzetsbeweging

Met de hulp van broeders en zusters in Engeland, Frankrijk, Duitsland, Zweden, Oostenrijk, Italië, Spanje, Finland, België, Nederland, Denemarken, de VS etc.




Inleiding tot het compendium - 2083

Dit inleidende hoofdstuk legt uit hoe 'cultureel' marxisme geleidelijk aan onze naoorlogse samenleving heeft geïnfiltreerd. Het is belangrijk om te begrijpen hoe dit begon om onze actuele problemen te begrijpen. Dit hoofdstuk is specifiek geschreven voor de Amerikanen, maar is ook van toepassing op West-Europa.



Inleiding - Wat is 'Politieke Correctheid'?

Een van de belangrijkste inzichten van het conservatisme is dat alle ideologieën verkeerd zijn. Ideologie neemt een intellectueel systeem, een product van een of meerdere filosofen, en zegt: "Dit systeem moet wel waar zijn". Het is onvermijdelijk dat de werkelijkheid uiteindelijk meestal op een groeiend aantal punten verschilt van het systeem. Maar een ideologie kan zich in principe niet aanpassen aan de werkelijkheid; door dit te doen zou men het systeem ondermijnen.

Daarom moet de werkelijkheid maar worden onderdrukt. Als de ideologie macht heeft, gebruikt hij zijn macht om deze onderdrukking uit te voeren. Dan wordt het verboden om te schrijven of spreken over bepaalde feiten. Zijn doel is namelijk om niet alleen te voorkomen dat mensen gedachten uitdrukken die tegenstrijdig zijn met wat 'waar moet zijn', maar dat ze zulke gedachten überhaupt hebben. Uiteindelijk is het onvermijdelijke resultaat het concentratiekamp, de goelag [strafkampen in Rusland] en het graf.

Maar wat gebeurt er nu met Europeanen die zeggen dat er verschillen zijn tussen etnische groepen, of dat de traditionele sociale rollen van mannen en vrouwen hun verschillende aanleg weergeven, of dat homoseksualiteit moreel verkeerd is? Als ze publieke figuren zijn moeten ze door het stof kruipen in eindeloze, woekerende excuses. Als ze universitaire studenten zijn, worden ze geconfronteerd met de onderwijsraad en eventuele schorsing. Als ze werknemers zijn van privé-bedrijven, kunnen zij worden geconfronteerd met het verlies van hun baan. Wat was hun misdaad? Iets zeggen dat ingaat tegen de nieuwe EUSSR-ideologie van 'Politieke Correctheid'.

Maar wat is precies 'Politieke Correctheid'? Marxisten hebben de term al tenminste 80 jaar gebruikt als een breed synoniem voor "de algemene mening van de partij". Je zou kunnen zeggen dat Politieke Correctheid de algemene mening is van de gevestigde orde in de huidige West-Europese landen; iemand die hun waarheid tegen durft te spreken kan geen lid van die gevestigde orde zijn. Maar dat vertelt ons nog steeds niet wat PC eigenlijk is.

We moeten proberen om die vraag te beantwoorden. De enige manier waarop een ideologie kan worden begrepen, is door te kijken naar diens historische oorsprong, diens manier van denken en een aantal belangrijke principes ervan, zoals zijn plaats in het hoger onderwijs en zijn banden met de feministische beweging.

Als we willen overleven en onze landen willen herstellen naar een volledige vrijheid van denken en meningsuiting, dan moeten we onze vijand kennen. We moeten begrijpen wat Politieke Correctheid werkelijk is. U zult zo meteen zien dat als we de ware oorsprong en aard van Politieke Correctheid kunnen vinden, dat we dan een enorme stap zullen hebben gezet richting de omverwerping van de PC.



Hoe het allemaal begon - Politieke Correctheid is cultureel marxisme

De meeste Europeanen kijken op de jaren '50 terug als een goede tijd. Onze huizen waren veilig in zoverre dat veel mensen de deur niet eens op slot deden. Openbare scholen waren over het algemeen uitstekend, en de problemen daar waren dingen als praten tijdens de les en rennen in de gangen. De meeste mannen behandelden vrouwen als dames, en de meeste dames besteedden hun tijd en moeite aan een fijn thuis te maken, hun kinderen groot te brengen en hun gemeenschap te helpen door vrijwilligerswerk. Kinderen groeiden op in huishoudens met twee ouders, en de moeder was thuis als het kind thuiskwam van school. Vermaak was iets waar het hele gezin van kon genieten.

Wat is er gebeurd?

Als een man uit de jaren '50 opeens in het West-Europa van 2000 zou komen, zou hij zijn land nauwelijks herkennen. Hij zou onmiddellijk het gevaar lopen dat hij beroofd zou worden, dat zijn auto gestolen zou worden of erger nog, omdat hij niet heeft geleerd om in constante angst te leven. Hij zou niet weten dat hij bepaalde delen van de stad maar beter niet in kon gaan, dat zijn auto niet alleen een slot nodig heeft maar ook een alarm, en dat hij 's nachts niet kan gaan slapen voor hij de ramen en deuren vergrendelt - en het elektronische alarmsysteem inschakelt.

Als hij zijn familie met zich meebracht, zouden hij en zijn vrouw waarschijnlijk hun kinderen vrolijk naar de dichtstbijzijnde openbare school sturen. Als de kinderen in de middag thuis kwamen en zeiden dat ze door een metaaldetector moesten lopen om het gebouw in te mogen, dat ze wat raar wit poeder hadden gekregen van een ander kind en hadden geleerd dat homoseksualiteit normaal is en goed, zouden de ouders dit alles niet begrijpen.

Op kantoor zou de man misschien een sigaret opsteken, een verwijzing maken naar zijn 'vrouwtje' en zeggen dat hij blij was om te zien dat het bedrijf een paar kleurlingen had aangenomen voor belangrijke functies. Al die acties leveren hem een snelle berisping op, en voor die dingen tezamen zou hij ontslagen worden.

Als zij naar de stad zou gaan om te winkelen, zou de vrouw een mooi pakje aandoen, een hoed op, en eventueel handschoenen aan. Ze zou niet begrijpen waarom de mensen zo staarden en haar bespotten.

En als het hele gezin na het eten ging zitten en de televisie aanzette, dan zouden ze niet begrijpen hoe er pornografie van een of andere vieze naamloze 18+ kiosk op hun toestel was verschenen.

Ons gezin uit 1950 zou dan zo snel als zij konden teruggaan naar de jaren '50, en hadden daar een aangrijpend horrorverhaal te vertellen. Hun verhaal zou gaan over een volk dat in een fantastisch tempo was vervallen en ontaard, in minder dan een halve eeuw afgegleden van een de grootste landen ter wereld tot een van de derdewereldlanden overspoeld door misdaad, lawaai, drugs en vuil. De val van Rome was nog sierlijk in vergelijking.

Waarom is het gebeurd?

In de afgelopen vijftig jaar is West-Europa veroverd door dezelfde kracht die eerder Rusland, China, Duitsland en Italië overnam. Die kracht is ideologie. Hier, net als elders, heeft de ideologie enorme schade toegebracht aan de traditionele cultuur die het heeft gedomineerd, hij breekt het overal af en vaagt een groot deel ervan weg. Daarvoor in de plaats kwam er angst en ondergang. Rusland zal een generatie of meer nodig hebben om te herstellen van het communisme, als het dat überhaupt ooit kan.

De ideologie die West-Europa heeft overgenomen gaat meestal onder de naam 'Politieke Correctheid'. Sommige mensen zien het als een grap. Niet dus. Het is bloedserieus. Het is diens bedoeling om zo alle regels te veranderen, alle formele en informele regels die de betrekkingen tussen mensen en instellingen regelen. Het wil gedrag veranderen, en denkwijzen, ja zelfs de woorden die we gebruiken. Voor een groot deel heeft het dat al gedaan. Wie of wat de taal kan beheersen kan ook gedachten beheersen. Wie durft er nu nog te spreken over 'dames'?

Maar wat is 'Politieke Correctheid' nou precies? Politieke Correctheid is in feite cultureel marxisme (cultureel communisme) - marxisme omgezet van economische naar culturele thematiek. De poging om het marxisme om te zetten van economie naar cultuur begon niet met de studentenopstand van de jaren '60. Het gaat al minstens terug tot de jaren '20 en de werken van de Italiaanse communist Antonio Gramsci. In 1923 stichtte een groep van marxisten in Duitsland een instituut gewijd aan het maken van de overstap, het Institut für Sozialforschung (Instituut voor Sociaal Onderzoek, later bekend als de Frankfurter Schule). Een van de oprichters, George Lukacs, verklaarde hun doel als het beantwoorden van de vraag: "Wie zal ons redden van de Westerse beschaving?" De Frankfurter Schule kreeg grote invloed in de Europese en Amerikaanse universiteiten nadat veel van hun leidende leden in de jaren '30 vluchtten om aan het nationaalsocialisme in Duitsland te ontsnappen, en ze zich verspreidden over heel Europa en zelfs naar de Verenigde Staten. In West-Europa kregen zij invloed in de universiteiten vanaf 1945.

De Frankfurter Schule mengde Marx met Freud, en latere invloeden (sommige fascistisch en marxistisch) voegden ook taalkunde toe om 'Kritische Theorie' en 'deconstructie' te creëren. Deze termen hadden op hun beurt enorme invloed op theorieën over onderwijs, en door de instellingen voor hoger onderwijs gaf [de Frankfurter Schule zo] het startschot voor wat we nu 'Politieke Correctheid' noemen. Diens oorsprong is dus duidelijk, en het is terug te leiden naar Karl Marx.

De gelijkenissen tussen het oude economische marxisme en [het nieuwe] culturele marxisme zijn duidelijk. Cultureel marxisme, of Politieke Correctheid, deelt met klassieke marxisme de visie van een 'klasseloze maatschappij', dat wil zeggen, een maatschappij van niet alleen gelijke kansen, maar gelijke uitgangspositie. Aangezien die visie niet klopt met de menselijke natuur - omdat mensen verschillend zijn, zijn ze uiteindelijk ongelijk, ongeacht hun startpositie - zal de maatschappij het niet accepteren tenzij ze gedwongen worden. Dus onder beide varianten van het marxisme is er dwang. Dit is de eerste grote parallel tussen klassiek en cultureel marxisme: beide zijn totalitaire ideologieën. De totalitaire aard van de Politieke Correctheid is te zien op de campussen waar 'PC' de universiteit heeft overgenomen: de vrijheid van meningsuiting, van de pers, en zelfs van gedachtegoed zijn allemaal uitgeschakeld.

De tweede belangrijke gelijkenis is dat zowel klassiek economisch marxisme als cultureel marxisme een eenzijdige uitleg geeft van de geschiedenis. Klassiek marxisme stelt dat de hele geschiedenis werd bepaald door het bezit van productiemiddelen. Cultureel marxisme zegt dat de geschiedenis volledig wordt verklaard door welke groepen - ingedeeld naar geslacht, ras, godsdienst en seksuele normaliteit of abnormaliteit - macht over welke andere groepen hebben.

De derde gelijkenis is dat beide varianten van het marxisme bepaalde groepen goed en andere per definitie als kwaad verklaren, dat wil zeggen zonder rekening te houden met het feitelijke gedrag van individuen. Klassiek marxisme definieert arbeiders en boeren als goed en de bourgeoisie (de middenklasse) en andere mensen die rijk zijn als het kwaad. Cultureel marxisme definieert alle minderheden die zij als de slachtoffers zien als goed (moslims, feministische vrouwen, homoseksuelen en een aantal extra minderheidsgroepen) en beschouwt autochtone christelijke Europese mannen als kwaad. Cultureel marxisme erkent het bestaan van niet-feministische vrouwen niet, en definieert moslims, Aziaten en Afrikanen die Politieke Correctheid verwerpen ook als het kwade, net als autochtone christelijke of zelfs atheïst Europeanen.

De vierde gelijkenis is in goederen: onteigening. Economische marxisten hebben daar waar ze macht verkregen meteen eigendommen van de bourgeoisie afgepakt en ze gegeven aan de staat, de 'vertegenwoordiger' van de arbeiders en de boeren. Cultureel marxisten zullen, wanneer ze de macht krijgen (onder andere door onze eigen regering), boetes opleggen aan de autochtone Europese mannen en anderen die het niet met hen eens zijn, en speciale rechten geven aan de groepen 'slachtoffers' waar ze een voorkeur voor hebben. Voorkeursbehandeling is dus een voorbeeld hiervan.

Tot slot gebruiken beide soorten van marxisten een analysemethode die speciaal is ontwikkeld om de juistheid van hun ideologie aan te tonen in elke situatie. Voor klassieke marxisten is de analyse economisch. Voor cultureel marxisten is de analyse taalkundig: deconstructie. Deconstructie 'bewijst' dat een 'tekst', uit het heden of verleden, de onderdrukking illustreert van de moslims, vrouwen, homoseksuelen, enzovoort, door die betekenis simpelweg in de woorden van de tekst te lezen (ongeacht hun werkelijke betekenis). Beide methoden zijn natuurlijk nep-analyses die het bewijs aanpassen aan de bij voorbaat al getrokken conclusies, maar ze geven een 'wetenschappelijke' luchtje aan de ideologie.

Deze gelijkenissen zijn niet opmerkelijk, noch toevallig. Ze bestaan omdat Politieke Correctheid rechtstreeks afgeleid is van klassiek marxisme, en in feite een variant van het marxisme is. Gedurende het grootste deel van de geschiedenis van het marxisme werden cultureel marxisten 'verdreven' uit de beweging door klassieke, economische marxisten. Nu economisch marxisme dood is, heeft cultureel marxisme het stokje overgenomen. Het medium is veranderd, maar de boodschap is hetzelfde: een samenleving van radicale gelijkheid opgelegd door de macht van de staat.

Politieke Correctheid kijkt nu neer op de West-Europese samenleving. Het heeft macht over beide politieke vleugels, links en rechts. Bij de zogenaamde West-Europese 'conservatieve' partijen worden de feitelijke cultureel conservatieven de deur gewezen, omdat cultureel conservatief zijn betekent dat je je verzet tegen de essentie van de Politieke Correctheid. Het beheerst de meest krachtige elementen in onze cultuur: de media en entertainment-industrie. Het domineert zowel het middelbaar als het hoger onderwijs: menigeen campus is een klein, met klimop begroeid Noord-Korea. Het heeft zelfs de hogere geestelijkheid in veel christelijke kerken veroverd. Iedereen in de gevestigde orde die afwijkt van de PC-doctrine is al snel geen lid van de gevestigde orde meer.

De meest cruciale vraag is: hoe kunnen de West-Europeanen Politieke Correctheid bestrijden en hun samenleving terugwinnen op de cultureel marxisten?

Het is niet voldoende om alleen Politieke Correctheid te bekritiseren. Dat kan wel tegen een zekere mate van kritiek, zelfs lichte spot. Dat doet het namelijk door geen echte tolerantie te tonen voor andere levensovertuigingen, maar door zijn tegenstanders te ontwapenen, en zelf minder bedreigend te lijken dan het is. De cultureel marxisten hebben nog geen totale macht, en ze zijn te verstandig om totalitair te lijken tot hun overwinning zeker is.

Nee, mensen die cultureel marxisme willen verslaan moeten het weerstaan. Zij moeten gebruik maken van de woorden die het verbiedt, en weigeren om de woorden te gebruiken die het voorschrijft; vergeet niet dat sekse beter is dan geslacht. Zij moeten de waarheid die het probeert te onderdrukken juist van de daken schreeuwen, zoals ons verzet tegen de sharia op nationaal en lokaal niveau, de islamisering van onze landen, de feiten dat moslims proportioneel veel meer gewelddadige misdrijven plegen en dat de meeste gevallen van AIDS vrijwillig zijn opgelopen, dat wil zeggen, door immorele seksuele handelingen. Ze moeten weigeren om hun kinderen over te dragen aan openbare scholen.

Bovenal moeten degenen die Politieke Correctheid willen trotseren zich gedragen volgens de oude regels van onze cultuur, niet de nieuwe regels die de cultureel marxisten stellen. Dames moeten weer echtgenoten en huisvrouwen worden, geen politieagenten of soldaten, en mannen moeten nog steeds de deuren openhouden voor dames. Kinderen moeten niet buiten het huwelijk geboren worden. Verheerlijking van homoseksualiteit moeten worden gemeden. Juryleden mogen de islam niet accepteren als een excuus voor moord.

Ongeloof verspreidt zich. Wanneer andere West-Europeanen één persoon zien die Politieke Correctheid weerstaat en het overleeft - en die zijn er voorlopig nog steeds -, dan worden ze aangemoedigd. Ze komen dan in de verleiding om PC ook te gaan trotseren, en sommigen doen dat dan ook. Het effect van één enkele daad van verzet, één geval van iemand die naar het droombeeld loopt en dat zijn neus afbreekt, kan veel veranderen. Er is niets waar Politieke Correctheid banger voor is dan openlijk verzet, en om een goede reden ook; het is hun grootste zwakte. Dat zou de cultureel conservatieven aan moeten sporen om cultureel marxisme keer op keer openlijk te weerstaan.

Hoewel het twee voor twaalf is, is de strijd nog niet beslist. Zeer weinig West-Europeanen beseffen dat Politieke Correctheid in feite marxisme is, alleen in een ander jasje. Als dat besef zich verspreidt, zal het verzet daarmee ook verspreiden. Op dit moment kan Politieke Correctheid groeien en bloeien door zich te verstoppen. Door middel van verzet, en door onszelf te onderwijzen (en dat zou een onderdeel van elke vorm van verzet moeten zijn), kunnen we het ontdoen van zijn camouflage en aantonen wat voor marxisme er schuil gaat onder zijn dekmantels van 'gevoeligheid', 'tolerantie' en 'multiculturalisme'. Wie niet waagt, die niet wint.



De historische oorsprong van 'Politieke Correctheid'

West-Europa wordt vandaag de dag gedomineerd door een vreemd systeem van overtuigingen, houdingen en waarden die we hebben leren kennen als 'Politieke Correctheid'. Politieke Correctheid wil een uniformiteit van denken en gedrag opleggen aan alle Europeanen en is daarom totalitair van aard. De oorsprong hiervan ligt in een versie van het marxisme die de traditionele cultuur radicaal wil transformeren om een sociale revolutie te creëren.

Sociale revolutie heeft een lange geschiedenis, waarschijnlijk al zo ver terug als de Republiek van Plato. Maar het was de Franse Revolutie van 1789 die Karl Marx geïnspireerd heeft om in de 19e eeuw zijn theorieën te ontwikkelen. In de 20e eeuw zette het succes van de bolsjewistische revolutie van 1917 in Rusland een golf van optimistische verwachting in gang onder de marxistische troepen in Europa en Amerika, [een verwachting] dat de nieuwe proletarische wereld van gelijkheid eindelijk tot stand zou komen. Rusland, het eerste communistische land ter wereld, zou de revolutionaire krachten naar de overwinning leiden.

De marxistische revolutionaire krachten in Europa sprongen meteen op deze mogelijkheid af. Na het einde van de Eerste Wereldoorlog was er een communistische 'Spartacus' opstand in Berlijn onder leiding van Rosa Luxemburg, er was de oprichting van een 'Sovjet' in Beieren onder leiding van Kurt Eisner, en er werd in 1919 een Hongaarse communistische republiek opgericht door Bela Kun. In die tijd was er grote bezorgdheid dat heel Europa onder het vaandel van het bolsjewisme zou kunnen vallen. Dit gevoel van naderend onheil werd in het leven geroep toen het Rode Leger van Trotski's een inval in Polen deed in 1919.

Maar het Rode Leger werd verslagen door Poolse troepen bij de slag van de Vistula in 1920. De overheden van de Spartacisten, de Beierse Sovjet en Bela Kun kregen geen van allen brede steun van de arbeiders en na een korte tijd werden ze allemaal ten val gebracht. Deze gebeurtenissen stelden de marxistische revolutionairen in Europa voor een dilemma. Onder marxistische economische theorie zouden de onderdrukte arbeiders juist blij moeten zijn met een sociale revolutie die hen aan de top van de machtsstructuur zou plaatsen. Maar toen deze revolutionaire mogelijkheden geopenbaard werden, reageerden de arbeiders niet. De marxistische revolutionairen gaven hun theorie echter niet de schuld voor deze fouten. Zij verweten het de arbeiders.

Een groep van marxistische intellectuelen kwam tot een oplossing voor hun dilemma via een analyse die gericht is op culturele 'bovenlagen' van de samenleving in plaats van op de economische onderlagen zoals Marx deed. De Italiaanse marxist Antonio Gramsci en Hongaarse marxist Georg Lukacs hebben het meest bijgedragen aan dit nieuwe culturele marxisme.

Antonio Gramsci werkte in 1923-1924 voor de Communist International in Moskou en Wenen. Hij werd later gevangen gezet in een van Mussolini's gevangenissen, waar hij zijn beroemde Quaderni del carcere [Prison Notebooks] schreef. Onder marxisten is Gramsci bekend om zijn theorie dat een culturele hegemonie het middel is om te domineren [in verschillende klassen mensen]. In zijn visie moest een nieuw 'communistisch mens' worden gemaakt voordat er een politieke revolutie mogelijk was. Dit leidde hem ertoe zich te richten op de prestaties van intellectuelen op het gebied van onderwijs en cultuur. Gramsci voorzag een lange mars door de instellingen van de samenleving, met inbegrip van de regering, de rechterlijke macht, het leger, de scholen en de media. Hij concludeerde ook dat zolang de arbeiders een christelijke ziel hadden, ze niet zou reageren op zijn oproep tot revolutie.

Georg Lukacs was de zoon van een rijke Hongaarse bankier. Lukacs begon zijn politieke leven als een geheim agent van de Communist International. Door zijn boek Geschichte und Klassenbewußtsein: Studien über marxistische Dialektik werd hij erkend als de leidende marxistische theoreticus sinds Karl Marx. Lukacs geloofde dat voordat een nieuwe marxistische cultuur naar voren komt, de bestaande cultuur moet worden vernietigd. Hij zei: "Ik zag de revolutionaire vernietiging van de samenleving als de enige oplossing voor de culturele tegenstellingen van het tijdperk" en "Zo'n wereldwijde verschuiving van waarden kan niet plaatsvinden zonder dat de revolutionairen de oude waarden vernietigen en nieuwe creëren".

Toen Lukacs in 1919 Adjunct-Commissaris voor Cultuur werd in het bolsjewistische regime van Bela Kun in Hongarije, lanceerde hij wat bekend werd als 'Cultureel terrorisme'. Als onderdeel van dit terrorisme startte hij een radicaal programma voor seksuele voorlichting op de Hongaars scholen. Hongaarse kinderen werden onderwezen over de vrije liefde, geslachtsgemeenschap, over dat de normen van het middenklassegezin oubollig waren, dat monogamie uit de tijd was en godsdienst irrelevant, omdat die de mens van alle genoegens berooft. Vrouwen werden ook opgeroepen om in opstand te komen tegen de seksuele moraal van de tijd. Lukacs's campagne 'Cultureel terrorisme' was een voorloper van wat Politieke Correctheid later naar West-Europese scholen zou brengen.

In 1923 richtten Lukacs en andere marxistische intellectuelen die bij de Communistische Partij van Duitsland zaten samen het Instituut voor Sociaal Onderzoek op aan de universiteit van Frankfurt in Frankfurt, Duitsland. Het Instituut, dat bekend werd als de Frankfurter Schule, werd net zo opgericht als het Marx-Engels Instituut in Moskou. In 1933, toen nazi's aan de macht kwamen in Duitsland, vluchtten de leden van de Frankfurter Schule. De meesten kwamen naar de Verenigde Staten.

De leden van de Frankfurter Schule voerden vele onderzoeken uit over de overtuigingen, houdingen en waarden die volgens hen ten grondslag lagen aan de opkomst van het nationaalsocialisme in Duitsland. De studies van de Frankfurter Schule combineerden marxistische analyse met freudiaanse psychoanalyse om hun kritiek te uiten op de basis van de Westerse cultuur, waaronder het christendom, kapitalisme, autoriteit, het gezin, het patriarchaat, hiërarchie, moraal, traditie, seksuele terughoudendheid, loyaliteit, patriottisme, nationalisme, erfelijkheid, etnocentrisme, gewoonten en conservatisme. Deze kritiek, gezamenlijk bekend als Kritische Theorie, werd beschreven in werken van de Frankfurter Schule zoals Erich Fromms Escape from Freedom en The Dogma of Christ, Wilhelm Reichs The Mass Psychology of Fascism en Theodor Adorno's The Authoritarian Personality.

The Authoritarian Personality, gepubliceerd in 1950, heeft West-Europese psychologen en sociale wetenschappers sterk beïnvloed. Het boek ging uit van één principe: dat als er in een maatschappij christendom, kapitalisme, en patriarchale-autoritaire familie zijn, dat die dan vatbaar is voor raciale en religieuze vooroordelen en Duits fascisme. The Authoritarian Personality werd een handboek voor een nationale campagne tegen elke vorm van vooroordelen of discriminatie in de overtuiging dat als deze kwaden niet werden uitgeroeid, er dan een nieuwe holocaust kon komen op het Europese continent. Deze campagne legde op zijn beurt een basis voor Politieke Correctheid.

Om bepaalde specifieke elementen van de bestaande cultuur af te breken nam Kritische Theorie een aantal sub-theorieën op, zoals 'matriarchale theorie', 'androgynie-theorie', 'persoonlijkheidstheorie', 'autoriteitstheorie', 'familietheorie', 'seksualiteitstheorie', 'rassentheorie', 'wettelijke theorie', en 'literaire theorie'. In de praktijk zouden deze theorieën worden gebruikt om de heersende sociale orde omver te werpen en sociale revolutie in te luiden.

Om dit te bereiken erkenden de aanhangers van de Kritische Theorie in de Frankfurter Schule dat traditionele overtuigingen en de bestaande sociale structuur zouden moeten worden vernietigd en dan vervangen moesten worden. De patriarchale sociale structuur zou worden vervangen door het matriarchaat, de overtuiging dat mannen en vrouwen verschillend zijn en verschillende rollen nodig hebben zou worden vervangen door androgynie, en de overtuiging dat heteroseksualiteit normaal is zou vervangen worden met de overtuiging dat homoseksualiteit net zo 'normaal' is.

Dit was een groots plan bedoeld om de intrinsieke waarde van de autochtone christelijke Europese heteroseksuele mannen te ontkennen, en zo opende de Kritische Theorie van de Frankfurter Schule de deur naar de raciale en seksuele tegenhangers van de aanhangers van Trotski. Velen geloofden dat onderdrukte moslims, niet-Europese minderheden en anderen zoals feministen en homoseksuelen samen de voorhoede zouden vormen van een communistische revolutie in Europa.

Trotski's ideeën werden overgenomen door veel studentenleiders in de tegencultuur-beweging van de jaren '60, die revolutionairen uit minderheden in de leiderschapsposities van hun beweging probeerde te krijgen.

De revolutionaire studenten werden ook sterk beïnvloed door de ideeën van Herbert Marcuse, een ander lid van de Frankfurter Schule. Marcuse predikte de 'Grote Weigering', een verwerping van alle fundamentele Westerse concepten, seksuele bevrijding en de verdiensten van de feministische en zwarte revolutie. Zijn primaire stelling was dat universitaire studenten, zwarten uit getto's, de vervreemde mensen, de asocialen, en de Derde Wereld de plaats zouden innemen van het proletariaat in de communistische revolutie. In zijn artikel "An Essay on Liberation" verkondigde Marcuse zijn doelen van een radicale herwaardering van de waarden, de versoepeling van taboes, culturele herinrichting, Kritische Theorie, en een taalkundige opstand die een hoop betekenissen van woorden methodisch zou verdraaien. Over rassenconflicten schreef Marcuse dat blanke mannen schuldig zijn en dat zwarten de meest natuurlijke kracht van rebellie zijn.

Marcuse is misschien wel het belangrijkste lid van de Frankfurter Schule als het gaat over de oorsprong van de Politieke Correctheid, want hij was de kritische koppeling naar de tegencultuur van de jaren '60. Zijn doel was duidelijk: "Men kan met recht spreken van een culturele revolutie, omdat het protest is gericht op de hele culturele orde, met inbegrip van moraliteit van de bestaande maatschappij..." Zijn visie was om de sterke oerkracht van de seksualiteit vrij te maken van haar traditionele beperkingen, en hij predikte deze boodschap in zijn boek Eros and Civilisation uit 1955. Marcuse werd een van de belangrijkste goeroes van de seksuele rebellie van de adolescenten in de jaren '60; hij was het die de uitdrukking "Make love, not war" bedacht. Met die rol werd de keten van de marxistische invloed via de Frankfurter Schule compleet: van de tijd dat Lukacs diende als Adjunct-Commissaris voor Cultuur in de bolsjewistische Hongaarse regering in 1919 tot aan de dag dat West-Europese en Amerikaanse studenten de vlag verbrandden en de universitaire administratieve gebouwen overnamen in de jaren '60. Vandaag de dag zijn veel van deze zelfde colleges bolwerken van Politieke Correctheid, en de voormalige radicale studenten zijn de faculteitsstaf geworden.

Een van de belangrijkste bijdragers aan Politieke Correctheid was Betty Friedan. Door middel van haar boek The Feminine Mystique verbond Friedan het Feminisme aan de theorie van Abraham Maslow over zelf-actualisatie. Maslow was een sociaal psycholoog die in zijn jonge jaren onderzoek had gedaan naar vrouwelijke dominantie en seksualiteit. Maslow was een vriend van Herbert Marcuse aan de Brandeis University en had Erich Fromm ontmoet in 1936. Hij was sterk onder de indruk van Fromm's van de Frankfurter Schule. Hij schreef in 1944 een artikel, "The Authoritarian Character Structure", dat de persoonlijkheidstheorie van de Kritische Theorie weerspiegelt. Maslow was ook onder de indruk van het werk van Wilhelm Reich, die bij de Frankfurter Schule ook een initiatiefnemer was van de persoonlijkheidstheorie.

De betekenis van de historische wortels van de Politieke Correctheid kan niet volledig worden gewaardeerd tot men Betty Friedan's revolutie in sekserollen ziet voor wat het werkelijk was - een openbaring van het sociale revolutionaire proces begonnen door Karl Marx. Friedan was afhankelijk van Abraham Maslow's uitleg van de ideologie van de Frankfurter Schule. [Dit] is slechts één teken [dat de denkers steeds meer beïnvloed werden door cultureel marxisme]. Andere tekenen zijn het feit dat Friedans revolutie in sekserollen overeen komt met Georg Lukacs' plan voor de vernietiging van oude waarden en het creëren van nieuwe waarden, en met Herbert Marcuse's plan voor de herwaardering van waarden. Maar het idee om een patriarchaat te veranderen in een matriarchaat - dat wil zeggen de ommekeer dat vrouwen het thuis voor het zeggen krijgen -, dat kan rechtstreeks worden teruggeleid naar Friedrich Engels zijn boek The Origin of the Family, Private Property, and the State. Dit boek, voor het eerst gepubliceerd in 1884, maakte de nu gangbare feministische overtuiging heel populair, die overtuiging dat diepgewortelde discriminatie van het onderdrukte vrouwelijke geslacht een functie van het patriarchaat was. Het geloof dat het matriarchaat de oplossing was voor het patriarchaat komt voort uit de opmerkingen van Marx in Die deutsche Ideologie uit 1845. In dit werk brengt Marx het idee naar voren dat vrouwen en kinderen de primaire eigendommen zijn van de patriarchale man. Matriarchale theorie van de Frankfurter Schule en haar zustertheorie, de androgynie-theorie, zijn beide afkomstig uit deze bronnen.

Bij het aanspreken van het grote publiek zullen voorstanders van Politieke Correctheid - of cultureel marxisme, zijn echte naam - hun geloof op een aantrekkelijke manier brengen. Het is allemaal gewoon een kwestie van 'gevoelig' zijn voor andere mensen, zeggen ze. Ze gebruiken woorden als 'tolerantie' en 'diversiteit', en vragen: "Waarom kunnen we niet gewoon allemaal aardig zijn voor elkaar?"

De realiteit is anders. Politieke Correctheid gaat helemaal niet over 'aardig zijn', tenzij men denkt dat goelags leuke plaatsen zijn. Politieke Correctheid is marxisme, met alle gevolgen vandien: verlies van de vrijheid van meningsuiting, controle over iemands gedachten, overhoop gooien van de traditionele sociale orde en, uiteindelijk, een totalitaire staat. Het cultureel marxisme dat door de Frankfurter Schule is ontworpen is nog verschrikkelijker dan het oude economische marxisme dat Rusland heeft geruïneerd. De economische marxisten hemelen tenminste geen seksuele perversie op en proberen geen matriarchaat te creëren, zoals de Frankfurter Schule en zijn afstammelingen hebben gedaan.

In dit korte essay heb ik geprobeerd om een kritische koppeling te maken, eentje tussen klassiek marxisme en de ingrediënten van de 'culturele revolutie' die in de jaren '60 uitbrak in West-Europa. Natuurlijk stopte die actie niet in de jaren '60, want de uitwassen van de Frankfurter Schule zijn nog zeker met ons, vooral op het gebied van onderwijs. Dat onderwerp, en de andere hedendaagse effecten van Frankfurter Schule denken, zal ik later verder analyseren.



Cultureel marxistische profielen

Georg Lukacs

Antonio Gramsci

Wilhelm Reich

Erich Fromm

Herbert Marcuse

Theodor Adorno


Politieke Correctheid in het hoger onderwijs

Op een groeiend aantal universitaire campussen wordt er in een alarmerend tempo gebroken met de vrijheid om ideeën uit te drukken en te bespreken - een principe dat al sinds de tijd van Socrates de hoeksteen is van het hoger onderwijs. Zie hier slechts een van de groeiende trends: er zijn honderden (soms duizenden) exemplaren van conservatieve studentenblaadjes ofwel gestolen ofwel in het openbaar verbrand door radicale studenten. In veel gevallen hebben deze handelingen plaatsgevonden met de stilzwijgende steun van docenten en bestuurders. De daders worden zelden gestraft.

Hoewel het gemakkelijk zou zijn om zulke demonstraties van de tolerantie als studentengrappen af te doen, zijn deze incidenten het topje van de ijsberg van een meer doordringende en verraderlijke trend - een trend met als doel de vernietiging van de traditie aan vrije kunsten die zoveel bij heeft gedragen tot het creëren en in stand houden van de Westerse beschaving.

Hoewel sommige experts beweren dat de overheersing van de ideologische intolerantie die bekend staat als Politieke Correctheid is overdreven, is het tegendeel waar. Politieke Correctheid is zo diep geworteld in het West-Europese en Amerikaanse hoger onderwijs dat veel campussen nu worden gedomineerd door een sfeer van onzekerheid en vrees. Een toenemend aantal toegewijde studenten en docenten leeft nu in angst dat hun intellectuele zoektocht naar de waarheid de Groot Inquisiteurs van de Politieke Correctheid zal beledigen.

De technieken van de Politieke Correctheid zijn nu bekend: aanvallen op het curriculum [programma van schoolvakken] in de naam van 'multiculturalisme', het opleggen van beperkende en vaag geformuleerde 'spraakcodes' en verplichte 'tolerantiecursussen' voor nieuwe studenten, wat weinig meer is dan een systematische poging tot ideologische indoctrinatie. Maar de invloed van de Politieke Correctheid heeft zich ook op andere storende manieren verspreid.


De oorsprong van de Politieke Correctheid in het hoger onderwijs

Hoewel de ideologie van de Politieke Correctheid niet alleen beperkt is tot onze campussen, is er geen twijfel mogelijk dat het daar wel is ontstaan. De intellectuele oorsprong van dit fenomeen was al eeuwen geleden. Uiteindelijk kan de oorsprong van PC worden herleid tot de opkomst van de moderne ideologie en haar zoektocht naar macht. In tegenstelling tot de klassieke en joods-christelijke tradities, die de nadruk legden op het feit dat de mens een morele orde moet begrijpen en daar naar moet leven, hebben moderne ideologieën de wil om te domineren en de wereld te beheersen. In de 20e eeuw kregen deze ideologieën politieke macht in de communistische landen.

Maar in het Westen is de ideologie niet in staat geweest om een dergelijke directe aanval te doen op onze tradities van ordelijke vrijheid. In plaats daarvan hebben radicale intellectuelen geprobeerd om de basisprincipes van de kennis zelf te ondermijnen, en dus hun pijlen te richten op de transformatie van de universiteit.

Het keerpunt in de academie kwam in de jaren '60, toen militante studenten startten met een guerrilla-aanval op de tradities van de Westerse cultuur en de vrije kunsten. Aangezien ze geen blijvende macht konden krijgen door demonstraties alleen, kozen veel van deze militanten ervoor om 'in het systeem' te blijven, om zelf hoogleraren te worden. Deze generatie van 'cultureel marxistische radicalen' is nu de gevestigde orde in de overgrote meerderheid van onze instellingen voor hoger onderwijs. Als universitaire hoofden, decanen en afdelingsvoorzitters hebben ze andere ideologen die het met hen eens zijn kunnen inhuren en hebben aangestuurd op het beklemmende beleid dat we kennen als Politieke Correctheid. Deze tot politici geworden wetenschappers zullen erg moeilijk uit hun huidige machtsposities te verwijderen zijn.


Ideologie versus liberaal onderwijs

In deze oorlog van ideeën staat er veel op het spel, want het gaat over het concept van de vrijheid zelf. West-Europeanen en Amerikanen hebben de nauwe en belangrijke samenhang tussen liberaal onderwijs en politieke vrijheid altijd begrepen. Daarom is Politieke Correctheid niets minder dan een doodssteek gericht op het hart van onze landen.

In zijn baanbrekende boek The Idea of a University definieerde kardinaal John Henry Newman de 'vrije kunsten' als een streven naar kennis omwille van kennis. Het tegenovergestelde, wat hij de 'slaafse kunsten' noemde, is die toestand van onderzoek die alleen specifieke, directe doeleinden mag dienen. De vrije kunsten zijn bevrijdend, zegt Newman, omdat ze mensen in staat stellen om die onderliggende principes te ontdekken die ons leiden naar wijsheid en deugdzaamheid.

Als hij tegenwoordig nog in leven zou zijn, zou Newman Politieke Correctheid zien als 'slaafs' omdat het doel ervan is om een politieke agenda een nationale machtspositie te geven. Steeds meer militante professoren maken hun podia schaamteloos tot preekstoelen, geven hun zoektocht naar objectieve waarheid op en gaan over op de taak om hun studenten te indoctrineren.


Het verwoeste curriculum

De voorstanders van Politieke Correctheid hebben hun aandacht gericht op de kern van ons liberale onderwijs, het curriculum. Hun inspanningen zullen radicaal veranderen wat nieuwe generaties van West-Europeanen en Amerikanen zullen leren. In deze strijd is de handlanger van de Politieke Correctheid de 'multiculturele' beweging. Een aantal critici hebben er terecht op gewezen dat het multiculturalisme meer is dan een reden om cursussen te geven die zich richten op groepen die op een bepaald moment waren benadeeld of onderdrukt. Nee, multiculturalisme gaat over de systematische herstructurering van het curriculum zodat studenten niet kunnen leren over de Westerse traditie. Aangezien de bijbedoeling achter Politieke Correctheid een poging is om de West-Europese en Amerikaanse samenleving te herstructureren volgens totale gelijkheid, moeten de aanhangers van PC een diepgaand cultureel relativisme in de hoofden van de studenten inprenten.

Misschien is het meest verontrustende aspect van de politiek correcte aanval op het lesprogramma wel het feit dat het voorkomt bij veel van onze elite-universiteiten. Neem, bijvoorbeeld, het geval van Stanford University, een instelling die al lange tijd een leidende rol speelt in het Amerikaanse hoger onderwijs. In 1988 stopte Stanford met haar jaren oude programma Westerse beschaving en verving het door een multicultureel programma genaamd Culturen, Ideeën en Waarden. In dit nieuwe programma kunnen de eerstejaars van Stanford net zo goed marxistische revolutionairen in Midden-Amerika bestuderen als Plato, Shakespeare, of Newton.

Stanford heeft de studenten ook weerhouden van serieus onderzoek naar geschiedenis. Studenten van Stanford zijn, net als studenten op 49 van de andere 50 topuniversiteiten in de Verenigde Staten, niet verplicht om een cursus geschiedenis te nemen. In plaats daarvan mogen ze kiezen uit een aantal vakken onder de noemer 'Amerikaanse culturen'. Volgens een recent afgestudeerde aan de Stanford is het onmogelijk om je punten te halen voor 'Amerikaanse culturen' als je het protestantisme, Ierse Amerikanen, of het Amerikaanse Westen hebt bestudeerd, maar cursussen die wel voldoen aan de eisen zijn "Film- en Letterkunde: Beelden van de Grens tussen de VS en Mexico" en "Hedendaags Etnisch Toneel". Studenten aan Stanford moeten ook cursussen nemen over "Wereldculturen" en "Gender Studies", waaronder zoal "Expressieve Cultuur van Mexicaanse Vrouwen" en "Vrouwenhaat en Feminisme in de Renaissance".

Omdat elite-instellingen zoals Stanford een voorbeeld zijn voor de rest van het Amerikaanse en Europese hoger onderwijs, nemen andere universiteiten gretig deze verwoestende aanvallen op het curriculum over. Dit besluit van hoger hand zal een langdurig effect hebben op de manier waarop de toekomstige generaties van West-Europeanen en Amerikanen zullen worden opgeleid.


Intolerantie en de aanval op de vrijheid

De twee concepten die al eeuwenlang de vrije kunsten mogelijk hebben gemaakt zijn academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting. Zonder de vrijheid om vrijuit de waarheid na te streven en te schrijven en te spreken, is eerlijk onderzoek onmogelijk. Maar beide fundamentele vrijheden zijn stelselmatig opgeheven door de invoering van spraakcodes, 'gevoeligheidscursussen', en een algemene sfeer van angst en intimidatie op de campus.

Zo moeten jongere professoren die nog geen vast contract hebben niet alleen voorzichtig zijn met wat ze zeggen, maar ook wat ze publiceren. Ideologische universitaire bestuurders hebben in de jaren '90 een omgeving gecreëerd die wordt gedomineerd door wantrouwen, en die is veel intenser dan [het wantrouwen] dat de anticommunistische senator Joseph McCarthy veroorzaakte in de jaren '50.

De meest tragische slachtoffers in deze tijd van Politieke Correctheid zijn de studenten. Het traditionele doel van liberaal onderwijs - acculturatie, waarbij de studenten de overgeërfde wijsheid van het verleden absorberen - is vernietigd. Een universitaire opleiding lijkt vandaag de dag steeds meer politieke indoctrinatie te bevatten. Uiteindelijk wil Politieke Correctheid de traditionele gewoonten van kritisch denken vervangen voor een zelfvoldaan gevoel van juistheid. Een voorname geleerde klaagde onlangs dat "het hoger onderwijs steeds meer gaat over het aanleren van houdingen en meningen die men aantrekt als een uniform".

Omdat het hoger onderwijs een relatief geïsoleerde wereld is, kan het toestaan dat politiek gekleurde beheerders de campus omzetten in een laboratorium voor experimenten in sociale transformatie. Elke keer dat critici van de Politieke Correctheid dit sfeertje op de campus hebben vergeleken met die van een totalitaire staat, hebben liberale wijsneuzen hen al snel afgeschetst als hysterisch. Weinig van zulke 'experts' hebben persoonlijke ervaring met het dagelijks leven op de campus.



De beweging voor academische hervorming

books

Ondanks de institutionele macht van de radicale studenten zijn er ook krachten aan het werk die eerlijke academische hervormingen aanmoedigen. De academische hervormingsbeweging streeft naar de principes van verantwoording, communicatie, en een toewijding aan authentiek onderzoek. Één zo'n kracht achter academische hervorming is dat ouders steeds meer vragen om meer verantwoording van hogescholen en universiteiten. In een tijd waarin onderzoeken aantonen dat studenten meer betalen en minder leren dan ooit tevoren, worden ouders steeds meer kritische consumenten.

Een andere kracht is het onafhankelijke studentenblad waarin journalisten verslag doen van de capriolen van de Politieke Correctheid op de campus. In veel universiteiten kunnen radicale studenten nog onbekritiseerd doordraven in de geïsoleerde wereld van de universiteit.

Maar er zijn alternatieven. Alternatieve studentenorganisaties hebben onderzoek gedaan naar misbruik op alle niveaus van het academische leven en zijn bezig met opmerkelijk eerlijke en nauwkeurige onderzoeksjournalistiek. Misschien wel de meest bekende 'primeur' kwam uit het alternatieve blaadje van Yale University, Light & Truth, een publicatie die wordt ondersteund door het Collegiate Network. De redactie van Light & Truth ontdekte dat een donatie van $ 20 miljoen, gegeven door alumnus Lee Bass, door het bestuur niet werd gebruikt voor het afgesproken doel om een geïntegreerde opleiding over de Westerse beschaving te ondersteunen. Hun rapport bracht het schandaal naar buiten, en dat stopte pas toen Yale meneer Bass zijn geld teruggaf. De daaropvolgende heisa kostte Yale veel meer dan de $ 20 miljoen van de heer Bass - ze verloren zowel het geld als de vele donoren van Yale die het huidige bestuur nu niet meer vertrouwen.

Niet alle schandalen die andere campusblaadjes ontdekken zijn ook zo groot, maar er zijn talloze gevallen die studenten door onderzoeksjournalisme kunnen blootstellen. De rechtenfaculteit aan de Universiteit van North Carolina, in Chapel Hill, heeft vertegenwoordigers van het Amerikaanse leger verboden om promotiekraampjes op te zetten, ondanks dat de universiteit door het ministerie van Defensie gesponsord wordt met federaal belastinggeld. Een artikel over deze schandalige aanval op de vrijheid verscheen in zowel het studentenblad Carolina Review als in de nationale studentenkrant gepubliceerd door ISI, CAMPUS, en er kwam grote ophef over binnen en buiten de campus. De wetgevers van North Carolina kwamen onmiddellijk in actie en voerden een wetsvoorstel door dat een door de belastingbetaler ondersteunde school verbiedt om te discrimineren tegen het leger wanneer er carrièrebeurzen naar de universiteit komen.

Aan de Universiteit van Wisconsin in Madison ontdekte de UWM Times, een conservatieve studentenkrant, dat iemand uit het universiteitsbestuur handtekeningen aan het verzamelen was om plaatselijke Democratische kandidaten in een openbaar ambt te krijgen[. Dit is] een rechtstreekse schending van een staatswet die universitaire medewerkers verbiedt om politieke campagnes te voeren. De universiteit weigerde de bestuurder in kwestie te straffen - misschien wel omdat de voorzitter zelf zowel de wet als zijn eigen richtlijnen had geschonden door een van de verzoekschriften tijdens werktijd te ondertekenen. Het verhaal werd ook gedrukt in het blad van Milwaukee, de Sentinel, en het misbruik werd beëindigd.

Nu dat alternatieve kranten en organisaties die zijn gewijd aan academische hervorming het woord verspreiden, raken de grotere gemeenschappen die betrokken zijn bij onze instellingen voor hoger onderwijs ook meer betrokken bij serieuze wetenschappelijke hervorming. Zo moedigt de National Association of Scholars het universitaire bestuur aan om een actievere en uitgesproken rol te spelen in het verzet tegen de uitwassen van de Politieke Correctheid. Zulke acties moeten er steeds vaker en op meer plekken komen.

Op de lange termijn is de meest directe methode om de inquisiteurs van de Politieke Correctheid te verslaan simpelweg om u tegen hen te verzetten. Individuele daden van verzet hebben vaak ernstige gevolgen: studenten worden voor een streng gerecht gesleept om hen te vernederen en ontmoedigen, terwijl docenten hun kans op verlenging van een contract kunnen verliezen. Maar elke daad van verzet heeft een domino-effect, want het moedigt anderen aan om ideologische intimidatie te weerstaan. Met de steun van een groot aantal ouders, donateurs, en afgestudeerden kunnen deze Davids toch de Goliaths doden die veel groter zijn dan zijzelf.


Het vuur van echte kennis

Misschien is de sterkste kracht voor echte academische hervorming wel die kracht die als doel heeft om de ideologische aanvallen van Politieke Correctheid te verslaan door eerst de oorlog van ideeën te winnen. Bovendien blijven sommige hogescholen en universiteiten tegen de ideologische stroming van onze tijd inzwemmen.

Een van de meest beroemde uitspraken van Edmund Burke is dat "het enige wat nodig is voor de triomf van het kwaad is dat goede mensen niets doen". Generaties lang hebben West-Europeanen en Amerikanen hun hoger onderwijs met respect behandeld - een teken van hun geloof in de bevrijdende kracht van de vrije kunsten. Maar, eenmaal geconfronteerd met Politieke Correctheid, moet het West-Europese en Amerikaanse volk zijn respect aanvullen met een kritische erkenning [van de problemen], en een meer directe poging ondernemen om de academische wereld op het matje te roepen. Het is tijd dat rechtschapen mannen en vrouwen eisen dat het West-Europese hoger onderwijs weer voldoet aan de beste tradities en de tirannie van de Politieke Correctheid afschaft.



Politieke Correctheid: deconstructie en letterkunde

Literatuur is, als het niet de belangrijkste culturele maatstaf is, in ieder geval een belangrijke meetlat voor hoe beschaafd een maatschappij is. Onze persoonlijkheid en omgeving komen samen om elke individuele geest te scheppen, die zich op zijn beurt kan uitdrukken in woorden. Literatuur is de woorden die een samenleving collectief als voorbeeld neemt, en zo een soort uitgangspunt wordt - een kijkje in de cultuur.

Het huidige literaire veld is dan ook het bestuderen waard, om te kijken naar ons huidige culturele milieu. Het hedendaagse West-Europese en Amerikaanse literaire veld is overspoeld door 'ismen': marxisme, freudianisme, feminisme, en ga zo maar door. De meeste hiervan zijn de academische uitwassen van wat in de gemeenschappelijke cultuur 'Politieke Correctheid' genoemd wordt. Literaire theoretici nemen hun bepaalde soort kritiek en passen het toe op de literatuur in een poging om hun waarden te bevestigen door de betekenis van een tekst te 'ontdekken'. Voor een feministische criticus, bijvoorbeeld, gaat Andrew Marvel's Upon Appleton House niet langer over de schoonheid van de omgeving, het gaat in plaats daarvan over hoe slecht een mannelijke lijn van erfenis is. Deze 'culturele critici', zo genoemd omdat ze literatuur bezien op basis vanuit het oogpunt van een bepaalde cultuur, vormden zich al in de jaren '60, maar hun scholen van kritiek kwamen pas echt op gang met de komst van de school van deconstructie in de jaren '70.

De werken van de [geestelijke] vader van deconstructie, Jacques Derrida, werden vanaf het midden van de jaren '70 vertaald uit het Frans door Amerikaanse professor Gayatri Spivak, in een tijd waarin de Amerikaanse literaire wereld rijp was voor zijn invloed. De economische marxisten waren zeer actief op West-Europese en Amerikaanse campussen, en de culturele critici werden nog steeds opgehitst door het radicalisme van de tijd. Feministen hadden tien jaar eerder al voet aan de grond gekregen, maar ze konden zich alleen nog maar uitdrukken over een vaag gevoel van onderdrukking. Wat ze misten was filosofische steun - de moed ingegeven door het hebben van een eigen logo. De komst van deconstructie van Frankrijk gaf hen die filosofie.

Op dat moment deed die generatie van wetenschappers wat alle academici doen; de vorige generatie vertellen dat zij het helemaal verkeerd hadden. In dit geval was de opstand tegen de New Critics - die nu, tientallen jaren na hun hoogtepunt, nog steeds zo heten. De New Critics waren gespecialiseerd in de betekenis van teksten vinden zonder rekening te houden met achtergrondinformatie zoals wat de schrijver bedoelde; dit is een proces met de leus "alles staat in de tekst".

De nieuwe generatie van critici wilde dat principe op zijn kop zetten. In plaats van "alles staat in de tekst" beweerde de nieuwe generatie dat "alles tekst is" en ze richtten zich op het analyseren van van alles en nog wat rondom het literaire werk. Als een dichter een gedicht schreef waarin een vrouwelijk persoon zat, zou de criticus, in een poging het werk te interpreteren, kijken naar de relatie van de dichter met zijn moeder, zijn vrouw, zijn zus en ga zo maar door. Dit kon het positieve effect hebben (en had het ook vaak) dat er biografische informatie werd gebruikt om het werk beter te begrijpen, maar deze nieuwe interpretaties probeerden de ware betekenis van het werk niet te ontdekken (zoals de New Critics hadden gedaan) en zelfs niet te ontdekken wat de auteur bedoelde (zoals de traditionele lezingen probeerden). Deze nieuwe generatie van critici werden de eerste beoefenaars van wat in literaire kringen bekend is als 'culturele kritiek'. Ze spande zich in om literatuur te bekijken van uit het oogpunt van 'de vrouw' of de 'slachtoffers' of de 'radicale minderheid'. Zij probeerden geen betekenis te vinden - ze waren daarvoor te sterk beïnvloed door relativisten - maar om seksisme, racisme of 'homofobie' te vinden in de werken van mannelijke, Europese of heteroseksuele auteurs.

Derrideaanse deconstructie werd een hulpmiddel voor deze culturele critici. Eenvoudig gezegd is deconstructie een school van gedachte die stelt dat woorden geen betekenis hebben. In plaats daarvan hebben woorden 'sporen' van betekenis. De betekenis van een woord verdwijnt voortdurend, waardoor we alleen het geheugen hebben, de sporen van wat die betekenis ooit was.

Toen culturele critici zich bewust werden van de kracht van deze school van denken, namen ze het gretig aan, want hierin ontdekten ze een methode om de traditionele interpretaties van literaire werken te ontkrachten. Ze gebruikten deconstructie om de traditionele betekenis te verwijderen en te vervangen door een nieuwe betekenis. Die betekenis was de Politieke Correctheid die onze samenleving tegenwoordig teistert.

Bijvoorbeeld, nadat de traditionele betekenis van "How Do I Love Thee" [van Shakespeare] is gedestabiliseerd in het proces zoals hierboven beschreven, kan een feministische criticus het oppikken en - bij het gebrek aan een stabiele traditionele interpretatie - vaststellen dat het gedicht 'echt' gaat over hoe vrouwen in het 19e-eeuwse Engeland werden geconditioneerd om zichzelf te zien als minderwaardig aan mannen.

De intelligentsia was zijn literatuur vergeten in zijn haast om politiek te propageren.

Helaas heeft dit de culturele critici er niet van weerhouden om deze nieuwe generatie te indoctrineren met feministische interpretatie, marxistische filosofie en de zogenaamde 'queer theory'. Het was niet langer verplicht om Shakespeare, Milton, Chaucer, en andere dode blanke mannen te lezen, want dat werd vervangen door de keuze om vakken te nemen over "De Rol van Vrouwen in de Renaissance" (een excuus om te klagen over het seksisme van het verleden) of "De Bijbel als Literatuur" (een cursus ontworpen om de Bijbel te denigreren als slim geschreven fictie in plaats van Gods waarheid).

De betrouwbare redder van de intelligentsia is de gewone man en zijn gezonde verstand. Gezond verstand zegt dat woorden wel iets betekenen, en als deconstructie anders beweert dan zal het verbannen worden naar de rand van de samenleving. Helaas zullen de effecten [van deconstructie] nog langer blijven hangen - het heeft cultuurkritiek inmiddels een gevoel van geldigheid gegeven en markt voor diens ideeën.



Radicaal feminisme en Politieke Correctheid

In het West-Europese leven van tegenwoordig is er geen aspect van de Politieke Correctheid duidelijker aanwezig dan feministische ideologie. Is het feminisme, net als de rest van de Politieke Correctheid, gebaseerd op het cultureel marxisme dat in de jaren '30 werd geïmporteerd uit Duitsland? Hoewel feminisme al zeker meer dan zestig jaar geschiedenis heeft in West-Europa, is het de afgelopen decennia pas echt opgebloeid door de zich ontvouwende sociale revolutie die de cultureel marxisten met zich meebrachten.

Waar zien we radicaal feminisme opklimmen? Dat zien we op de televisie, waar bijna alle grote programma's een 'sterke vrouw' hebben, en de verhaallijnen en personages een minderwaardigheid van het mannelijke en een meerderwaardigheid van het vrouwelijke benadrukken. Dat zien we in het leger, waar men meer kansen aanbiedt voor vrouwen, ook in gevechtsposities, waardoor men met twee maten meet en dan de eisen naar beneden bijstelt, en waar we een daling zien van de aanstelling van jonge mannen terwijl de echte 'krijgers' in dienst massaal ontslag nemen. Dat zien we in de door de regering verplichte positieve discriminatie op de arbeidsmarkt: praktijken waar vrouwen van profiteren en aanklachten van 'seksuele intimidatie' om mannen onder de duim te houden. Dat zien we op hogescholen waar Vrouwenstudies groter groeit en positieve discriminatie wordt toegepast in lotingen en het aannemen van personeel. Dat zien we in andere arbeidstakken, publieke en private, waar er naast positieve discriminatie ontzettend veel tijd en aandacht wordt besteed aan 'gevoeligheidstraining'. Dat zien we in openbare scholen, waar 'zelfbewustzijn' en 'zelfvertrouwen' steeds meer aangemoedigd wordt en tegelijkertijd het academische leren afneemt. En helaas zien we dat een aantal Europese landen de gratis verspreiding van anticonceptiepillen toestaan en financieren, in combinatie met een liberaal abortusbeleid.

Hoewel de radicale feministische beweging wordt omarmd door de hedendaagse ideologie Politieke Correctheid, die is afgeleid van cultureel marxisme, is feminisme op zich al eerder begonnen. Feminisme is ontsproten en geboren rond 1830, in de generatie die de eerste fase van de industriële revolutie meemaakte. Vrouwen, die eeuwenlang deel hadden genomen aan de uitdagingen van het overleven op een boerderij, werden steeds meer deel van een middenklasse die meer tijd en energie kon besteden aan het schrijven van krantenartikelen en romans voor hun 'zusters'. De eerste fasen van de feminisering van Europese cultuur was begonnen.

Deze feministen, in hun tijd radicaal, ondersteunden de rechten van vrouwen, egalitarisme, antikolonialisme, pacifisme en andere zaken die we nu waarnemen in de populaire cultuur. In tegenstelling tot de radicale hedendaagse feministen waren de sociale feministen van rond 1890 en het begin van de 20e eeuw van een minder totalitair karakter. Ze stonden voor kiesrecht van vrouwen, maar pleitten voor de versterking van de familie.

Vandaag de dag is er de feminisering van de Europese cultuur, die sinds de jaren '60 steeds erger wordt. Ja, de hedendaagse radicale feministische aanval van steun voor de massa-immigratie van moslims heeft een politieke parallel met het eerdere verzet tegen kolonialisme. Deze stroom aanvallen is deels een voortzetting van een eeuwenoude poging om de traditionele Europese structuren, het fundament van de Europese cultuur, te vernietigen.

Er is geen twijfel in de media dat de "man van vandaag" verwacht wordt een gevoelig watje te zijn die buigt voor de radicale feministische agenda. Hij is een hoofdbestanddeel van Hollywood, sitcoms en films op tv, en de politieke experts van talkshows. De feminisering wordt nu zo opvallend dat kranten en tijdschriften het ook oppikken. Bijvoorbeeld, de Washington Times en het blad National Review vertellen ons samen dat "achter de vage viering van 'mannendingen' in de hedendaagse mannenbladen een vertrouwenscrisis schuilt. Wat betekent het om mannelijk te zijn in de jaren '90?" Het is gebleken dat de huidige mannenbladen (Esquire, GQ, Men's Health, Men's Fitness, Men's Journal, Details, Maxim, Men's Perspective) "allemaal zijn gericht op een nieuwe gefeminiseerde man". Sommige voorbeelden? De oude mannelijke houding ten opzichte van persoonlijke verzorging is aan het verdwijnen. Als ik het me goed herinner bleef wat onze vaders deden aan persoonlijke verzorging meestal beperkt tot zich scheren en het omdoen van een stropdas. Volgens Lowry:

Het is moeilijk voor te stellen [dat zij] geïnteresseerd zouden zijn in artikelen over een platte buik voor op het strand (Verge), of de drie nieuwe mannengeuren voor de herfst (GQ), of zelfs de nieuwe herfstmode (Esquire). Maar ergens zijn mannen steeds minder bezig met het sterk en stil zijn, en meer bezorgd over zichzelf mooi maken.

De feminisering van de Europese cultuur is inderdaad bijna voltooid. En de laatste vesting van mannelijke overheersing, de politie en het leger, ligt ook onder vuur.

Als deze trend van 'vervrouwelijking' alleen werd aangedreven door radicale feministen die een zogenaamd door mannen gedomineerde hiërarchie neer willen halen, zou er meer hoop zijn dat de trends van de geschiedenis Europa zouden leiden richting een stabiele verhouding tussen mannen en vrouwen. Maar de drijfveer ligt dieper en het zal niet tevreden zijn met accommodatie. De radicale feministen hebben de bredere beweging van cultureel marxisme omarmd en zijn er op hun beurt ook door omarmd. Voor toegewijde marxisten is er de strategie om daar aan te vallen waar er een duidelijk verschil veroorzaakt wordt en er een potentiële groep van 'onderdrukte' slachtoffers is - moslims, vrouwen etc. Cultureel marxisten, mannen en vrouwen, maken er het beste van, en de theorie ontwikkeld door de Frankfurter Schule biedt hen een ideologie aan.

De Frankfurter Schule bedacht dat de autoritaire persoonlijkheid een product is van de patriarchale familie. Dit idee is op zijn beurt rechtstreeks verbonden met het boek van [de communist] Engels, The Origins of the Family, Private Property and the State, dat het matriarchaat bevordert. Bovendien was het Karl Marx die in The Communist Manifesto schreef over het radicale idee van een 'gemeenschap van vrouwen'. Hij schreef in zijn boek Die deutsche Ideologie van 1845 ook kwaad over het idee dat de familie de basiseenheid van de samenleving is.

Het concept van de autoritaire persoonlijkheid kan niet alleen worden uitgelegd als een model voor het gedrag van oorlogvoering tegen vooroordelen in het algemeen. Het is een handboek voor psychologische oorlogvoering tegen Europese mannen, om hen onwillig te maken om de traditionele overtuigingen en waarden te verdedigen. Met andere woorden, het doel was om hen te ontmannen. Dit had het Instituut voor Sociaal Onderzoek aan de universiteit van Frankfurt ongetwijfeld precies in gedachten, omdat het gebruik maakte van de term 'psychologische technieken voor het veranderen van persoonlijkheid'.

De 'autoritaire persoonlijkheid', die West-Europese en Amerikaanse aanhangers van de Frankfurter Schule in de jaren '40 en '50 bestudeerden, maakte de weg vrij voor een dergelijke psychologische oorlogvoering tegen de mannelijke rol. Het doel werd voorgedragen door Herbert Marcuse en anderen onder het mom van 'vrouwenemancipatie' en de New Left-beweging in de jaren '60. Psychologische technieken voor het veranderen van de persoonlijkheid zijn bedoeld om in het bijzonder te zorgen voor de ontmanning van de Europese mannen[. Dit bewees] Abraham Maslow, de oprichter van 'derde golf aan humanistische psychologie' en voorstander van psychotherapeutische technieken in openbare scholen. Hij schreef dat "de volgende stap in de persoonlijke ontwikkeling is dat men zowel mannelijkheid als vrouwelijkheid moet ontstijgen en moet toewerken naar algemene menselijkheid".

Cultureel marxistische fanatici weten blijkbaar precies wat ze willen doen en hoe ze van plan zijn om het te doen. Ze zijn er eigenlijk al in geslaagd om een groot deel van hun plannen uit te voeren.

Hoe is deze situatie ontstaan in de Europese universiteiten? Gertrude Himmelfarb heeft geconstateerd dat het bijna ongemerkt langs traditionele academici heen ging totdat het te laat was. Het kwam zo "rustig" dat wanneer ze "opkeken", het postmodernisme opeens hard terugsloeg. "Ze waren omringd door zo'n vloedgolf aan multiculturele onderwerpen als radicaal feminisme, gedeconstrueerd relativisme van de geschiedenis en andere vakken", die allemaal de instandhouding van de Westerse beschaving ondermijnen. Ja, deze vloedgolf kwam net zo als Antonio Gramsci en de Frankfurter Schule hadden voorgesteld - een stille revolutie gedreven door een Europese ideologie van haat die erop gericht is om de Westerse beschaving te vernietigen[. En die revolutie was] tegen God, tegen christendom, tegen familie, tegen nationalisme, tegen patriottisme, tegen conservatieven, tegen erfelijkheid, tegen etnocentrisme, tegen mannelijkheid, tegen traditie, en tegen moraal.

'Cultureel marxisme', zoals werd verspreid door de Frankfurter Schule, was de drijvende kracht achter de zeer populaire en destructieve concepten van 'voorkeursbehandeling', 'multiculturalisme' en 'diversiteit'. Men kan tegenwoordig niet meer ontsnappen aan deze termen. Deze concepten hebben de defensieve structuur van de Europese samenleving vernietigd en zo de basis gelegd voor de islamisering van Europa.


Conclusies

Kritische Theorie, gebruikt als een toegepaste massapsychologie, heeft geleid tot de deconstructie van geslacht in de Europese cultuur. Na de Kritische Theorie zal het verschil tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid verdwijnen. De traditionele rollen van de moeders en vaders moeten worden afgebroken, zodat het patriarchaat wordt beëindigd. Kinderen worden niet meer opgevoed naar hun biologische geslacht en rolpatronen volgens hun biologische verschillen. Dit weerspiegelt de plannen van de Frankfurter Schule voor het uiteenvallen van het traditionele gezin.

Zo is een van de basisprincipes van de Kritische Theorie de noodzaak om het traditionele gezin af te breken. De Frankfurter Schule geleerden verkondigden als volgt:

Zelfs een gedeeltelijke afbraak van het ouderlijk gezag in het gezin zou een komende generatie meer bereid maken om sociale verandering te accepteren.

De transformatie van de Europese cultuur, wat de cultureel marxisten voor ogen hadden, gaat verder dan het nastreven van gelijkheid van de seksen. Inbegrepen in hun plannen is de 'matriarchale theorie', waardoor zij de Europese cultuur willen transformeren naar een door vrouwen gedomineerde cultuur. Dit is een directe terugkeer naar Wilhelm Reich, een lid van de Frankfurter Schule die matriarchale theorie beschreef in psychoanalytische termen. In 1933 schreef hij in The Mass Psychology of Fascism dat het matriarchaat het enige echte type familie van de 'natuurlijke samenleving' was.

Richard Bernstein heeft in zijn boek over multiculturalisme geschreven dat "het marxistische revolutionaire proces in Europa en Amerika zich de afgelopen tientallen jaren heeft gericht op de strijd tussen rassen en geslachten in plaats van tussen klassen", zoals het voorheen deed. Dit weerspiegelt dat er een plan is om de samenleving totaal te herstructureren, niet alleen qua economie. Zoals de sociale revolutionairen graag vertellen, is hun doel de vernietiging van de heerschappij van de blanke mannen. Om dit te bereiken moeten zij met behulp van allerlei beschikbare middelen ervoor zorgen dat zij onbelemmerd meer vrouwen en minderheden in de algehele 'machtsstructuur' kunnen brengen. De massa-media en de universiteiten doen dit door wetten en rechtszaken, intimidatie, en door de blanke mannen als racisten en seksisten te demoniseren. De psycho-dynamiek van het revolutionaire proces streeft naar psychische machteloosheid - onthoofding - van degenen die zich ertegen verzetten.

De stichters van de VS erkenden drie oorspronkelijke waarden in de Onafhankelijkheidsverklaring, en ze zetten ze in de juiste volgorde van belang: leven, vrijheid en het nastreven van geluk.

Als de volgorde van deze fundamentele rechten van de mens wordt omgedraaid - met geluk [als belangrijker dan] vrijheid of de vrijheid voor het leven - komen we tot morele chaos en sociale anarchie.

Precies deze toestand is wat Rechter Robert Bork omschrijft als 'modern liberalisme'. Hij omschrijft diens eigenschappen als 'radicaal egalitarisme' (iedereen is gelijk ongeacht hun mogelijkheden) en 'radicaal individualisme' (de drastische vermindering van de enige grenzen aan van persoonlijke bevrediging).

Rechter Bork identificeert radicaal feminisme ook als "het meest destructieve en fanatieke" element van dit moderne liberalisme. Hij beschrijft radicaal feminisme verder als "in essentie totalitair".

European Deconstruction

De meeste West-Europeanen en Amerikanen realiseren zich niet dat zij, door middel van hun instellingen, worden geleid door sociale revolutionairen die dromen van de voortdurende vernietiging van de bestaande maatschappelijke orde om een nieuwe aan te maken. De revolutionairen zijn New Age Elite Boomers. Ze hebben nu de controle over de openbare instellingen in West-Europa en de Verenigde Staten. Hun 'stille' revolutie, die begon met de revolutionaire tegencultuur van hun jeugd, is al bijna voltooid. Feminisme is hierin een belangrijk of zelfs een dominant bestanddeel, omdat het blijkbaar de grootste politieke en sociale groep kiezers onder hun potentiële volgelingen vertegenwoordigt. De marxistische beweging vaagt in zijn 'stille' culturele fase van de laatste jaren schijnbaar alles voor zich weg. Met zijn macht over de media, die volledig in de greep van het feminisme is, is het moeilijk om enig spoor te vinden van een tegencultuur. De huidige cultureel marxistische/multiculturele elites, de nieuwe totalitaire regimes, zijn de meest gevaarlijke generatie in de Westerse geschiedenis. Niet alleen zijn zij erin geslaagd de fundamentele structuren van de Europese samenleving te vernietigen. Ze nodigen miljoenen moslims uit om Europa te koloniseren. In slechts vijftig jaar is de moslimbevolking gegroeid van enkele duizenden tot meer dan 25 miljoen.

Wie zal er weerstand bieden tegen de Politieke Correctheid? Het lot van de Europese beschaving is afhankelijk van Europese mannen die standvastig politiek correct feminisme weerstaan. Sterker nog, zij moeten zich kundig verzetten tegen de bredere greep van Politieke Correctheid, het cultureel marxisme waarvan radicaal feminisme slechts één front is.



Verdere werken over de Frankfurter Schule

Dit is het zesde en laatste hoofdstuk in het boek van de Free Congress Foundation over Politieke Correctheid, of - om het maar bij zijn echte naam te noemen - cultureel marxisme. Het is een kort bibliografisch essay en niet bedoeld als een uitputtende bron voor wetenschappers, maar als een gids voor geïnteresseerde burgers die meer willen weten over de ideologie die West-Europa en Amerika overneemt.

Om Politieke Correctheid of zogenoemd cultureel marxisme en de dreiging die ervan uitgaat te begrijpen, is het noodzakelijk om zijn geschiedenis te begrijpen, in het bijzonder de geschiedenis van de instelling die het meest verantwoordelijk is voor diens oprichting: de Frankfurter Schule. De Frankfurter Schule, ofwel, zoals het officieel bekend was, het Instituut voor Sociaal Onderzoek, werd opgericht in 1923 op de universiteit van Frankfurt in Duitsland. Dit feit alleen al is belangrijk, want het vertelt ons dat Politieke Correctheid niet alleen maar een overblijfsel is van de Europees studentenopstanden van de jaren '60 en '70.

Een ander feit van dat al lang verstreken jaar, 1923, is net zo belangrijk: de beoogde naam voor de Frankfurter Schule was het Instituut voor Marxisme. De oprichter en financier van het Instituut, Felix Weil, schreef in 1971 dat hij "wilde dat het Instituut bekend zou worden, en misschien beroemd, vanwege zijn bijdragen aan het marxisme als een wetenschappelijke discipline...". Weil en anderen begonnen een traditie van Politieke Correctheid die nog steeds doorgaat[. Zij] besloten dat ze beter te werk konden gaan als ze hun marxisme verborgen, en vandaar dat ze bij nader inzien kozen voor de neutraal klinkende naam Instituut voor Sociaal Onderzoek. Maar "Weil wenste nog steeds oprecht om een stichting te creëren die vergelijkbaar was met het Marx-Engels Instituut in Moskou - uitgerust met een staf van professoren en studenten, met bibliotheken en archieven. En om het op een dag te presenteren aan een Duitse Sovjetrepubliek". In 1933 verliet dit verkapte 'Instituut voor Marxisme' Duitsland en richtte zich weer op in New York City, waar het destijds zijn aandacht verlegde naar zijn ideologie injecteren in de West-Europese en Amerikaanse samenleving.

De meest leesbare Engelstalige geschiedenis van de Frankfurter Schule is Martin Jay's boek The Dialectical Imagination: A History of the Frankfurt School and the Institute for Social Research, 1932 - 1950 (University of California Press, Berkeley, CA, 1973 - nieuwe editie in 1996). Dit boek is verschenen als paperback en is te bestellen via elke boekhandel. De lezer dient zich ervan bewust te zijn dat Jay's boek, volgens een ander werk over de Frankfurter Schule, een 'semi-officiële' geschiedenis is, dat wil zeggen dat het grotendeels zonder kritiek is. Net als vrijwel alle andere Engelstalige auteurs op het Instituut is Jay politiek links. Desondanks biedt het boek een degelijke feitelijke introductie van de Frankfurter Schule, en de lezer zal waarschijnlijk weinig moeite hebben om de wortels en oorsprong van het hedendaagse Politieke Correctheid erin te onderscheiden.

In zijn eerste hoofdstuk, "The Creation of the Institut für Sozialforschung and Its First Frankfurt Years" legt Jay de marxistische oorsprong van het Instituut uit en diens aard, en ook diens inspanningen om beiden te verbergen: "Het oorspronkelijke idee om het het Instituut voor Marxisme (Institut für Marxismus) te noemen werd als te provocerend beschouwd, en een meer Aesopische alternatief werd gezocht (niet voor de laatste keer in de geschiedenis van de Frankfurter Schule)". Jay schrijft over de eerste directeur van het Instituut, Carl Grünberg: "Grünberg sloot zijn openingsrede af met een duidelijke vermelding van zijn persoonlijke trouw aan het marxisme als wetenschappelijke methodologie. Net zoals liberalisme, het staatssocialisme, en de historische school ergens een instituut hadden, zo zou het marxisme het heersende principe van dit Instituut zijn". Jay's eerste hoofdstuk geeft ook een inleiding over de cruciale ontwikkeling van het Instituut die de basis vormt voor de huidige Politieke Correctheid, oftewel cultureel marxisme: "het kan worden gezegd dat het Instituut zich in de vroege jaren van zijn geschiedenis vooral bezighield met een analyse van de sociaaleconomische substructuur van de burgerlijke maatschappij, maar in de jaren na 1930 lag hun interesse voornamelijk bij de culturele superstructuur".

In het tweede hoofdstuk, "The Genius of Critical Theory", duikt men in de kern van de afdelingen 'Critical Studies' die nu op universiteiten dienen als de uitwassen van de Politieke Correctheid. Al deze zijn takken en afstammelingen van de Kritische Theorie die de Frankfurter Schule voor het eerst ontwikkelde in de jaren '30. De term 'Kritische Theorie' is zelf iets van een woordspeling. Men is geneigd om te vragen, "Oké, wat is de theorie?" Het antwoord is: "De theorie is bekritiseren". Jay schrijft: "Kritische Theorie, zoals de naam al impliceert, werd uitgedrukt door middel van een reeks kritiek op andere denkers en filosofische tradities ... Het kan alleen geheel worden begrepen door het te confronteren op zijn eigen gebied, als een samenraapsel van andere systemen". Het doel van de Kritische Theorie was niet de waarheid zoeken, maar de praktijk, of revolutionaire actie: van de huidige samenleving en cultuur naar beneden halen door ongenadige, destructieve kritiek. Volgens Jay: "Het ware doel van het marxisme, zoals Horkheimer betoogt (Max Horkheimer volgde Carl Grünberg op als directeur van het Instituut in juli 1930), was niet het openbaren van onveranderlijke waarheden, maar het bevorderen van sociale verandering".

De centrale vraag waar het instituut in de vroege jaren '30 mee zat was hoe het marxisme toegepast kon worden op cultuur. De titel van Jay's derde hoofdstuk geeft het antwoord: "The Integration of Psychoanalysis". Hier laat Jay's boek het tot op zekere hoogte afweten, omdat het geen duidelijk begrip geeft van hoe het Instituut Marx en Freud integreerde. Het antwoord lijkt te zijn dat Freuds latere werken werden gezien als afhankelijk van een kapitalistische, burgerlijke orde: een revolutionaire, niet langer kapitalistische maatschappij zou de mens kunnen 'bevrijden' van zijn freudiaanse onderdrukking. Ook hier ziet men de belangrijkste aspecten van de Politieke Correctheid in opkomst, met inbegrip van een eis voor seksuele 'bevrijding' en de aanval op de 'patriarchale' Westerse cultuur.

Jay liet zo de precieze aard van de inmenging van Marx en Freud open, maar maakt in zijn volgende hoofdstuk de toepassing van dit mengsel duidelijk: "The Institute's First Studies of Authority". Het Instituut verliet Duitsland in 1933 en verhuisde naar New York, omdat de nazi's aan de macht kwamen in Duitsland. Het was dan ook niet verrassend dat een van de eerste taken van het Instituut in New York was om zich tegen nazisme te verzetten. Het deed dit grotendeels door een psychologische 'test' op te zetten voor een 'autoritaire persoonlijkheid'. Mensen met deze autoritaire persoonlijkheid zouden dan waarschijnlijk het nazisme steunen. Zowel het idee en de methodologie hiervoor waren op zijn best twijfelachtig. Maar het werk van het Instituut was een belangrijk instrument voor links, namelijk een idee dat iedere rechtse psychologisch onevenwichtig was. En het betekende een belangrijk keerpunt voor het Instituut in de geboorte van de Politieke Correctheid in West-Europa en Amerika, in de zin dat het empirisch onderzoek dat de studies vereisten werd gedaan op West-Europeanen en Amerikanen. Uiteindelijk was het resultaat een enorm invloedrijk boek van het Instituuts lid Theodor Adorno: The Authoritarian Personality, gepubliceerd in 1950.

Jay's vijfde hoofdstuk, "The Institute's Analysis of Nazism", gaat weer over het thema van de 'autoritaire persoonlijkheid'. Maar het zesde, "Aesthetic Theory and the Critique of Mass Culture" biedt een antwoord op de vraag waarom de meeste 'serieuze' moderne kunst en muziek zo verschrikkelijk is. Zo is die ook bedoeld. Theodor Adorno werd de leidende figuur van het Instituut qua hoge cultuur - hij begon zijn leven als een muziekcriticus en promotor van Schönberg - en zijn mening was dat kunst, onder de 'onderdruktheid' van de burgerlijke maatschappij, alleen 'echt' kan zijn als het vervreemdend is als gevolg van de vervreemde maatschappij eromheen. Jay citeert Adorno: "Een werk is niet succesvol als het neutrale tegenstellingen tot een valse harmonie maakt, maar als het het idee van harmonie negatief uitdrukt door zelf tegenstrijdig te zijn, puur en compromisloos in zijn diepste structuur".

Adorno verachtte de nieuwe massacultuur - film, radio, en jazz - in wat [achteraf] een gemiste kans lijkt te zijn: tegenwoordig is de entertainment-industrie de meest krachtige promotor van Politieke Correctheid. Een andere belangrijke figuur uit de Frankfurter Schule, Walter Benjamin, zag het potentieel: "hij hield paradoxaal genoeg hoop voor de vooruitstrevende kracht van politiek getinte massa-kunst". Op een gegeven moment kon iemand - de vraag wie ligt buiten de grenzen van het boek van Jay - de opmerkingen van Benjamin verbinden met de algemene opvatting van de Frankfurter Schule[. Jay] vat dit samen als "het Instituut begon te voelen dat de cultuurindustrie mensen op veel subtielere en effectieve manieren tot slaaf kon maken dan de ruwe methoden van overheersing beoefend in eerdere tijdperken".

In de rest van het boek volgt Jay het (soort van) empirische werk van het Instituut in de jaren '40, dat werd geplaagd door de dezelfde problemen als hun eerdere 'onderzoek' per enquête, en beschrijft [Jay] het Instituut in zijn terugkeer naar Frankfurt, Duitsland, na de Tweede Wereldoorlog. Maar inmiddels zal de lezer al wel een beeld gevormd hebben. Hij zal hebben gezien hoe het marxisme werd omgezet van economische naar culturele termen; hebben onderscheiden hoe de thema's van de seksuele bevrijding, feminisme, 'slachtoffers' en ga zo maar tegenwoordig vallen onder Politieke Correctheid; [hij zal] in de Kritische Theorie de oorsprong hebben gevonden van het eindeloze gejammer over 'racisme, seksisme en homofobie', waarover PC blijft emmeren. Één belangrijk stukje geschiedenis ontbreekt nog: "een analyse van Marcuse's invloedrijke verspreiding van het werk van de Frankfurter Schule naar een nieuw West-Europees en Amerikaans publiek in de jaren '60", zoals Jay het stelt in zijn epiloog. Ook Jay bespreekt vreemd genoeg met alleen de meest minimale discussie hoe de effectieve verhuizing van het Instituut naar Los Angeles tijdens de oorlog [in zijn werk ging], via de personen Horkheimer en Adorno. Spelen de contacten die ze daar opdeden een rol in het injecteren van de Frankfurter Schule-filosofie in West-Europese en Amerikaanse films en, na de oorlog, televisie? Jay gaat niet in op dit onderwerp.

Maar voor de lezer die nog maar pas heeft gehoord van de Frankfurter Schule als de bron van de huidige Politieke Correctheid, biedt Jay's The Dialectical Imagination een goede basis. Het boek eindigt met een uitgebreide (maar niet geannoteerde) bibliografie van werken van en over de Frankfurter Schule.

Wat betreft de andere toegankelijke werken over de Frankfurter Schule, is het toonaangevende moderne werk in het Duits onlangs vertaald naar het Engels: The Frankfurt School: Its History, Theories and Political Significance van Rolf Wiggershaus (vertaald door Michael Robertson, The MIT Press, Cambridge, MA, eerste paperback-editie uit 1995). Dit boek heeft veel gemeenschappelijk met Martin Jay's boek, aangezien het ook het Instituut volgt van zijn naoorlogse terugkeer naar Duitsland tot de dood van Adorno in 1969. Wiggershaus schrijft meer gedetailleerd dan Jay, en hoewel ook hij politiek links is, is hij kritischer dan Jay. In het nawoord van het boek geeft Wiggershaus een korte blik (en een vijandige) op enkele Duitse conservatieve kritieken op de Frankfurter Schule. Er komt een beeld op dat vertrouwd zal lijken voor de West-Europeanen en Amerikanen gevangen in de greep van de Politieke Correctheid:

Sinds de publicatie in 1970 van zijn boek The Poverty of Critical Theory, heeft Rohrmoser, in steeds wisselende vormen, de mening afgekondigd dat Marcuse, Adorno, en Horkheimer de intellectuele pleegouders waren van die terroristen, die de Culturele Revolutie gebruikten om de tradities van het christelijke Westen te vernietigen. Academici zoals Ernst Topitsch en Kurt Sontheimer, die zichzelf zagen als opvoeders en liberaal-democraten, volgde in de voetsporen van Rohrmoser. In 1972 had Topitsch, een kritische rationalist die hoogleraar filosofie was in Graz, gezegd dat er achter de slogans van 'rationele discussie' en 'dialoog vrij van overheersing' iets opgericht werd aan de universiteiten, "een duidelijk terrorisme van politieke overtuigingen, zoals er nooit bestond vóór of zelfs tijdens de nazi-tirannie".

Aanvullende werken over de Frankfurter Schule

Naast deze secundaire werken is er nog de omvangrijke literatuur geschreven door de leden van de Frankfurter Schule zelf. Enkele belangrijke werken werden geschreven in het Engels, en veel van die in het Duits geschreven werken zijn verkrijgbaar in vertaling. Zoals meestal het geval is met marxistische werken wordt hun proza-stijl en taalgebruik vaak zo ingewikkeld dat ze bijna niet te lezen zijn. Verder heeft de weigering van de Frankfurter Schule om zijn eigen toekomstvisie duidelijk te maken ertoe geleid dat veel van haar leden gingen schrijven in aforismen [korte slogans/tegeltjeswijsheid], wat het nog extra ondoorgrondelijk maakt.

Één werk is echter zo belangrijk dat het moet worden aanbevolen, ondanks dat het moeilijk te lezen is: Eros and Civilisation van Herbert Marcuse (Beacon Press, Boston, eerste paperback uitgave in 1974 en nog steeds in druk). De ondertitel is A Philosophical Inquiry into Freud en dit boek is een centraal stuk om twee redenen. In de eerste plaats maakt het de integratie van Marx en Freud af. Hoewel het marxisme niet hardop wordt genoemd, is de hele invalshoek van het boek in feite marxistisch, en het is door deze invalshoek dat Freud wordt beschouwd. Ten tweede, Eros and Civilisation en diens schrijver waren de belangrijkste doorgeefluiken voor het intellectuele werk van de Frankfurter Schule, dat werd geïnjecteerd in de studentenopstand van de jaren '60. Dit boek werd de bijbel van de jonge radicalen die het vanaf 1965 en verder overnamen in de West-Europese en Amerikaanse universiteiten, en die er nog steeds als docenten werken.

Kortom, Eros and Civilisation dringt aan op een totale opstand tegen de traditionele Westerse cultuur - de 'Grote Weigering' - en belooft aan die mensen bij de revolutie een luilekkerlandse utopie van vrije seks en niet hoeven werken. Op ongeveer twee derde van het boek biedt Marcuse deze samenvatting van de argumenten:

Onze definitie van het specifieke historische karakter van het principe van de gevestigde werkelijkheid leidde ons tot een nieuw onderzoek van datgene wat Freud als universeel geldig beschouwde. We trokken deze geldigheid in twijfel vanwege de historische mogelijkheid om onderdrukkende controle, die opgelegd is door de beschaving, af te schaffen. Juist de prestaties van deze beschaving leek het prestatie-principe overbodig te maken, leek het gebruik van de onderdrukte instincten overbodig te maken. Maar het idee van een [seksueel] niet onderdrukkende beschaving waarin resultaten worden gekeurd volgens het prestatie-principe kwam in aanraking met de stelling dat bevrijding van instincten (en dus totale bevrijding) de beschaving zelf zou doen exploderen[. Dit] omdat beschavingen alleen worden ondersteund door [een of andere vorm van seksuele] onthouding en werk (arbeid) - met andere woorden, door het gebruik van onderdrukte instinctieve energie. Als de mens wordt bevrijd van deze beperkingen, zou hij bestaan zonder werk en zonder orde, hij zou terugvallen in de natuur, die cultuur zou vernietigen. Om dit argument te verwerken herinnerden we ons bepaalde archetypen van de verbeelding, die, in tegenstelling tot de culturele helden van de repressieve productiviteit, symbool stonden voor creatieve ontvankelijkheid. Deze archetypen streefden naar de vereniging van mens en natuur, niet door overheersing en uitbuiting, maar door het vrijkomen van reeds aanwezige seksuele driften. Vervolgens hebben we onszelf de taak gesteld van deze symbolen te "verifiëren" - dat wil zeggen, aantonen dat ze waarheidsgetrouw zijn als symbolen van een werkelijkheid die niet hoort bij het prestatie-principe. We dachten dat de representatieve inhoud van de [archetypische] beelden van Orpheus en Narcissus betrekking had op de erotische verzoening (unie) van de mens en de natuur, in de esthetische houding waar orde schoonheid is en werk spelen is. [Oftewel: De Frankfurter Schule gebruikte oude Griekse mythen over genot en plezier, en keek of de inhoud van die mythen ook toegepast kon worden in een echte beschaving. Het antwoord was nee, want een beschaving rust op enige discipline (ook seksueel) en werk]

Marcuse blijft na deze samenvatting uitleggen over de erotische inhoud van het "principe van de werkelijkheid buiten de prestaties om", dat wil zeggen, een nieuwe beschaving waar werk en productiviteit onbelangrijk waren. "De fundamentele ervaring in deze (esthetische) dimensie is sensueel in plaats van conceptueel", oftewel gevoelens zijn belangrijker dan logica: "De discipline van de esthetica stelt de rangorde van de zinnelijkheid als tegen de rangorde van de rationaliteit".

In het Duits worden zinnelijkheid en sensualiteit nog steeds aangeduid met één en dezelfde term: Sinnlichkeit. Het impliceert instinctieve (vooral seksuele) bevrediging. [...] Als het lichaam niet langer constant wordt gebruikt als een arbeidsinstrument, zou het lichaam opnieuw worden geseksualiseerd [...] (die) zich eerst zou manifesteren in een reactivering van alle erogene zones en, vervolgens, in een heropleving van de pre-genitale meervoudige seksualiteit en in een daling van genitale suprematie. Het lichaam in zijn geheel zou een voorwerp van cathexis worden, een ding om van te genieten - een genotsmiddel. Deze verandering in de waarde en de omvang van het libido zou leiden tot het uiteenvallen van de instellingen waarin de interpersoonlijke en privé-relaties georganiseerd zijn, in het bijzonder het monogame en patriarchale gezin.

Dit in een boek dat Marcuse opdroeg aan Sophie Marcuse, die al vijftig jaar zijn vrouw was!

Het is gemakkelijk om te zien hoe deze boodschap - "Als het goed voelt, doe het dan" - gepubliceerd in 1955, steun vond bij de rebelse studenten van de jaren '60. Marcuse begreep wat het grootste deel van de rest van zijn Frankfurter Schule collega's niet begreep: de manier om de Westerse beschaving te vernietigen - de doelstelling die George Lukacs maakte in 1919 - was niet door venijnige theorie, maar door middel van seks, drugs en rock 'n' roll. Marcuse schreef andere werken voor de nieuwe generatie die de New Left voortbrachten - One Dimensional Man (1964), Critique of Pure Tolerance (1965), "An Essay on Liberation" (1969), Counterrevolution and Revolt (1972). Maar Eros and Civilisation is en blijft het belangrijkste werk, dat werk dat de vlam in de pan deed slaan.

Andere centrale werken van de leden van de Frankfurter Schule zijn onder andere:

Deze kleine bibliografie zal genoeg zijn om een geïnteresseerde lezer op weg te helpen; de volledige literatuur over en door de Frankfurter Schule is enorm, zoals te zien is aan de bibliografieën in de boeken van Jay en Wiggershaus. Wat er nog ontbreekt, in ieder geval in het Engels, is een leesbaar boek geschreven voor de beginneling, waarin uitleg wordt gegeven over de Frankfurter Schule en diens werken wat betreft de vorming van Politieke Correctheid. Dit korte essay is in ieder geval een beginnetje om dat gat te vullen.


Bron:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Frankfurter_Schule
http://www.freecongress.org/centers/cc/pcessay.aspx






Boek 1: Wat u moet weten over onze vervalste geschiedenis en andere vormen van cultureel marxistische/multiculturalistische propaganda

Geschiedenis, marxisme en islam - Wat uw overheid, de academische wereld en de media voor u verborgen houden. Revisionisme gebaseerd op verzoeningspolitiek en anti-Europees denken.




"Wie het heden beheerst, beheerst het verleden"

George Orwell



1.1 Historisch revisionisme (negationisme)

Historisch revisionisme is de poging om algemeen aanvaarde ideeën om het verleden te veranderen [1]. Negationisme is de ontkenning van misdaden uit het verleden.

Uit Islam and the West van Bernard Lewis:

We leven in een tijd waarin grote moeite wordt gedaan, en zal blijven worden gedaan, om geschiedkundige documenten te vervalsen en om de geschiedenis tot een middel van propaganda te maken; een tijd waarin overheden, religieuze bewegingen, politieke partijen en allerlei andere soorten groepen druk bezig zijn om de geschiedenis te herschrijven zoals zij willen dat die is geweest, zoals zij willen dat hun volgelingen geloven dat die is geweest. Dit alles is erg gevaarlijk, voor onszelf en voor anderen, hoe we andersheid ook mogen beschrijven - gevaarlijk voor onze algehele mensheid. Want let wel dat zij die niet bereid zijn om hun verleden onder ogen te komen niet in staat zullen zijn om het heden te begrijpen, en niet geschikt zullen zijn om de toekomst tegemoet te zien.

Celebrate Cultural Suicide

Ironisch genoeg komt deze harde kritiek op door de staat opgelegd revisionisme van iemand die de Armeense genocide ontkent en die de wreedheid van het Ottomaanse Rijk drastisch heeft verbloemd. Maar Lewis wordt gezien als een gematigde oriëntalist en wordt vaak bezocht door vele mainstream beleidsmakers waaronder de huidige regering van Bush.

Gegeven de onwetendheid waarmee zij behandeld wordt, is de geschiedenis van de laatste 1400 jaar islamitische jihad tegen niet-moslims onderworpen aan een van de meest radicale vormen van historisch negationisme. Het eerste hoofdstuk van dit boek is daarom opgedragen aan de herinnering aan deze voortdurende jihad. We moeten ernaar streven om dit door de staat opgelegde proces van geschiedenisvervalsing te bestrijden en terug te draaien, door ons voor te bereiden op de tijd waarin de echte geschiedenis van de islam weer verkondigd zal worden. Wanneer onze huidige Europese overheden omvallen (en onze huidige systemen gebaseerd op multiculturalisme zullen instorten), binnen de komende 150 jaar, zal dit ons in staat stellen om de echte geschiedenis van de islam weer te verkondigen en te gebruiken [in onze boeken], waaronder: islamitische geschiedenis, islamitische wetgeving, en de ware beschrijvingen van de jihad, dhimmitude en andere vervalste aspecten van de islam. Het ultieme doel hiervan is om geschiedkundige vergeetachtigheid te voorkomen door de echte ongecensureerde geschiedenis te bewaren.

Sinds de oprichting van de islam in de 7e eeuw en tot aan de dag van vandaag heeft de islamitische jihad meer dan 300 miljoen niet-moslims gedood, en meer dan 500 miljoen mensen gemarteld en tot slaaf gemaakt. Sinds 11 september 2001 hebben er al meer dan 12.000 jihadistische aanvallen plaatsgevonden over de hele wereld, en die hebben elk tot de dood van een of meer niet-moslims geleid [2]. Anders gezegd; er zijn over de hele wereld ongeveer 150 jihadistische aanslagen per maand. Deze trend zal door blijven zetten zolang er niet-moslims beschikbaar zijn als doelwitten en zolang de islam blijft bestaan.

Ik moet toegeven dat ik, toen ik meer dan drie jaar geleden voor het eerst de islamitische geschiedenis en wreedheden begon te bestuderen, ik echt mijn twijfels had over de 'politiek correcte' informatie die beschikbaar is. Ik begon het tipje van de sluier op te lichten en was geschokt over de enorme stapel 'akelige, verzwegen' berichtgeving over de islamitische wreedheid. Er is een veelvoorkomend misverstand over het christendom en de islam. Een hoop mensen geloven vandaag de dag dat het christendom nog steeds zo kwaadaardig is en was als de islam!? Ik kan u verzekeren dat dit absoluut niet waar is. Er zijn tien keer zo veel door de jihad gemotiveerde moorden, martelingen en slavernij als door het christendom gemotiveerde moorden. Maar de politiek correcte Westerse gevestigde orde wil graag dat wij daar anders over denken.

De essentie van multiculturalisme is dat alle culturen en religies 'gelijk' zijn. In deze context zijn onze Westerse regeringen gestart met een grote 'misleidingscampagne' tegen hun eigen volk met als doel het creëren van een vervalst beeld van de islamitische en Europese beschaving, om ervoor te zorgen dat ze gelijk lijken. Volgens hen is dit nodig om multiculturalisme succesvol in te voeren. Islamisten, Arabische nationalisten en marxistische theoretici staan sinds WO2 al aan de voorhoede van het vervalsen van onze geschiedenis. Vooral Edward Said's boek Orientalism, gepubliceerd in 1978, is de drijvende kracht in dit proces.

In het verleden heeft Europa een stereotype beeld van de islam gehad, net als de islam een stereotype beeld van ons heeft - en deze opvattingen zijn grotendeels vijandig. Eeuwenlang is de islam een enorme bedreiging geweest voor wat er losjes christendom zou kunnen worden genoemd. Het vormde elk aspect van de Europese geschiedenis en was rechtstreeks verantwoordelijk voor de koloniale rijken van Europa. Tot rond 1750 waren zij een gevaarlijke en directe concurrent van onze belangen. Rond 1780 was de schrijver Gibbon de eerste om te denken dat het gevaar geweken was. Op lokale schaal duurde de dreiging zelfs nog langer. Barbarijse [Marokkaanse] zeerovers verwoestten tot rond 1830 de kust van Engeland en namen wagonladingen mensen uit kustdorpen mee voor de slavernij, en zelfs in latere jaren gebeurde dat aan de westkust van Ierland en IJsland. En dit was nog wel op het hoogtepunt van het Britse Rijk. Meer dan 1,5 miljoen Europeanen zijn tot slaaf gemaakt sinds de eerste jihadistische invasie van Andalusië, en de meesten van hen werden naar Noord-Afrika gebracht.


Encyclopedia Britannica

Feit: Encyclopedia Britannica werd voor het eerst gepubliceerd in 1768. De medewerkers kwamen vaak uit andere landen en onder hen waren een aantal van de meest gerespecteerde autoriteiten ter wereld in hun vakgebied.

Het door de Westerse staat gesanctioneerde negationisme, of 'politiek gemotiveerd historisch revisionisme' met betrekking tot de islam, begon voor het eerst in de late 19e eeuw in Groot-Brittannië. Het proces was politiek gemotiveerd met het doel om een goede basis voor de Brits-islamitische samenwerking en handel te creëren.

Tijdens de Russisch-Turkse oorlog is Rusland erin geslaagd het islamitische Ottomaanse Rijk te verslaan. In 1878, op het Congres van Berlijn, besloot de Britse overheid onder leiding van Disraeli om een deal te sluiten met de Ottomanen via de belofte om hen militair te beschermen tegen Rusland voor "dertig zilverstukken" wat in dit geval Cyprus betekende. Met het oog op het verbeteren van de Brits-Ottomaanse relaties werd besloten om een brede herziening toe te passen van de Encyclopedia Britannica (10e editie en recenter) en andere bronnen, die tot dan toe de islam, moslims en islamitische praktijken hadden beschreven als "kwaadaardig". Dit was het begin van het officiële Europese proces van geschiedenisvervalsing.

Om dit te begrijpen moeten we Brits-Russische betrekkingen bestuderen.

De grootmacht van de 19e eeuw, Groot-Brittannië, voerde een 'territoriale oorlog' met de andere potentiële grootmacht: Rusland. Waar de belangen van de twee elkaar kruisten was de Balkan (toen onder Turkse bezetting).

Het zou het meest logisch zijn dat Rusland de invloed in het gebied zou hebben. Het merendeel van de ingetogen Balkanlanden (Serviërs, Grieken, Roemenen, en Bulgaren) zijn oosters-orthodox - net als de Russen. Dat schikte de Britse belangen niet. Dus verbond Groot-Brittannië zich met Turkije en werd de uitvinder van de mythe van islamitische tolerantie.

Toen Turken kelen doorsneden, vrouwen verkrachtten en kinderen stalen van christenen in de Balkan - was dat okee voor de Britten - was het een uiting van tolerantie... Zolang de Russen maar geen invloed hadden in de Balkan.


Voorbeelden van vervalsing en geloofsverdedigende retoriek zijn onder andere:


Voorbeelden van systematisch wissen/negeren van belangrijke kwesties

De West-Europese regeringen hebben opgeroepen tot het wissen en negeren van grote delen van onze geschiedenis, waaronder de censuur van schoolprogramma's op de volgende gebieden:


Voorbeelden van anti-Westerse propaganda in onze leerplannen


De hierboven vermelde informatie dient als geheugensteuntje waarom moslimapologeten en het vervalsingsproces van de Europese staat moeten worden bestreden en verslagen.

Helaas voor ons zijn tegenwoordig meer dan 95% van de journalisten, redacteuren en uitgevers pro-Eurabisch (ze steunen Europees multiculturalisme). Hetzelfde geldt voor 85% van de West-Europese politici en meer dan 90% van de EU-parlementariërs.

Ook moeten we niet vergeten dat het de EU is die de drijvende kracht is achter het Europese revisionisme over de islam in Europa [5].

Uit The Eurabia Code[van Fjordman]:

De symposia voor de Euro-Arabische Dialoog die werden gehouden in Venetië (1977) en Hamburg (1983) leidden tot een aantal aanbevelingen die met succes zijn ingevoerd...

4. Samenwerking tussen Europese en Arabische specialisten om aan het geschoolde publiek in Europa een positief beeld te presenteren van de Arabisch-islamitische beschaving en huidige Arabische zaken.

De Euro-Arabische Dialoog (EAD) is een politiek, economisch en cultureel instituut, ontworpen om samenwerking tussen Europeanen en Arabieren te verzekeren. De structuur van de EAD is opgezet op conferenties in Kopenhagen (15 december 1973), en Parijs (31 juli 1974). De voornaamste uitvoerder van 'dialoog' is de Europese Parlementaire Organisatie voor Euro-Arabische Samenwerking, opgericht in 1974. De andere voornaamste organen van de dialoog zijn het MEDEA instituut en het Europees Instituut voor Onderzoek naar de Mediterrane en Euro-Arabische samenwerking, opgezet in 1995 met de steun van de Europese Commissie.

In een interview met Jamie Glazov van Frontpage Magazine legde Ye'or uit hoe

de EAD in binnenlandse politiek een nauwe samenwerking heeft gebracht tussen de Arabische en Europese media: televisie, radio, journalisten, uitgeverijen, academische, culturele centra, schoolboeken, studenten- en jeugdverenigingen, en toerisme. Kerkelijke dialogen waren ook nodig in de ontwikkeling van dit politieke beleid. Eurabië is daarom een erg sterk Euro-Arabisch netwerk van associaties - een veelomvattende samenwerking en partnerschap op het gebied van politiek, economie, demografie en cultuur.

De drijvende kracht achter Eurabië is de Parlementaire Organisatie voor Euro-Arabische Samenwerking, die werd opgericht in Parijs in 1974. Het heeft nu meer dan zeshonderd leden - van alle grote Europese politieke partijen - die actief zijn in hun eigen nationale parlementen, maar ook in het Europees parlement. Frankrijk blijft de belangrijkste hoofdrolspeler van deze vereniging.

Een van de documenten die Bat Ye'or zo vriendelijk was om mij te sturen (die ze noemt in de Franse versie van haar boek over Eurabië maar niet in de Engelse versie) is het document "Gemeenschappelijke Strategie van de Europese Raad - Visie van de Europese Unie voor het Middellandse Zeegebied" van 19 juni 2000.

Het bevat een groot aantal aanbevelingen, zoals:

om te werken aan maatregelen die partnerschap stimuleren, met name door het bevorderen van regelmatig overleg en informatie-uitwisseling met de mediterrane partners, de interconnectie van infrastructuur tussen de mediterrane partners, en tussen hen en de EU, nemen [wij] alle nodige maatregelen om te vergemakkelijken en aan te moedigen wat betreft de betrokkenheid van de civiele samenleving, en de verdere ontwikkeling van de uitwisseling van personen tussen de EU en de mediterrane partners. De ngo's [non-government organisations] zullen worden aangemoedigd om deel te nemen aan samenwerking op bilateraal en regionaal niveau. Bijzondere aandacht zal worden besteed aan de media en de universiteiten [Fjordman's nadruk].

De Gemeenschappelijke Strategie wil "streven naar dialoog tussen culturen en beschavingen, om intolerantie, racisme en vreemdelingenhaat te bestrijden".

Na een congres in Algerije in februari 2006 werd de Verklaring van Algiers voor een Gemeenschappelijke Visie op de Toekomst opgesteld. Het document stelt: "Het is essentieel om een Euro-Mediterrane entiteit te creëren gebaseerd op universele waarden" en "Het is erg belangrijk om al het gemeenschappelijke cultureel erfgoed positief te benadrukken, zelfs als het eerder gemarginaliseerd of vergeten is". [In congresdocument] "Een Gemeenschappelijk Actieplan" is een groot aantal aanbevelingen uitgewerkt over de manier waarop deze nieuwe Euro-Mediterrane entiteit tot stand zou komen. Deze aanbevelingen zijn onder andere:

Deze overeenkomsten, die de Europese geschiedenisboeken volledig herschrijven om ze meer islam-vriendelijk te maken en geleidelijk 'islamofobie' de mond te snoeren als racisme, worden zelfs nu al ingevoerd.

In juni 2005 werd in Rabat, Marokko, een conferentie gehouden over "Bevorderen van Dialoog tussen Culturen en Beschavingen". De conferentie werd gezamenlijk georganiseerd door

Onder de aanbevelingen die werden gedaan door de heer Olaf Gerlach Hansen, directeur-generaal van de DCCD, was: "We zijn geïnteresseerd in nieuwe voorstellen voor de media, cultuur en het onderwijs". Deze voorstellen zijn onder meer: Het werd niet direct gezegd, maar men kan aannemen dat die 'negatieve stereotypen' die zouden worden verwijderd alle verwijzingen zijn naar de al 1300 jaar durende jihad tegen Europa. Deze aanbevelingen zijn goedgekeurd en opgenomen in de Belofte van Rabat.

De ECRI riep de EU-lidstaten op om maatregelen te nemen die feitelijk elk serieus debat over de islam en de invoering van 'positieve discriminatie' illegaal zou maken. Europese landen zouden:




1.2 Algemene kenmerken van Europees Islamitisch Negationisme

"Als een land haar legendes verwerpt, slechts leugens in het verleden ziet; En de mensen hun Leiders bezien als dwazen en leugenaars, is 't een teken van haar verval en kan haar glorie niet blijven bestaan. Takken die hun wortels laten rotten kunnen geen sap voor duurzame vruchten opleveren."

- Rudyard Kipling

Europa heeft een eigen volwaardige stijl van negationisme: een beweging die ontkent wat voor grootschalige en langdurige misdaden tegen de menselijkheid de islam heeft begaan. Deze beweging wordt geleid door islamitische geloofsverdedigers en marxistische academici, en gevolgd door alle politici, journalisten en intellectuelen die zichzelf secularisten noemen. Net als bij het Turkse negationisme over de Armeense genocide wordt het Europese negationisme ten aanzien van het verschrikkelijke strafblad van de islam volledig ondersteund door de gevestigde orde (De EU, de West-Europese regeringen). Het heeft bijna volledige controle over de media en beheerst alle taalgebruik van staats- en regeringsleiders met betrekking tot het gemeenschappelijke probleem (beter gezegd: het probleem islam).

Hun technieken zijn in wezen dezelfde als die van negationisten elders:

1. Regelrechte ontkenning: De grofste vorm van negationisme is uiteraard het simpelweg ontkennen van de feiten. Dit wordt meestal gedaan in de vorm van algemene beweringen, zoals: "De islam is tolerant", "islamitisch Spanje was een rolmodel van multiculturele harmonie", "de anti-joodse haat was onbekend onder moslims tot het zionisme en antisemitisme vanuit Europa samen de islamitische wereld binnenkwamen". Aangezien het zeldzaam is dat er een specifieke misdaad van de islam onder het oog van het publiek wordt gebracht, zijn er weinig gelegenheden om naar voren te stappen en bepaalde misdaden te ontkennen. Uitzonderingen zijn de Armeense genocide, die officieel ontkend wordt in Turkije en de hele islamitische wereld.

De Rushdie-affaire was de gelegenheid voor negationisme op grote schaal. Er is toevallig een eenduidig antwoord op de vraag: "Hoort het bij de islam om degenen die kritiek hebben op de profeet te doden?" Volgens de media en de meeste 'experts' was het antwoord zeker: nee. Volgens de fundamentele tradities van de islam was het: ja. Mohammed en zijn directe opvolgers hebben ook critici gedood, zowel in formele executies als tijdens nachtelijke steekpartijen. Onder de islamitische wet is het voorbeeld van de Profeet een geldige traditie. Bij de meesten is er wel wat geruzie over de procedure: sommige juristen dachten dat Rushdie eerst moet worden ontvoerd naar een islamitisch land en een kans moest krijgen om zijn woorden in te trekken voor een islamitische rechtbank, maar de ayatollahs oordeelden dat geen enkele hoeveelheid berouw Rushdie kon redden. Zelfs de zogenaamde gematigden denken dat hij gedood moet worden als hij bij zijn boek blijft. De islamitische wet straft zowel afvalligheid als het beledigen van de Profeet met de dood: dan is er twee keer geen ontsnapping voor Rushdie. Toch werd door veel deskundigen aan het grote publiek verteld dat het doden van Rushdie onislamitisch is.

Regelrechte ontkenning zal heel goed werken als je macht over de pers en onderwijsmedia voldoende is. Anders bestaat het gevaar dat je wordt ontmaskerd als de negationist die je echt bent. In dat geval zijn een aantal subtielere technieken beschikbaar.

2. Het negeren van de feiten: Dit passieve negationisme is zeker de veiligste en de meest populaire. De media en schrijvers van leerboeken houden het grote corpus van ongewenste informatie gewoon ver van de lezers weg. Dit omvat het grootste deel van de informatie over:

Andere essentiële feiten worden ook genegeerd, zoals de rol van Saoedi-Arabië in het verspreiden van de traditionele islam (de zogenaamde islamitisch theofascisme of, zoals de Eurabiërs het willen noemen, wahabisme). Ze hebben de mensen in Europa niet geïnformeerd dat Saoedi-Arabië de afgelopen twintig jaar meer dan 87 miljard dollar heeft geïnvesteerd in het buitenland voor het propageren van 'ware islam'. Het grootste deel van deze financiering gaat naar de bouw en de onderhoudskosten van duizenden moskeeën, madrassa's [scholen] en islamitische culturele centra over de hele wereld. Deze islamitische instellingen zijn nu te vinden in elk land in het Westen - in heel West-Europa.

3. Het minimaliseren van de feiten: Als het ongemakkelijke feit wordt aangetoond dat een groot aantal islamitische kroniekschrijvers zelf verslag hebben gedaan van een bepaalde slachting van ongelovigen, kan men van tevoren zeggen dat ze dat vast hebben overdreven om het militaire ego van hun heersers te strelen - alsof het geen belangrijk bewijs genoeg is dat islamitische heersers zich gevleid voelden als ze werden beschreven als massamoordenaars van ongelovigen.

Naast het minimaliseren van de absolute omvang van de islamitische misdaden, is er de populaire techniek van relatieve minimalisering: laat de feiten kleiner lijken door ze te vergelijken met andere, zorgvuldig geselecteerde 'feiten'. Zo kan men zeggen dat "alle religies intolerant zijn"; dat klinkt aannemelijk voor velen maar het is overduidelijk fout. In het Romeinse Rijk werden alleen die sekten vervolgd die politieke ambities hadden (joden werden vervolgd toen ze vochten voor onafhankelijkheid, christenen omdat zij het Rijk wilden overnemen en alle andere religies wilden uitbannen, wat feitelijk ook gebeurde), terwijl de anderen genoten van de status van religio licita [vrijheid van geloof]; hetzelfde gold in het Perzische Rijk en vele andere landen en culturen.

Een vaak aangehaald tegengewicht voor het strafblad van de islam is het fanatisme van het christendom. Het is inderdaad bekend dat het christendom zich schuldig heeft gemaakt aan talrijke vernielingen van tempels en vervolgingen. Maar de reden voor dit fanatisme is te vinden in de gemeenschappelijke theologische basis van beide godsdiensten: exclusivistisch profetisch monotheïsme. Die aanklacht tegen het christendom is dan meteen een aanklacht tegen de islam. Bovendien heeft het christendom, ondanks zijn theologisch gemotiveerde neiging tot intolerantie, de ervaring gehad van "leven en laten leven" omdat het in zijn vormende periode slechts een van de vele sekten was in het pluralistische Romeinse Rijk.

De islam heeft nooit deze ervaring gehad, en het christendom heeft af en toe de invloed van de islam nodig gehad om zijn volle vermogen van fanatisme naar buiten te brengen. Het is dus geen toeval dat Karel de Grote, die de Saksen versloeg door overmacht, de kleinzoon was van Karel Martel, die het islamitische leger versloeg in Poitiers; het is geen toeval dat de Teutoonse ridders die onder dwang de Balten bekeerden veteranen van de Kruistochten waren, dat wil zeggen de strijd om Palestina te bevrijden van de islam; noch is het toeval dat de Spaanse Inquisitie ontstond in een land dat eeuwen nodig had om de islamitische onderdrukking af te schudden. Uiteindelijk komt het christendom beetje bij beetje de feiten van zijn eigen geschiedenis onder ogen, al worstelt het nog steeds met de noodzaak om de verantwoordelijkheid voor deze feiten te bekennen.

Een nog meer algemene manier om islamitisch fanatisme te verstoppen tussen relativerende vergelijkingen is om erop te wijzen dat het er per slot van rekening in geen enkele imperialistisch gemotiveerde oorlog zacht aan toe gaat. Dat kan wel wezen, maar we zetten geen sektes op voor de Genghis Khans van deze wereld. Een religie zou eraan moeten bijdragen dat de mens zijn natuurlijke gebreken zoals hebzucht en wreedheid ontstijgt, en zou die niet moeten voorschrijven en verheerlijken.

4. Witwassen: Wanneer men de feiten niet kan verbergen, ontkennen of minimaliseren, kan men nog steeds beweren dat ze bij nadere analyse niet zo slecht zijn als ze lijken. Men kan iets goed noemen wat duidelijk verkeerd is. Dit kan heel ver gaan; Maxime Rodinson verklaarde bijvoorbeeld onbeschaamd in zijn biografie van Mohammed dat Mohammeds uitroeiing van de joden in Medina "ongetwijfeld de beste oplossing was". In tal van populaire inleidingen tot de islam wordt wel het feit erkend dat de islam de doodstraf oplegt voor afvalligen (in moderne terminologie: dat de islam op de meest radicale manier tegen de vrijheid van godsdienst is), maar dan wordt uitgelegd dat "aangezien de islam in oorlog was met de polytheïsten, was afvalligheid gelijk aan verraad en desertie, iets dat nog steeds met de dood gestraft wordt in onze seculiere maatschappij". Oke, maar het punt is juist dat de islam ervoor koos om in oorlog te zijn met de traditionele religie van Arabië, en ook met alle andere religies, en dat het deze staat van oorlog tot een vast onderdeel van het rechtssysteem heeft gemaakt.

5. Opvoeren van niet-representatieve feiten: Een populaire tactiek in negationisme is het vinden van een positieve maar uitzonderlijke gebeurtenis, en die te benadrukken terwijl het grotere geheel uit het zicht van het publiek gehouden wordt. Zo is een document gevonden waarin christenen, van wie hun zoon gedwongen werd ingelijfd in het Ottomaanse leger janitsaren, trots uitten dat hun zoon het tot een hoog ambt had geschopt in dit leger. Het feit dat deze mensen erin slagen om de positieve kant te zien aan de ontvoering, slavernij en gedwongen bekering van hun zoon, wordt dan gebruikt om te bewijzen dat niet-moslims erg blij waren onder islamitische heerschappij, en het verbergt het feit dat de devshirme, de gedwongen bekering en ontvoering van één vijfde van de christelijke kinderen door de Ottomaanse autoriteiten, een constante en formidabele vorm van terreur was waar in honderden hartverscheurende liedjes en verhalen om gehuild werd.

Nog een ander voorbeeld, negationisten vermelden altijd gevallen van samenwerking door niet-moslims (De Duitse steun in de Armeense genocide, enz.) om te suggereren dat deze als gelijkwaardige partner werden behandeld en dat de islamitische heerschappij heel welwillend was, terwijl er in feite in elke geschiedenis van een bezetting, zelfs de meest wrede, sprake is van een samenwerking. Zoals reeds is opgemerkt gebruikten de nazi's joodse bewakers in het getto van Warschau, en [dat zou dan net zo goed] de nazi-onderdrukking van de joden weerleggen.

6. Het ontkennen van het motief: negationisten gaan soms akkoord met de feiten, maar ontkennen dat hun held de verantwoordelijkheid ervoor had. Zo heeft Mohammed Habib geprobeerd om de islam vrij te pleiten door te wijzen op de alternatieve motieven van de islamitische indringers: Turks barbaarsheid, hebzucht, de noodzaak om een einde te maken aan de samenzweringen die broeiden in de tempels. In werkelijkheid kregen die heersers die wegens niet-religieuze redenen een openlijke confrontatie met de ongelovigen wilden vermijden vaak op hun kop van de geestelijken aan het hof, voor het verwaarlozen van hun islamitische plicht. Dezelfde geestelijken werden nooit onnodig ongerust over mogelijk niet-religieuze motieven die een heerser bedacht, zolang hij maar gemotiveerd was om op te treden tegen de ongelovigen. In ieder geval is het nog steeds belangrijk genoeg om te weten dat de islam (in tegenstelling tot bijvoorbeeld het boeddhisme) routinematig kan worden gebruikt om plundering en slavernij te rechtvaardigen.

7. Rookgordijn: Een andere veel voorkomende tactiek bestaat uit het probleem vaag te maken door vraagtekens te zetten bij de termen van het debat: "De islam bestaat niet, want er zijn vele soorten islam, met grote verschillen tussen de landen, enz." Het zou inderdaad moeilijk zijn om iets dat zo slecht gedefinieerd is te bekritiseren. Maar het simpele feit is dat de islam wel bestaat: het is de leer die staat in de Koran, die maatgevend is voor alle moslims, en in de Hadith, maatgevend voor ten minste alle soennitische moslims. Er zijn verschillen tussen de wettelijke scholen wat betreft kleinere details, en natuurlijk zijn er aanzienlijke verschillen in hoe trouw moslims effectief zijn aan de islamitische doctrine, en daarmee samenhangend in hoeverre ze het mengen met niet-islamitische elementen.

8. De schuld geven aan randverschijnselen: Wanneer negationisten geconfronteerd worden met harde feiten over het islamitische fanatisme, leggen ze vaak de schuld bij enkele kleinere stromingen, nu in de volksmond bekend als fundamentalisme of 'wahabisme'. Dit is naar men zegt het product van postkoloniale frustratie, en is eigenlijk vreemd aan echte islam. In werkelijkheid kenden fundamentalisten zoals Maulana Maudoodi en Ayatollah Khomeini de Koran beter dan de zichzelf bedriegende secularisten die hen afschilderen als slechte moslims. Wat fundamentalisme of wahabisme wordt genoemd is in feite de oorspronkelijke islam, zoals wordt bewezen door het feit dat er al sinds lang voor het kolonialisme 'fundamentalisten' bestonden, zoals bijvoorbeeld de 13e-eeuwse theoloog Ibn Taimiya, die nog steeds een voorbeeld is voor de Maudoodis van vandaag, en Turabis, Madanis en Khomeini. Toen Ayatollah Khomeini verklaarde dat het doel van de islam de verovering van alle niet-islamitische landen is, was dit slechts een herformulering van Mohammeds strategie op de lange termijn en van de koranische garantie dat Allah de hele wereld aan de islam had beloofd. In het geval van het communisme kan men de schuld van Marx doorschuiven naar Lenin en Stalin, maar het islamitisch terrorisme is begonnen met Mohammed zelf.

9. Argumenten ad hominem [het op de man spelen]: Als het ontkennen van het bewijs niet mogelijk is, kan men het nog altijd vervormen met behulp van selectief citeren en zeggen dat de oorspronkelijke auteurs van het bronmateriaal zelf [fundamentalistische] motieven hebben toegevoegd, of dat ze citaten hebben gemanipuleerd om die het tegenovergestelde te laten zeggen van het algemene beeld dat de oorspronkelijke auteur heeft gepresenteerd. Richt alle aandacht op een paar echte of verzonnen fouten in een paar geselecteerde stukken, en doe alsof zo de gehele stapel van bewijs onbetrouwbaar is gebleken. Om die zogenaamde onbetrouwbaarheid uit te breiden van één bewijsstuk naar het gehele corpus van bewijs is het noodzakelijk om degenen die het bewijs leveren verdacht te maken: de stelling is dat ze een geheim plan zouden hebben om de geschiedenis te vervalsen, dat dit plan is blootgesteld in het geval van dit ene bewijsstuk, maar dat het niet meer dan logisch is dat zulke gemotiveerde vervalsers ook hebben gerotzooid met de rest van het vermeende bewijsmateriaal.

Als de bespreking van lastige bewijsstukken niet kan worden voorkomen, verdoezelen [negationisten] het door andere kwesties erbij te betrekken, zoals dat elk slachtoffer van misdaden tegen de menselijkheid onvermijdelijk zelf ook menselijke onvolkomenheden heeft (joodse hardheid tegen de Palestijnen, onaanraakbaarheid bij de hindoes); en beschrijven [negationisten] de zoektocht naar de waarheid als een truc om deze onvolkomenheden te rechtvaardigen en verbergen. Als zij met de feiten worden geconfronteerd, leggen zij de schuld bij het slachtoffer. Als mensen hun vervormde versie van de geschiedenis negeren of weerleggen, beschuldigen zij de mensen van vervalsing en politiek misbruik van de geschiedenis. Zij spreken schande van geleerden wiens getuigenis hen niet uitkomt, en noemen politieke of andere motieven om de aandacht af te leiden van de harde bewijzen die de geleerden vertegenwoordigen.

10. Slogans: Tot slot, alle discussie kan worden gesaboteerd met de eenvoudige techniek van leuzen roepen: vooroordelen, mythe, 'racisme / islamofobie'. Zij voeren de strijd niet op het gemeenschappelijke slagveld van argumentatie maar in het kamp van de tegenstander: via zijn gevoel van eigenwaarde, als lid van een beschaafde onderneming die nare zaken zoals vooroordelen en islamofobie verafschuwt. De aanval is immers de beste verdediging.

Na deze opsomming van de vormen van negationisme moeten we kijken naar de oorzaken ervan. De volgende factoren schieten me te binnen:

1. Oriëntalisme en islamologie: Na de middeleeuwse christelijke pamfletten tegen 'Mohammed de bedrieger', waarvan de mediacampagnes eindigden in de late 19e eeuw, is er niet veel gepubliceerd dat de ideologische en feitelijke misdaden van de islam opsomt. Boeken over, bijvoorbeeld, 'de slavernij in islam' zijn uiterst zeldzaam: de ruwe data die een dergelijk werk zou kunnen vullen is alleen te vinden in meer algemene boeken, waarin de islam alleen tussen neus en lippen door wordt genoemd, vaak zonder dat de auteur doorheeft wat de mogelijkheden van die data zijn voor een evaluatie van de islam. Er wordt vaak gezegd (bij het 'weerleggen van vooroordelen') dat mensen de islam altijd associëren met intolerantie, maar het is moeilijk om een boek te vinden dat speciaal gewijd is aan het onderwerp van de islamitische intolerantie. Hoeveel tientallen miljoenen zijn gedood door de islam simpelweg omdat ze niet-moslims waren? Niemand heeft de beschikbare cijfers op een rijtje gezet om een algemene schatting te maken. We kunnen alleen maar zien dat kritisch onderzoek naar de islam niet bepaald wordt aangemoedigd, en dat men steeds meer geneigd is tot zelfcensuur wat betreft kritiek op de islam. Voor een deel is dit een gevolg van een al lang vertraagde reactie tegen de al lang verlaten christelijke benadering van kritische stukken schrijven.

Nu afdelingen Islamitische Studies in Europa in toenemende mate worden bemand door moslims en gesponsord door islamitische stichtingen en staten, is het klimaat voor kritisch onderzoek naar de islam alleen erger geworden. Bij het vergelijken van de eerste (vooroorlogse) editie van de Encyclopaedia of Islam (Leiden, Nederland) met de nieuwe editie, is het opvallend hoe veel kritische opmerkingen zijn gladgestreken. Maar zelfs in het verleden heeft de islam een vrij gunstige behandeling genoten in academische kringen. In 1887, dertig jaar nadat de Amerikanen een oorlog hadden gevoerd om de afschaffing van de slavernij op te leggen aan hun zuidelijke staten, en zo'n zeventig jaar na de afschaffing van slavernij in de koloniën, schreef de prominente Nederlandse islamoloog C. Snouck Hurgronje het volgende over islamitische slavernij: "Voor de meeste slaven was hun ontvoering een zegen. [...] Zij zelf zijn ervan overtuigd dat hun slavernij hen voor de eerste keer mens heeft gemaakt".

De politieke context van de groeifase van islamologie geeft een deel van de verklaring [voor het gebrek aan kritiek op de islam. Tijdens het kolonialisme zochten landen geen strijd met de islam], maar wilden samenwerken met de gevestigde sociale krachten in de gekoloniseerde bevolking. De Britse samenwerking met de Indiase moslims is algemeen bekend; het wordt belichaamd door de oprichting van de Moslim Liga in 1906, die als doel had om "de Indische moslims trouw te maken aan het Britse Rijk". In dezelfde periode werd in het Franse West-Afrika de islam geaccepteerd als een factor van sociale stabiliteit, en General Lyautey streefde een droom na van een gezamenlijke Frans-islamitische cultuur in Algerije. In de jaren '30, bij de laatste Europese poging tot nieuwe kolonisatie, ondersteunden de Italiaanse fascisten actief de verspreiding van de islam in de Hoorn van Afrika. Maar de koloniale machten hadden al sinds 1853 het Kalifaat ondersteund in de strijd tegen een christelijke macht, Rusland, met name in de Krimoorlog (het toppunt van een verkeerde oorlog), en dit alles heeft sterk bijgedragen aan de sfeer van welwillendheid tegenover de islamitische cultuur.

2. Kerkelijk beleid: Het christendom heeft eeuwenlang levendige kritiek geleverd op de islam. Deze kritiek is laatst opgehouden. Erger nog, de kritische werken van geestelijken worden nu ingetrokken of ongepubliceerd gehouden (zoals begin deze eeuw een stuk van Priester Henri Lammens met het argument dat Mohammeds openbaringen een teken van geestesziekte zijn). Een reden hiervoor is dat de Kerk zich bewust is van de overeenkomst tussen de missies van Jezus en Mohammed, zodat kritiek op de fundamenten van de islam averechts kan werken voor het christendom. De tweede reden is de angst dat christenen in de islamitische wereld er de prijs voor zouden moeten betalen, zelfs voor een ideologische aanval op de islam (dat is de reden waarom de kritische geestelijken hun scherpste woorden bewaren voor onschuldig religies zoals het hindoeïsme). Deze angst motiveert ook andere kerkelijke beleiden, zoals het niet erkennen van de staat Israël.

Inmiddels is het gezicht van de kerk veranderd. Een kleine maar belangrijke gebeurtenis als gevolg van het Tweede Vaticaanse Concilie was dat ze uit de Heiligenkalender het feest schrapten van Onze Lieve Vrouwe van de Verlossing van de Slaven, wier feest op 24 september was. In de Middeleeuwen was er een speciale kerkelijke orde en een heel netwerk van fondsenwerving gewijd aan de verlossing ('het terugkopen') van christelijke slaven die in Barbarije [Marokko] werden vastgehouden. Tot in de 19e eeuw hadden kustdorpen in Italië wachttorens om de mensen te waarschuwen als er een schip in zicht was van de mensenjagers, de Barbarijse piraten. De terreur van islamitische slavernij was van de 7de tot de 19de eeuw een vast onderdeel van de christelijke geschiedenis, maar nu wordt er in de kerk hard gewerkt om dit geheugen te wissen.

Vandaag de dag pleiten pastoors het meest gedreven voor de rechten van de islam. Moslims in Europa zijn voor hen een vervanging voor het verdwijnen van hun eigen kerkgangers. Verschillende christelijke instellingen, wiens bestaansreden nu op de proef wordt gesteld, vinden nieuwe erkenning in het feit dat de islam op zijn beurt ook aparte scholen, liefdadigheidsinstellingen en zelfs politieke partijen sticht. De islam is voor hen een 'zusterreligie' en wordt regelmatig geprezen als een 'religie van vrede'.

3. Antikolonialisme: een van de ideologische richtlijnen van antikolonialisme was: "Van de (ex) gekoloniseerde moet niets dan goeds gezegd worden". Daarom is het ongewenst om iets te vermelden over het kolonialisme en massale slavernij beoefend door de moslims.

Voeg aan dit algemene taboe de waarschuwing toe dat kritiek op de islam feitelijk steun betekent aan Israël, dat door Maxime Rodinson beschreven wordt als een "koloniale pioniersstaat". Als men erkent dat de islam altijd de joden heeft onderdrukt, accepteert men dat Israël een noodzakelijk toevluchtsoord was voor de joden die op de vlucht waren voor niet alleen de Europese maar ook de islamitische varianten van anti-Judaïsme. Laten we niet vergeten dat de dekolonisatie [van moslimgebieden] onmiddellijk werd gevolgd door hernieuwde discriminatie van en aanvallen op de joodse en christelijke minderheden, en dat de joden die weg konden vluchten snel zijn gevlucht naar Israël (of Frankrijk, in het geval van Algerije). Het is geen toeval dat deze Sefardische joden meestal aanhangers zijn van de harde lijn activisten in Israël.

4. De vijand van je vijand is een vriend: Veel mensen die zijn opgevoed als christenen, of als nominale hindoes, ontgroeien nooit hun puberende opstand tegen de religie van hun ouders, en dus doen ze automatisch mee met elke rivaal of tegenstander van de godsdienst die ze zijn gaan verachten. Omdat de islam de sterkste bedreiging vormt, vinden ze die erg leuk.

5. Linksheid: In deze eeuw is de islam aangeprezen als een van nature linkse "religie van gelijkheid". Deze leus is ontwikkeld door islamitische apologeten, geloofsverdedigers zoals Mohammed Habib, en ze hebben de leus zelfs aangenomen als een logica achter de feitelijk onlogische bewering dat Mohammed de 'laatste profeet' was: want hij had, als de "profeet van gelijkheid", de ultieme boodschap waar geen verbetering van mogelijk is. Sir Mohammed Iqbal, een van de stichters van Pakistan, heeft beweerd dat "de islam gelijk is aan communisme plus Allah". Daarentegen hebben de Iraanse ayatollahs, en de meeste van de uitgesproken moslims na de Sovjet-islamitische oorlog in Afghanistan, de orthodoxe boodschap herhaald dat het communisme onislamitisch is, niet alleen vanwege diens atheïsme, maar ook vanwege de verwerping van het vrije ondernemerschap; de huidige bewering is dat de islam een "betere vorm van gelijkheid" biedt dan het communisme.

Zelfs terwijl communisten werden afgeslacht in het islamitische Iran, en zelfs terwijl politieke analisten de islamistische bewegingen aanduidden als 'extreemrechts', hebben de meeste linksen nog steeds enige sympathie ontwikkeld voor de islam. Tijdens de Libanese burgeroorlog voerden ze ons nieuwsberichten over 'linkse moslims, rechtse christenen', 'islamitisch progressief, christelijk conservatief'.

Negationisme wordt in Europa het meest dapper beoefend door historici en schrijvers die in de ban van het marxisme zijn. Lenin had de moslims willen gebruiken tegen de Franse en Britse kolonialisten. Moderne linksen met marxistische sympathieën zien de islam als een bondgenoot tegen Israël en de VS.

6. Rechts traditionalisme: Er is soms onder rechtsen ook sympathie voor de islam. Een duidelijk punt van overeenkomst is natuurlijk anti-Judaïsme. Een subtielere basis voor sympathie is de zogenaamde traditionalistische stroming, die werd vertegenwoordigd door de bekeerlingen Rene Guenon en Frithjof Schuon, en die nog steeds volgelingen krijgt: het idealiseert de islam en met name soefisme als iets dat de eeuwenoude filosofieën beschermt tegen de moderniteit. In Rusland zijn sommige slavofiele anti-Westerse groepen nu op zoek naar een bondgenootschap met de islam tegen de dreigende Amerikanisering van hun samenleving. In de VS creëren christelijke fundamentalisten en islamitische organisaties steeds meer gemeenschappelijke platformen om zich uit te spreken tegen de trends van moreel verval (abortus, pornografie, enz.). Sommige van deze verschijnselen van traditionalistische verbintenissen zijn heel respectabel, maar ze bevorderen helaas wel het negationisme van islam.

7. Economische liberalisten: Liberalisten zien islamitische immigratie als een onuitputtelijke bron van goedkope arbeid en proberen om hen zo vaak als ze kunnen te verdedigen. Daarnaast ondersteunen zij het EU-lidmaatschap voor Turkije.

8. Liberale islam: In de islamitische wereld is het niet verstandig om de islam frontaal aan te vallen. Toch voelen mensen in die landen soms de behoefte om islamitische verschijnselen en strijdtochten te bestrijden, zoals de heksenjacht op niet-islamitisch cultureel erfgoed, geweld tegen de niet-moslims, extreme vormen van ongelijkheid tussen man en vrouw. Om een kans te maken moeten deze mensen de islamitische taal gebruiken:

"Mohammed was eigenlijk tegen polygamie" [meerdere vrouwen hebben], "geweld tegen anderen in strijd is met de tolerantie die Mohammed heeft ons geleerd", en "respect voor andere culturen is een onderdeel van de islamitische traditie".

Om hun humanistische punt uit te drukken moeten ze zich formeel identificeren met de islam en over de inhoud ervan liegen.

Veel moslims zijn hun eigen retoriek gaan geloven. Als u hen erop wijst dat de Koran intolerantie en oorlog tegen de ongelovigen preekt, in de meest expliciete bewoordingen, zullen velen van hen oprecht protesteren, en niet weten wat u bedoelt wanneer u hen de desbetreffende koranverzen aanwijst. Er is geen reden om te betwijfelen dat de Marokkaanse schrijfster Fatima Mernissi oprecht gelooft in haar eigen argument dat de Korans instructies over hoe u uw polygaam huishouden moet organiseren eigenlijk moeten worden gelezen als een afschaffing van polygamie (maar dan wel in bedekte termen omdat Allah, dezelfde Almachtige Allah die recht tegen de heersende gewoonten van afgoderij en pluralisme inging, moest oppassen om de tijdgeest niet te beledigen). Veel slechts formele moslims zijn de islamitische waarden ontgroeid en ontwikkelden een band met moderne waarden, maar hun sentimentele gehechtheid aan de religie die met de paplepel ingegoten is voorkomt dat ze ook formeel breken met de islam en maakt dat ze er een rooskleurig beeld van schetsen.

Onder islamitische woordvoerders zijn het zeker niet de fundamentalisten die het actiefst voorstanders van negationisme zijn. Het zijn liberalen zoals Asghar Ali Engineer die ontkennen dat de islam een oorlog tegen de ongelovigen voorschrijft. Zij zijn het die door de Europeanen geprezen worden als goede 'seculiere' moslims. Een islam die seculier probeert te zijn kan niet blijven bestaan, en is daarom oneerlijk en ontrouw aan zichzelf. Helaas is een tolerante islam een tegenstelling, en de 'schepping' van een tolerant verleden voor de islam, om de positie van liberale moslims te kalmeren, is een leugen.

9. Moslims die verschillen van de islam: Veel mensen hebben een islamitische buurman die een aardige man is, en uit deze ervaring concluderen ze dat de islam niet zo slecht kan zijn gezien onze vriend Mustapha. Dit empirische feit geeft hen een enorme weerstand tegen alle informatie over islamitische intolerantie. Mensen beperken de wereld meestal tot hun eigen sfeer van ervaringen, en de algemene historische feiten van het islamitische fanatisme mogen de persoonlijke ervaring van een goede buurman niet verstoren.

Veel slechts formele moslims hebben wat vage algemeenheden over moraal behouden uit de Koran, en laten zich normaal leiden door hun eigen geweten en gevoel zonder ooit de doctrinair voorgeschreven vijandigheid ten opzichte van niet-moslims te ontwikkelen. Deze goede mensen, maar slechte moslims, kunnen de islamitische doctrine wel negeren maar niet veranderen. Ze kunnen niet voorkomen dat de koranische boodschap van haat ten minste een paar van de meer vatbare broeders kan infecteren, en misschien zelfs hun kinderen of kleinkinderen in de toekomst.

Er zijn zeker situaties waarin weldenkende moslims hun meer losbandige broeders hebben gekalmeerd, en deze personen maken echt het verschil. We mogen niet de islamitische fout maken om mensen te beoordelen naar of ze wel of geen lid zijn van de islamitische gemeenschap, in plaats van naar hun menselijke kwaliteiten. Maar het blijft wel zo dat er zo'n doctrine van onverdraagzaamheid aanwezig is, als officiële en identiteitsbepalende ideologie van een gemeenschap, en die een constante druk uitoefent die naar separatisme en confrontatie neigt. We mogen de kalmerende aanwezigheid van de humanistische factor zelfs binnen de moslimgemeenschap niet gebruiken om de onheilspellende aanwezigheid van islamitische factoren te ontkennen.

"Degenen die de geschiedenis ontkennen zijn gedoemd om die te herhalen": Terwijl het nazisme gewoon te gebrandmerkt is om een tweede kans krijgen, is de islam zeker in staat om ongelovigen te dwingen tot dhimmitude (zoals in verschillende mate gebeurt in tientallen islamitische landen), en zelfs om nieuwe jihads voeren, dit keer met massavernietigingswapens. Degenen die proberen om mensen de ogen te sluiten voor dit gevaar, door het verstoren of verhullen van de historische documentatie over de islam, zijn effectief medeplichtig aan het onrecht en de vernietiging die de islam zeker zal veroorzaken voor het ineenstort. Daarom beschouw ik het als een plicht van alle intellectuelen om het fenomeen van negationisme te ontmaskeren en aan de kaak te stellen wanneer het wordt beoefend.

Een ander voorbeeld van vervalste geschiedenis:

HM Elliot en John Dowson's The History of India as Told by Its Own Historians, (Londen, 1867-1877), beschreef de islamitische tirannie en barbarij in groot detail.

100 jaar later had een aantal Westerse landen reeds verschillende hervormingen van historische vervalsing doorgevoerd.

Stanley Lane-Poole's Medieval India under Mohammedan Rule, 712-1764, (GP Putnam's Sons. New York, 1970), was erg moslimvriendelijk. Het beschrijft de invasies als een bijna rustig en vriendelijk gebaar...

De motieven voor deze rooftochten moeten in context worden gezien. Groot-Brittannië, de Verenigde Staten, Frankrijk en Duitsland waren nu pro Arabisch/pro-islamitisch in de koude oorlogssfeer waar je India/Rusland/China op de as van 'kwaad' zag. Het was de Westerse historici na 1900 daarom niet toegestaan om iets negatiefs te schrijven over hun nieuwe islamitische bondgenoten. De meeste van de Westerse bronnen na het jaar 1900 zijn dus vervalst. Het bronmateriaal is in feite een compilatie van vervalste sprookjes met als enige doel om een strategische bondgenoot te plezieren die een voordeel bleek te zijn in de oorlog tegen de Sovjets. Het is een bekend feit dat de Britse (Westerse historici) voor 1900 een totaal andere blik hadden dan de historici na 1900 hadden.


Bronnen:
1. https://en.wikipedia.org/wiki/Negationism
2. http://www.thereligionofpeace.com/
3. https://en.wikipedia.org/wiki/Russo-Turkish_War_ (1877%E2%80%931878)
4. https://en.wikipedia.org/wiki/Congress_of_berlin
5. Zie "De Eurabië Code"
6. Alex Alexiev. "Terrorisme: Growing Wahhabi Influence in de United States". Getuigenis voor de Amerikaanse Senaatscommissie voor de Rechtspraak, Subcommissie Terrorisme, Technologie en Binnenlandse Veiligheid. 26 juni 2003.




1.3 Het Falen Van de Westerse Universiteiten

Door Fjordman

Brontekst: http://www.brusselsjournal.com/node/1282

Kari Vogt, docent religieuze geschiedenis aan de Universiteit van Oslo, heeft gezegd dat Ibn Warraq's boek Why I am Not a Muslim net zo relevant voor de studie van de islam is als De Protocollen van de Wijzen van Zion zijn voor de studie van het jodendom. Ze wordt algemeen beschouwd als een van de toonaangevende experts over de islam in Noorwegen, en wordt vaak genoemd in de nationale media over zaken met betrekking tot de islam en de islamitische immigratie. Mensen die het grootste deel van hun informatie halen uit de mainstream media, wat geldt voor de meerderheid van de bevolking, zullen dus systematisch vertekende informatie en halve waarheden over de islam ingegoten krijgen door onze universiteiten, die grotendeels falen om het ideaal van vrij onderzoek hoog te houden. Helaas is deze situatie redelijk hetzelfde op universiteiten [1] en hogescholen [2] in heel het Westen [3].

De School van Oosterse en Afrikaanse Studies (SOAS) in Londen, een plek met een groeiend aantal antisemitische incidenten van een steeds meer pro-islamitische campus, bedreigde een van zijn joodse studenten zodat hij zijn protesten tegen antisemitisme aan de universiteit zou staken [4]. Gavin Gross, een Amerikaan, leidde een campagne tegen de verslechtering van de omstandigheden voor joodse studenten op het SOAS, dat deel uitmaakt van de Universiteit van Londen. SOAS had een escalatie van anti-joodse activiteiten meegemaakt, die ernstiger werden en vaker voorkwamen. Aan het begin van het jaar had de Islamic Society bijvoorbeeld een video vertoond die het jodendom vergeleek met Satanisme.

Ondertussen doneerde Saoedi-Arabië, met een gebaar "ter bevordering van begrip tussen de islam en het Westen", ongeveer 13 miljoen riyal [2,5 miljoen euro] aan een toonaangevend Brits museum [5]. De ambtenaren zeiden dat het geld van prins Talal was voor een nieuwe Saoedische en islamitische galerij, die zou helpen om de islamitische cultuur en beschaving uit het juiste oogpunt te laten zien. Het zou ook helpen om studiebeurzen te bekostigen voor Saoedische studenten aan de universiteit van Oxford.

De Saoedi's en andere olierijke Arabieren zijn druk bezig met het kopen van invloed over wat Westerlingen te horen krijgen over de islam. Prins Al-Waleed bin Talal bin Abdul Aziz Al-Saud, een lid van de Saoedische koninklijke familie, is een internationale investeerder die momenteel behoort tot de tien rijkste mensen in de wereld. Hij is berucht in de VS omdat hij in oktober 2001 de burgemeester van New York, Rudolph W. Giuliani, een cheque van 10 miljoen dollar heeft aangeboden voor het Twin Towers Fonds. Burgemeester Giuliani wees die cheque af toen hij hoorde dat de prins de Verenigde Staten had opgeroepen om "haar beleid voor het Midden-Oosten te herzien en een meer evenwichtige houding aan te nemen ten opzichte van de Palestijnse belangen".

Prins Talal is ook bezig met het opzetten van een TV-kanaal, Al-Resalah, gericht op de Amerikaanse moslims [6]. Hij zendt al uit in Saoedi-Arabië. In 2005 kocht Bin Talal 5,46% van de stemgerechtigde aandelen in News Corp, het moederbedrijf van Fox News. In december 2005 pochte hij bij de site Middle East Online over zijn macht om wat de kijkers zien op Fox News te veranderen [7]. Bij het nieuwsbericht over de rellen [8] in Frankrijk had Fox een strook tekst geplaatst die luidde "Moslimrellen". Bin Talal was hier niet gelukkig mee. "Ik pakte de telefoon op en belde Murdoch [...] [en vertelde hem] dat dit geen moslimrellen zijn, dit zijn rellen uit armoede", zei hij. "Binnen 30 minuten werd de tekst veranderd van moslimrellen naar burgerrellen".

Uit een onderzoek van Cornell University bleek dat ongeveer de helft van de Amerikanen een negatief beeld van de islam heeft [9]. Tijdens een persconferentie op het hoofdkwartier van de World Assembly of Muslim Youth (WAMY), zei Paul Findley, een voormalig Amerikaans Congreslid, dat anti-moslim en anti-islamitische sentimenten zich als kanker verspreidden in de Amerikaanse samenleving, en dat er corrigerende maatregelen nodig waren om dat te bestrijden. Er werd aangekondigd dat de Council for American-Islamitic Relations (CAIR) een enorme mediacampagne van 50 miljoen dollar zou lanceren op de televisie, radio en kranten. "We zijn van plan om prins Alwaleed bin Talal te ontmoeten voor zijn financiële steun aan ons project. Hij is in het verleden gul geweest".

De World Assembly of Muslim Youth, opgericht in de VS door de neef van Osama Bin Laden, deelt zijn kantoren met de Islamic Society of North America en het Islamic Centre of Canada. WAMY Canada beheert een reeks van islamitische kampen en bedevaarten voor de jeugd [10]. De Amerikaanse FBI-agent Kane citeerde als volgt uit een publicatie voorbereid door de WAMY: "Wees gegroet! Wees gegroet! O opofferende Soldaten! Naar ons! Naar ons! Dan kunnen we de vlag verdedigen op deze Dag van de Jihad, of ben je spaarzaam met je bloed? En is het leven te dierbaar geworden voor je? En blijf je liever achter?". Volgens hem waren 14- tot 18-jarigen de doelgroep voor deze leringen.

Harvard University en Universiteit van Georgetown ontvingen 20 miljoen dollar aan donaties [11] van prins Bin Talal om islamitische studies te financieren. "Als universiteit met internationale ambities is het essentieel dat Harvard een sterk programma heeft over de islam, dat wereldwijd en interdisciplinair van opzet is", zegt Steven E. Hyman, woordvoerder van Harvard. Georgetown zei dat het het geld zou gebruiken - de op een na grootste gift die het ooit heeft ontvangen - om haar Center for Muslim-Christian Understanding uit te breiden. Martin Kramer, de auteur van Ivory Towers on Sand: The Failure of Middle Eastern Studies in America, zei: "Prins Alwaleed weet dat als je invloed wilt hebben, de plaatsen zoals Harvard of Georgetown, die zich in de hoge kringen bevinden, het verschil zullen maken".

De op Georgetown werkende professor John Esposito, oprichter en directeur van het Center for Muslim-Christian Understanding, heeft waarschijnlijk meer dan enige andere academicus bijgedragen aan het verbloemen van de jihadistische dreiging voor het Westen [12]. [De blogger Martin] Kramer zegt dat Esposito tijdens zijn vroege jaren in de jaren '70 zijn proefschrift heeft geschreven onder zijn islamitische mentor Ismail R. Faruqi, een Palestijnse pan-islamist en theoreticus van de "islamisering van kennis" [13]. Tijdens het eerste deel van zijn carrière heeft John L. Esposito nooit onderzoek gedaan of les gehad aan een groot Midden-Oosters centrum. In de jaren '80 publiceerde hij boeken zoals Islam: The Straight Path, de eerste van een reeks van boeken die gunstig spraken over de islam. In 1993 werd Esposito aangenomen bij de Georgetown University, en heeft later de status opgeëist van "autoriteit" in het veld.

In 2003 erkenden ambtenaren van de Islamic Society of North America (ISNA) Esposito als de huidige "Abu Taleb van de islam" en de moslimgemeenschap niet alleen in Noord-Amerika, maar ook wereldwijd [14]. Als waardering voor zijn "talloze inspanningen om mythes over islamitische samenlevingen en culturen te ontkrachten", vergeleek dr. Sayyid Syeed, secretaris-generaal van de ISNA, de rol van Esposito met die van Abu Taleb, Mohammeds niet-islamitische oom die onvoorwaardelijke steun gaf aan de islamitische gemeenschap in Mekka op het moment dat die nog zwak en kwetsbaar was.

Esposito's klim naar een machtspositie symboliseert het falen van kritisch onderzoek naar de islam - sommigen beweren kritisch onderzoek naar zo ongeveer alles wat niet-Westers is - in de Westerse universiteiten in de jaren '80 en '90. De Fransman Olivier Roy publiceerde al in 1994 een boek getiteld L'Echec de l'Islam politique [Het Falen van de Politieke Islam] en schreef over het Midden-Oosten dat het een fase van "post-islamisme" in was gegaan. Zoals Martin Kramer zegt:

de academici waren zo in beslag genomen door 'islamitische Martin Luthers' dat ze nooit toekwamen aan het maken van ook maar één serieuze analyse van Bin Laden en zijn veroordeling van Amerika. Bin Ladens acties, verklaringen en video's waren een schande voor academici die de Amerikanen hadden verzekerd dat "de politieke islam" zich terugtrok uit de confrontatie.

De Amerikaanse universiteiten merken Bin Laden nu tenminste wel op. Bruce Lawrence, hoogleraar religie aan de universiteit Duke, heeft een boek gepubliceerd met Osama bin Ladens toespraken en geschriften [15]. "Als je hem leest in zijn eigen woorden, klinkt hij als iemand die een zeer hoog aangeschreven en welkome stem zou zijn in de mondiale politiek", zei Lawrence. Lawrence heeft ook beweerd dat jihad "betekent een betere student zijn, een betere collega, een betere zakenpartner. Boven alles om je woede te beheersen".

Anderen geloven dat we te veel ophef maken over deze hele jihad. John Mueller, hoogleraar politieke wetenschappen aan de Ohio State University, vroeg in het septembernummer van Foreign Affairs in 2006 of de terroristische dreiging voor de Verenigde Staten niet gewoon was verzonnen:

Een volledig geloofwaardige verklaring voor het feit dat de Verenigde Staten geen terroristische aanslagen heeft geleden sinds 9/11, is dat de dreiging die uitgaat van terroristen van eigen bodem of geïmporteerde terroristen - zoals [de dreiging van] Japanse Amerikanen tijdens de Tweede Wereldoorlog of van de Amerikaanse communisten na WO2 - enorm overdreven is. [...] Het massale en dure binnenlandse veiligheidsapparaat opgericht sinds 9/11 vervolgt misschien sommigen, bespioneert velen, valt de meesten lastig, en het belast iedereen om de Verenigde Staten te verdedigen tegen een vijand die nauwelijks bestaat. [16]

Schrijver Lee Kaplan heeft zich aangesloten bij een conferentie van MESA, het Middle East Studies Association, in San Francisco [17]:

Aan de aanwezige academici werden gratis exemplaren verstrekt van een glossy opinieblad genaamd de Washington Report on Middle East Affairs. De meeste mensen dachten, bij het zien van de publicatie, dat het vergelijkbaar was met Newsweek of Time.[...] Wat de meeste mensen niet weten is dat het Washington Report on Middle East Affairs blaadje en hun website - jawel, de hele organisatie erachter - wordt gefinancierd door Saoedi-Arabië, een despotisch regime dat stilletjes zijn weg wil kopen naar elke campus in Amerika, met name door centra voor Midden-Oosten Studies in de VS. Ik ontmoette Nabil Al-Tikriti, een professor aan de Universiteit van Chicago. "Ik zou die academische Midden-Oosten geleerden uitnodigen die Amerika's oorlog in het buitenland en de behoefte aan veiligheid in ons eigen land echt steunen. Mensen als Daniel Pipes of Martin Kramer".

[Kaplan vroeg]: "Waarom zijn [die] hier niet bij de MESA conferentie?".
"Ze zouden weggejoeld worden", antwoordde Al-Tikriti.

De vicepresident van het Jihad Watch Board, Hugh Fitzgerald, deelt zijn zorgen over MESA: [18]

De organisatie MESA is de afgelopen twee decennia langzaam maar zeker overgenomen door apologeten, geloofsverdedigers van de islam. De geloofsverdediging bestaat uit het bijna nooit bespreken van de jihad en dhimmitude, en zelfs uit de studenten kennis laten maken met de Koran, Hadith en Sira. Boeken op het niveau van [Karen] Armstrong en Esposito zijn verplicht, en ook positieve onzin als Maria Rosa Menocal's The Ornament of the World. Geen enkel lid van MESA heeft zo veel gedaan om voor een breed publiek [dingen] beschikbaar te maken [zoals] belangrijk nieuw werk over Mohammed, over de oorsprong van de Koran, en over de geschiedenis van de vroege islam, als die einzelgänger Ibn Warraq. Niemand heeft zo veel werk geschreven over het systeem van de dhimmi's als die einzelgänger Bat Ye'or. Het is een verbazingwekkende situatie dat veel van het belangrijkste werk niet wordt gedaan in de universiteiten, omdat veel universitaire centra zijn overgenomen door een soort Islamintern International.

Hugh Fitzgerald heeft gelijk. The Legacy of Jihad, een van de belangrijkste werken over de jihad dat in de afgelopen jaren is verschenen, is geschreven door Andrew Bostom, een arts die naar aanleiding van de terroristische aanslagen in 2001 zeer ontevreden was over een groot deel van het beschikbare materiaal over het onderwerp. Bat Ye'or, misschien wel de toonaangevende expert voor het islamitische systeem van dhimmitude, heeft zichzelf hierover onderwezen [19]. En Ibn Warraq schreef verschillende uitstekende boeken over het ontstaan van de Koran en de vroege jaren van de islamitische geschiedenis, terwijl hij helemaal buiten de gevestigde universiteitssystemen bleef. Dit is natuurlijk een geweldige verdienste voor hen persoonlijk, maar het zegt niet veel goeds over de status van Westerse universiteiten.

Het is moeilijk te begrijpen waarom Amerikaanse of Westerse overheden nog steeds toestaan dat de Saoedi's, jaren nadat meerdere Saoedische lieden de ergste terroristische aanslag in de Westerse geschiedenis hebben gepleegd, nu via hun geld bepalen wat er aan de toekomstige Westerse leiders wordt geleerd over de islam. De Verenigde Staten stond niet toe dat nazi-Duitsland invloed kreeg door zich in te kopen bij Amerikaanse universiteiten. Hoewel de Sovjet-communisten hun apologeten hadden in het Westen en ook betaalde agenten, heeft de VS nooit toegestaan dat de Sovjet-Unie openlijk haar leidende hogescholen kon sponsoren. Dus waarom staan ze toe dat Saoedi-Arabië en andere islamitische landen dit nu doen? De Saoedi's zijn vijanden, en moeten worden verboden om directe invloed uit te oefenen op onze universiteiten en grote mediabureaus. Het is een kwestie van nationale veiligheid.

Hoewel omkoperij en Saoedisch oliegeld een ernstige belemmering vormen voor kritisch Westers onderzoek naar de islam, zijn ze toch zeker niet de bron van alle problemen. Aardig wat academici zijn zo doordrenkt van anti-Westerse ideologie dat ze uit zichzelf maar al te graag het Westen afkraken en de islam verheerlijken.

Er zijn weinig boeken die in de afgelopen generatie meer schade hebben gedaan aan kritische discussie over de islam in Westerse instellingen voor hoger onderwijs, dan het in 1979 geschreven boek Orientalism van Edward Said. Dit boek zorgde voor een heus leger aan Saidists, of, zoals Ibn Warraq hen noemt, het Intellectueel Terrorisme uit Derdewereldlanden [20]. Volgens Ibn Warraq heeft

dit laatste werk een hele generatie Arabieren de kunst van het zelfmedelijden geleerd - "als het niet had gelegen aan die goddelozen imperialisten, racisten en zionisten, dan zouden we weer groots zijn geworden" - en het heeft de islamitische fundamentalistische generatie van de jaren '80 aangemoedigd, en heeft elke kritiek op de islam het zwijgen opgelegd.

[Warraq:] "De agressieve toon van Orientalism is wat ik 'intellectueel terrorisme' heb genoemd, omdat het niet probeert te overtuigen door argumenten of historische analyse, maar door het rondstrooien van beschuldigingen van racisme, imperialisme, eurocentrisme" richting iedereen die het niet met hen eens is. "Een van [Said's] favoriete zetten is om de Oriënt af te schilderen als het eeuwige slachtoffer van het Westerse imperialisme, dominantie en agressie. De Orient wordt nooit gezien als een aanstichter, een wezen met een vrije wil, of eigen plannen of ideeën".

Ibn Warraq heeft ook kritiek op Said omdat hij de traditie van kritisch denken in het Westen nauwelijks erkent. Als hij een beetje dieper in de Griekse beschaving en geschiedenis was gedoken, en de moeite had genomen om te kijken naar de grote geschiedeniscollectie van Herodotus, dan zou Said

twee functies zijn tegengekomen die ook principiële kenmerken waren van de Westerse beschaving en die Said met pijn en moeite verbergt en weigert toe te geven: het zoeken naar kennis omwille van kennis. Het Griekse woord, historia, waarvan wij onze "historie" hebben afgeleid, betekent "onderzoek" of "vraagstelling", en Herodotus geloofde dat zijn werk het resultaat was van onderzoek: wat hij had gezien, gehoord en gelezen, maar aangevuld en geverifieerd door onderzoek.

Intellectuele nieuwsgierigheid is een van de kenmerken van de Westerse beschaving. Zoals J.M. Roberts het uitdrukte:

De enorme onverschilligheid van sommige beschavingen en hun gebrek aan nieuwsgierigheid naar andere werelden is een veelomvattend onderwerp. Waarom wilden islamitische geleerden tot voor kort geen Latijnse of West-Europese teksten vertalen naar het Arabisch? Waarom kon de Engelse dichter Dryden vol vertrouwen een toneelstuk schrijven over de troonopvolging in Delhi na de dood van de Mogul keizer Aurungzebe, maar kunnen we stellig aannemen dat geen enkele Indiase schrijver ooit heeft nagedacht over een toneelstuk over de even dramatische politiek van het Engelse hof in de 17e eeuw? Het is duidelijk dat de reden voor de Europese nieuwsgierigheid en avontuurlijkheid dieper moet liggen dan de economie, hoe belangrijk die ook moge zijn.

Martin Kramer wijst op de ironie dat schrijver Salman Rushdie Said's moed had geprezen:

"Professor Said ontvangt af en toe bedreigingen van de joodse Defensie Liga in Amerika", aldus Rushdie in 1986, "en ik denk dat het belangrijk voor ons is om ons voor te stellen dat een Palestijn in New York zijn - dat in vele opzichten lijkt op Palestina - geen gemakkelijk lot is". Maar het toeval wil dat Said's lot oneindig veel beter was dan dat van Rushdie, nadat Khomeini in 1989 opriep om Rushdie te doden. Het was ironisch dat Rushdie, een postkoloniale literaire grootmeester van onberispelijke linkse referenties, door een aantal moslims moest worden bestempeld als de verpersoonlijking van oriëntalistische vijandigheid ten opzichte van de islam.

In zijn essay "The Intellectuals and Socialism" merkte F.A. Hayek al tientallen jaren geleden op dat "socialisme nooit en nergens voornamelijk een arbeidersbeweging is geweest. Het is een constructie van theoretici" en intellectuelen, "de tweedehands dealers in ideeën. De typische intellectueel hoeft niet per se over speciale kennis te bezitten, noch hoeft hij zelfs bijzonder intelligent te zijn, om een rol te vervullen van tussenpersoon in de verspreiding van ideeën. De klasse bestaat niet uit alleen journalisten, leraren, ministers, docenten, publicisten, radio commentatoren, schrijvers van fictie, cartoonisten en kunstenaars". Ook "omvat [die klasse] veel professionelen en technici, zoals wetenschappers en dokters".

[Hayek:]

Deze intellectuelen zijn de organen die de moderne samenleving heeft ontwikkeld door het verspreiden van kennis en ideeën, en het zijn hun overtuigingen en meningen die werken als de filter waar alle nieuwe opvattingen doorheen moeten gaan voordat ze de massa's kunnen bereiken. [...] De meest briljante en succesvolle leraren van vandaag zijn eerder wel dan geen socialisten.

Volgens Hayek is dit niet omdat socialisten intelligenter zijn, maar omdat

er onder de slimste mensen veel meer socialisten zijn [dan niet-socialisten] die zich inzetten voor intellectuele bezigheden die hen in de moderne samenleving een zekere invloed geven op de publieke opinie. Het socialistische gedachtegoed is grotendeels door zijn visionaire karakter aantrekkelijk voor jonge mensen. De echte intellectueel is, door zijn hele houding, niet geïnteresseerd in technische details of praktische problemen. Wat aantrekkelijk is voor hem zijn de achterliggende visies. Het kan zo zijn dat, omdat een vrije maatschappij zoals wij die kennen al de krachten in zich draagt die hem kunnen vernietigen, dat we zodra we de vrijheid bereiken, we die vanzelfsprekend niet meer waarderen, en dat de vrije ontwikkeling van ideeën die aan de basis staan van een vrije samenleving uiteindelijk zal leiden tot de vernietiging van de fundamenten [van een vrije samenleving]. Betekent dit dat vrijheid alleen wordt gewaardeerd als het verloren dreigt te gaan, dat de wereld door een donkere fase van socialistisch totalitarisme moet gaan voordat de brengers van vrijheid opnieuw kracht kunnen verzamelen? Als we een dergelijke ontwikkeling willen voorkomen, moeten we een nieuw liberaal programma opstellen dat tot de verbeelding spreekt. We moeten de bouw van een vrije samenleving weer een intellectueel avontuur maken, een moedige daad maken.

In zijn boek Modern Culture legt Roger Scruton de voortdurende aantrekkingskracht van de linkse ideologie uit op deze manier:

De marxistische theorie is een vorm van economisch determinisme, die te herkennen is aan de overtuiging dat grote veranderingen in de economische betrekkingen alleen revolutionair kunnen zijn, door een gewelddadige omverwerping van de oude orde, en een ineenstorting van de politieke 'superstructuur', die was gebouwd [op de oude orde]. De theorie is vrijwel zeker niet waar: toch is er iets aan het marxistische beeld dat, bij verlichte mensen, de wil om te geloven aanwakkert. Door cultuur uit te leggen als een bijproduct van materiële krachten benadrukt Marx de stelling uit de Verlichting dat deze materiële krachten de enige krachten zijn die er zijn. De oude cultuur, met zijn goden en tradities en autoriteiten, lijkt dan op een web van illusies - 'de opium voor het volk', die hun honger stilt. [21]

Vandaar dat, volgens Scruton, in de nasleep van de Verlichting,

er niet alleen een reactie kwam zoals van Burke en Herder, en verfraaid door de romantici, maar ook het compenserende cynisme tegenover het idee van cultuur. Het werd normaal om cultuur van buitenaf te bezien: niet als een manier van denken die onze morele erfenis van binnenuit definieert, maar als een uitgebreide vermomming waarin kunstmatige bevoegdheden zichzelf aandienen als natuurlijke rechten. [oftewel, dat cultuur niet ingebakken zit, maar opgedrongen wordt door de leiders om je meteen ook regeltjes op te leggen. Zie bijvoorbeeld hoe Mohammed zijn 'culturele regeltjes' liet vastleggen in sharia en die dan weer opdrong aan mensen]. Dankzij Marx zijn de theorieën die cultuur ontmaskeren een onderdeel geworden van de cultuur. En deze theorieën hebben de structuur die ontwikkeld is door Marx: zij identificeren macht als de werkelijkheid, en cultuur als het masker, ze voorspellen ook dat de toekomst 'bevrijd' zal worden van de leugens die zijn gesponnen door onze onderdrukkers.

Het is opvallend om te zien dat dit precies het thema is van auteur Dan Brown's grote internationale bestseller The Da Vinci Code uit 2003, die naar het schijnt een van de tien best verkochte boeken aller tijden is. Naast het feit dat het een eenvoudige thriller is, beweert de roman dat de hele moderne geschiedenis van het christendom een samenzwering van de kerk is als dekmantel voor de waarheid over Jezus en zijn huwelijk met Maria Magdalena.

Australische schrijver Keith Windschuttle, een voormalig marxist, wordt moe van dat anti-Westerse denken dat de academische wereld doordringt:

In de afgelopen dertig jaar, en nog langer terug, hebben veel van de leidende opiniemakers in onze universiteiten, de media en de kunsten [onze] Westerse cultuur beschouwd als, op zijn best gezegd, iets om ons voor te schamen, of in het slechtste geval, iets dat moet worden bestreden. De wetenschappelijke kennis die het Westen heeft is gewoon een van de vele "manieren van weten". [22]

Cultureel relativisme beweert dat er geen absolute normen zijn voor de beoordeling van de menselijke cultuur. Vandaar dat alle culturen dienen te worden beschouwd als gelijk, maar toch verschillend. Deze roep om acceptatie en openheid van geest is niet inclusief de Westerse cultuur zelf, want daarvan wordt de geschiedenis beschouwd als weinig meer dan een misdaad tegen de rest van de mensheid. Het Westen mag andere culturen niet beoordelen, maar moet zijn eigen wel veroordelen.

[Windschuttle] spoort ons aan om ons te herinneren hoe uniek een aantal elementen van onze cultuur zijn:

De concepten van vrij onderzoek en vrije meningsuiting en het recht om diepgewortelde overtuigingen te bekritiseren zijn dingen die we zo als vanzelfsprekend zien dat ze bijna deel uitmaken van de lucht die we inademen. We moeten ze herkennen als duidelijk Westerse fenomenen. Ze zijn nooit opgekomen in de confucianistische of hindoe-cultuur. Maar zonder dit concept zou de wereld niet zijn zoals het nu is. Er zouden geen Copernicus, Galilei, Newton of Darwin zijn geweest.

De herschrijving van de Westerse geschiedenis is zo slecht dat er zelfs van toneelschrijver William Shakespeare gezegd wordt dat hij stiekem moslim was. "Shakespeare zou van het soefisme hebben genoten", zei de islamitische geleerde Martin Lings, zelf een soefi moslim. Volgens The Guardian beweerde Lings tijdens een lezing van het International Shakespeare Globe Fellowship, gehouden in Shakespeares eigen Globe Theatre in Londen, dat Shakespeares "werk lijkt op de leer van de islamitische soefi sekte". Lings sprak tijdens de Islam Awareness Week.

"Het is onmogelijk dat Shakespeare een moslim is geweest", zei David N. Beauregard, een Shakespeare-geleerde en mederedacteur van Shakespeare and the Culture of Christianity in Early Modern England. Shakespeare "hield er wat betreft cruciale verschillen in geloof toch rooms-katholieke overtuigingen op na". Beauregard merkt op dat "dit niet wil zeggen dat Shakespeare zich bezighield met het schrijven van religieus drama, maar alleen dat er een bepaalde religieuze traditie ten grondslag lag aan zijn werk".

Volgens Robert Spencer is "Shakespeare slechts de laatste paradigmatische figuur van de Westerse christelijke cultuur die nu opnieuw uitgevonden wordt op een moslimvriendelijke manier" [23]. Onlangs heeft het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken beweerd, zonder een spoor van bewijs, dat Christoffel Columbus (die feitelijk Ferdinand en Isabella prees toen ze de moslims uit Spanje gooiden in 1492, hetzelfde jaar als zijn eerste bezoek aan Amerika) op zijn reizen geholpen zou zijn door een islamitische navigator. "De toestand van het Amerikaanse onderwijs is tegenwoordig zo somber dat leraren zelf slecht zijn uitgerust om deze historische fantasieën tegen te gaan".

Het blog Gates of Vienna citeerde een rapport van de Amerikaanse Raad van Toezicht en Alumni (ACTA) op Amerikaanse universiteiten. Hun onderzoek onthulde dat er

een opmerkelijke uniformiteit was van politieke houding en pedagogische aanpak. In de faculteiten geestes- en sociale wetenschappen worden dezelfde problemen steeds opnieuw herhaald, ongeacht het vakgebied. In cursussen over literatuur, filosofie en geschiedenis; sociologie, antropologie, en godsdienstwetenschappen; vrouwenstudies, Amerikaanse studies, [...] ze zijn steeds gericht op een vaste lijst van onderwerpen: ras, klasse, geslacht, seksuele geaardheid, en de 'sociale constructie van identiteit', de globalisering, het kapitalisme en de Amerikaanse 'hegemonie', de alomtegenwoordigheid van onderdrukking en de vernietiging van het milieu. [24] In les na les wordt in principe dezelfde boodschap herhaald, in termen die voor een academische 'buitenstaander' vaak zo goed als onverstaanbaar lijken. Kort gezegd is de boodschap dat de gevestigde orde, het patriarchale, racistische, hegemonistische, en kapitalistische, worden moet 'ondervraagd' en 'bekritiseerd', om theorieën te vormen voor een sociale transformatie die algemeen als noodzakelijk en waardevol wordt beschouwd. Verschillen tussen disciplines beginnen te verdwijnen. Cursussen in die schijnbaar afzonderlijke vakgebieden als bijvoorbeeld literatuur, sociologie en vrouwenstudies zijn spiegelbeelden van elkaar geworden.

Schrijfster Charlotte Allen gaf commentaar op hoe de universitair voorzitter van Harvard, Lawrence Summers, een storm aan kritiek veroorzaakte door in een toespraak te zeggen dat aangeboren verschillen tussen mannen en vrouwen iets te maken hebben met het feit dat mannen meer plaatsen als topwetenschappers hebben dan vrouwen [25]. Summers kondigde in 2006 zijn voornemen aan om af te treden aan het einde van het schooljaar, deels als gevolg van de druk die werd veroorzaakt door deze toespraak.

[U]it een essay dat Summers heeft aangehaald blijkt dat terwijl vrouwen over het algemeen net zo slim zijn als mannen, er beduidend minder vrouwen dan mannen zijn bij de allerhoogste niveaus van intelligentie die het wetenschappelijk genie produceren. [Zelfs als je geen kei bent in wetenschappelijk onderzoek] vertelt je gezonde verstand je dat de heer Summers wel gelijk moet hebben. Onlangs diende de Harvardse Faculteit der Kunsten en Wetenschappen een motie van wantrouwen in tegen Summers. Zou het niet beter zijn om openlijk te praten over de sterke en zwakke punten van mannen en vrouwen?

Ja, mevrouw Allen, dat zou inderdaad zo zijn. Zelfs als Summers verkeerd kan hebben gezeten hiermee, is het gevaarlijk om een weg in te slaan waar belangrijke kwesties helemaal niet besproken mogen worden. Een van de kenmerken van de Westerse beschaving is dat we gretig vragen stellen over van alles. Politieke Correctheid (PC) is dus anti-Westers, zowel in vorm als in functie. Hier moet bij gezegd worden dat in dit geval de feministen de voorhoede waren van de PC, dezelfde ideologie die onze universiteiten heeft verblind voor de islamitische dreiging.

Erger nog, we weten dat andere feministen in de academische wereld beweren dat de sluier, of zelfs de boerka, staan voor 'een alternatief feminisme'. Dr. Wairimu Njambi is een assistent-professor in Vrouwenstudies aan de Florida Atlantic University. Een groot deel van haar beurs en onderzoek is eraan gewijd mensen te overtuigen van het idee dat de wrede praktijk van vrouwelijke genitale verminking (VGV, vrouwenbesnijdenis) eigenlijk een overwinning is voor feminisme en dat het hatelijk is om iets anders te zeggen. Volgens Njambi "draagt de discussie tegen VGV een kolonialistische aanname uit door te stellen dat het Westerse beeld van een 'normaal' lichaam en seksualiteit overal zou moeten gelden".

Toch zijn er kleine groepen die weerstand bieden. Professor Sigurd Skirbekk aan de Universiteit van Oslo trekt veel van de aannames die de basis vormen van het Westerse immigratiebeleid in twijfel [26]. Een van deze is het idee dat rijke landen verplicht zijn tot het verwelkomen van alle mensen uit andere landen die lijden, hetzij door natuurrampen, politieke onderdrukking of overbevolking. Volgens hem kunnen we het nooit als moreel beschouwen van de culturele, politieke en religieuze elites van deze landen dat ze hun bevolking ongeremd laten groeien en dan hun overtollige bevolking maar naar andere landen sturen.

Skirbekk wijst erop dat de Europese landen eerder de Duitsers hebben afgewezen toen ze het argument van Lebensraum gebruikten als een motivatie voor hun buitenlands beleid. We moeten nu hetzelfde doen als andere landen het argument opvoeren dat zij te weinig ruimte hebben voor hun bevolking. Volgens hem is er volop literatuur bekend over de ecologische problemen waar de wereld in deze eeuw mee geconfronteerd zal worden. Het is op de lange termijn geen duurzaam alternatief om een te liberaal immigratiebeleid aan te houden en ondertussen te weigeren om dergelijke onaangename morele kwesties aan te pakken. Wij zullen dan de lastige dilemma's alleen maar doorschuiven naar de toekomstige generaties.

In Denemarken concludeert taalkundige Tina Magaard dat islamitische teksten veel meer terreur en vechten aanmoedigen dan de oorspronkelijke teksten van andere religies [27]. Ze heeft een doctoraat in de tekstuele analyse en Interculturele Communicatie aan het instituut Sorbonne in Parijs, en heeft drie jaar besteed aan een onderzoeksproject waarin ze de oorspronkelijke teksten van tien religies vergeleek.

De teksten in de islam onderscheiden zich van de teksten van andere religies door het in een grotere mate stimuleren van geweld en agressie tegen mensen met een andere religieuze overtuigingen. Er zijn ook simpelweg oproepen tot terreur. Dit is al lange tijd een taboe in het onderzoek naar de islam, maar het is een feit waar we mee om moeten gaan.

Bovendien zijn er honderden oproepen in de Koran voor het bevechten van mensen van andere godsdiensten. "Als het juist is dat veel moslims de Koran zien als het letterlijke woord van God, dat niet anders kan worden geïnterpreteerd of geformuleerd, dan hebben we een probleem. Het staat buiten kijf dat de teksten terreur en geweld aanmoedigen. Vervolgens moet het redelijk zijn dat we moslims vragen hoe ze zelf tegen de tekst aankijken, of ze het lezen zoals het er staat", zegt Magaard.

De voorbeelden van Skirbekk, Magaard en anderen zijn inderdaad bemoedigend, maar niet genoeg in aantal om het algemene beeld van de Westerse academici te veranderen dat grotendeels verlamd is door politieke correctheid en anti-Westerse sentimenten.

Schrijver Mark Steyn merkt op:

in de echte wereld lijkt het echte succesverhaal van de mondialisering van de jaren 1990 te zijn dat de ideologie van een relatief obscuur deel van de planeet is geëxporteerd naar het hart van elke Westerse stad. Robert D. Kaplan van de Atlantic Monthly schreef over de ineenstorting van landen zoals Somalië, en verwees naar de "burgers" van dergelijke "staten" als "opnieuw primitief geworden mens" [28]. Als mensen geboren in Toronto vragen om onthoofding, als mensen die geboren en getogen zijn in Yorkshire met de fish 'n' chips en cricket en slechte Engels popmuziek zichzelf opblazen in de Londonse metro, lijkt het erop dat het fenomeen van het "opnieuw primitief geworden mens" met succes is geëxporteerd over de hele planeet. Het is de omgekeerde globalisering: de ziekelijke leer van de meest afgelegen gaten hebben nu uitwassen in elke Westerse stad.

Het is mogelijk om hier een verband te zien. Terwijl multiculturalisme een ideologisch stammengevoel verspreidt in onze universiteiten, verspreidt het fysieke stammengevoel zich in onze grote steden. Aangezien alle culturen gelijk zijn, hoeft de Westerse beschaving niet behouden te worden en onze wet niet gehandhaafd.

Het is waar dat we nooit helemaal kunnen komen tot het ideaal van objectieve waarheid, want we zijn allemaal min of meer gekleurd in ons denken door onze persoonlijke ervaringen en onze vooroordelen. Maar dit betekent niet dat we die idealen moeten verlaten. Dat is wat er in de afgelopen decennia gebeurd is. Onze colleges proberen niet eens meer om naar waarheid te zoeken, ze hebben besloten dat er überhaupt niet zoiets bestaat als 'waarheid', maar alleen verschillende meningen en culturen, allemaal even waardevol. Behalve de Westerse cultuur, want die is automatisch slecht en moet worden afgebroken en 'gedeconstrueerd'. Westerse universiteiten zijn van de Eeuw van de Rationaliteit overgegaan op de Eeuw van Deconstructie.

Terwijl er aan de Chinese, Indische, Koreaanse en andere Aziatische universiteiten elk jaar miljoenen gemotiveerde ingenieurs en wetenschappers afstuderen, zijn de Westerse universiteiten teruggebracht tot kleine hippie-fabrieken, die leren over de verdorvenheid van het Westen en de zegeningen van de barbarij. Dit zal op de lange termijn een serieus probleem vormen voor de economische concurrentiekracht van Westerse landen. Dat is slecht, maar het is wel de minste van onze zorgen. Veel erger dan niet kunnen concurreren met de niet-islamitische Aziaten is niet inzien welke dreiging er komt van moslimlanden die ons willen onderwerpen en onze beschaving willen uitroeien. Dat is een grote mislukking waar we niet mee kunnen leven. En dat zullen we waarschijnlijk ook niet kunnen blijven doen, tenzij we met het probleem om leren gaan.


Bronnen:

1. http://www.brusselsjournal.com/node/849
2. http://www.brusselsjournal.com/node/1155
3. http://www.brusselsjournal.com/node/1145
4. http://www.jihadwatch.org/dhimmiwatch/archives/006260.php
5. http://www.arabnews.com/?page=1§ion=0&article=62487&d=21&m=4&y=200
6. http://www.americanthinker.com/comments.php?comments_id=5418
7. http://frontpagemagazine.com/Articles/Printable.asp?ID=20490
8. http://amconmag.com/2005/2005_12_05/cover.html
9. http://www.shoebat.com/2012/08/27/infiltrated-republican-party-and-fox-news/
10. http://littlegreenfootballs.com/weblog/?entry=8263
11. http://www.jihadwatch.org/dhimmiwatch/archives/009405.php
12. http://www.jihadwatch.org/dhimmiwatch/archives/008907.php
13. http://www.geocities.com/martinkramerorg/IslamObscured.htm
14. http://www.campus-watch.org/article/id/773
15. http://www.jihadwatch.org/dhimmiwatch/archives/008113.php
16. http://www.foreignaffairs.org/20060901facomment85501/john-mueller/is-there-still-a-terrorist-threat.html
17. http://www.jihadwatch.org/dhimmiwatch/archives/004191.php
18. http://www.jihadwatch.org/archives/004791.php
19. http://www.brusselsjournal.com/node/840
20. http://www.secularislam.org/articles/debunking.htm
21. http://www.amazon.com/exec/obidos/ASIN/0826485448/brusselsjournal-20/ref=nosim
22. http://www.sydneyline.com/Adversary%20Culture.htm
23. http://www.frontpagemag.com/Articles/ReadArticle.asp?ID=15701
24. http://gatesofvienna.blogspot.com/2006/06/little-churchills-inhabiting-sterile.html
25. http://old.nationalreview.com/comment/allen200602231223.asp
26. http://folk.uio.no/sigurds/
27. http://fjordman.blogspot.com/2005/09/islam-is-most-warlike-religion.html
28. http://www.brusselsjournal.com/node/1142
29. http://52.068.4.309plusf24:KWimfhh436383717863??




1.4 Overzicht 1: De Religie van Vrede? De oorlog van de islam tegen de wereld - Islam 101

Islam 101 is bedoeld om mensen beter bewust te maken van de basisprincipes van de islam en om de meer ingewijden deze feiten beter duidelijk te laten maken aan anderen. Dit met het doel om het volk meer begrip te laten krijgen van de islam en om de onjuistheid van de huidige beelden over islam aan te tonen.

Inhoudsopgave

  1. Basisprincipes

    1. De Vijf Zuilen van de Islam

    2. De Koran - het Boek van Allah

    3. De Sunnah - de "Levenswijze van de Profeet Mohammed"

      1. Slag bij Badr

      2. Slag bij Uhud

      3. Slag om Medina

      4. Verovering van Mekka

    4. De Sharia


  2. Jihad en Dhimmitude

    1. Wat betekent 'jihad'?

    2. Moslimgeleerde Hasan Al-Banna over jihad

    3. Dar al-Islam en Dar al-Harb: het Huis van Islam en het Huis van Oorlog

      1. Al-taqiyya - Religieuze/politieke misleiding [1.5]

      2. Hoe al-taqiyya een centraal onderdeel is van de islamisering van Europa

      3. Koranische abrogatie (naskh) [1.6]

    4. Jihad door de geschiedenis heen

      1. De eerste golf van jihad: de Arabieren, 622-750 na Christus

      2. De tweede golf van jihad: de Turken, 1071-1683 na Christus

    5. De Dhimma

    6. Jihad in de moderne Tijd

  3. Conclusie

  4. Veelgestelde vragen

    1. Hoe zit het met de Kruistochten?

    2. Als de islam gewelddadig is, waarom zijn zo veel moslims vreedzaam?

    3. Hoe zit het met gewelddadige passages in de Bijbel?

    4. Zou een islamitische 'hervorming' de islam vredig kunnen maken?

    5. Hoe zit het met de geschiedenis van Westers kolonialisme in de moslimwereld?

    6. Hoe kan een gewelddadige politieke ideologie het op één na grootste en snelst groeiende geloof op aarde zijn?

    7. Is het eerlijk om alle stromingen van de islam als gewelddadig aan te duiden?

    8. Hoe zit het met de grote prestaties van de islamitische beschaving?


1. Basisprincipes

a. De Vijf Zuilen van de Islam

De vijf zuilen van de islam gaan over de meest basale aspecten van religie. Het zijn:

  1. Geloof (iman) in de eenheid van Allah en de beslissendheid van de profeet Mohammed (aangegeven door de verklaring [de Shahadah] dat "er geen God is behalve Allah en dat Mohammed de boodschapper van Allah is").
  2. Houden aan de vijf voorgeschreven dagelijkse gebedstijden (salah).
  3. Geven van aalmoezen (zakat).
  4. Vasten (sawm).
  5. Pelgrimstocht (hajj) naar Mekka voor zij die kunnen.

De vijf zuilen zelf zeggen ons niet veel over het geloof, over wat een moslim moet geloven of hoe hij zich moet gedragen. De tweede tot en met de vijfde zuil - gebed, aalmoes, vasten, pelgrimstocht - zijn aspecten die veel religies ook hebben. De beslissendheid van het profeetschap van Mohammed is echter uniek aan de islam. Om de islam te begrijpen, en wat het is om een moslim te zijn, moeten we eerst Mohammed begrijpen en de openbaringen die hem door Allah zouden zijn gegeven, en waaruit de Koran bestaat.


b. De Koran - het Boek van Allah

Volgens de islamitische leer kwam de Koran van hoger hand als een reeks van openbaringen van Allah die door de aartsengel Gabriël werden gebracht aan de profeet Mohammed, die het vervolgens gedicteerd heeft aan zijn volgelingen. Mohammeds metgezellen onthielden fragmenten van de Koran en schreven ze op op van alles wat voorhanden was, en later, enkele jaren na de dood van Mohammed, werd dit in boekvorm verzameld onder het bewind van de derde kalief Uthman.

De Koran is ongeveer even lang als het Nieuwe Testament. Het omvat 114 Sura's (niet te verwarren met de Sira, dat betrekking heeft op de levensloop van de Profeet) van verschillende lengte; die Sura's kunnen worden beschouwd als hoofdstukken. Volgens de islamitische doctrine was het rond 610 na Christus in een grot in de buurt van de stad Mekka (nu in het zuidwesten van Saoedi-Arabië) dat Mohammed via de aartsengel Gabriël de eerste openbaring ontving van Allah. De openbaring legde Mohammed alleen maar op om te "herhalen" of "voor te lezen" (Sura 96), want de woorden die hij opgedragen werd om uit te spreken waren niet zijn eigen maar die van Allah. In de komende pakweg twaalf jaar in Mekka kreeg Mohammed andere openbaringen, die een boodschap vormden voor de inwoners van de stad om af te zien van hun heidense gebruiken en in plaats daarvan de ene Allah te aanbidden.

Toen hij in Mekka was, vertoonde Mohammed veel respect voor het monotheïsme van de christelijke en joodse inwoners, maar hij veroordeelde het heidendom (voor het grootste deel). Want inderdaad, de Allah van de Koran beweerde dezelfde God te zijn die werd aanbeden door joden en christenen, die zich nu zelf had geopenbaard aan het Arabische volk door zijn gekozen boodschapper, Mohammed. De koranische openbaringen kwamen pas later in de carrière van Mohammed, nadat hij en de eerste moslims Mekka hadden verlaten voor de stad Medina, en dat heeft de islam veranderd van een relatief goedaardige vorm van monotheïsme in een uitbreidingszuchtige, militair-politieke ideologie die tot op de dag van vandaag nog doorgaat.

De orthodoxe islam aanvaardt niet dat een versie van de Koran in een andere taal een 'vertaling' is op de manier waarop bijvoorbeeld de King James Bijbel een vertaling is van de oorspronkelijke Hebreeuwse en Griekse geschriften. Islamitische apologeten maken, om kritiek af te wenden, vaak het punt dat alleen Arabische lezers de Koran kunnen begrijpen. Maar Arabisch is een taal als elke andere en volledig geschikt om uit te vertalen. De meeste moslims kunnen helemaal geen Arabisch lezen. In de onderstaande analyse maken we gebruik van een vertaling van de Koran door twee moslimgeleerden, die hiervoor goed kan worden gebruikt. Alle uitleg in de tekst is die van de vertalers, behalve mijn tussenvoegingen die in accolades staan: {}.


c. De Sunnah - de "Levenswijze van de Profeet Mohammed"

In de islam wordt Mohammed beschouwd als 'al-insan al-kamil' (de 'ideale man'). Mohammed wordt op geen enkele wijze als goddelijk beschouwd, noch wordt hij aanbeden (het is niet toegestaan om Mohammed af te beelden want dit zou afgoderij stimuleren), maar hij is het perfecte voorbeeld voor alle moslims in hoe ze zich horen te gedragen. Het is door middel van persoonlijke leer van Mohammed en zijn acties - die deel uitmaken van de "Levenswijze van de Profeet", de Sunnah - dat moslims onderscheiden wat goed en heilig leven is. Details over de Profeet - hoe hij leefde, wat hij deed, wat hij buiten de Koran om zei, zijn persoonlijke gewoonten - zijn onmisbare kennis voor elke gelovige moslim.

Onze kennis van de Sunnah komt vooral voort uit de Hadiths, de ('verslagen') over het leven van Mohammed, die mondeling werden doorverteld tot ze in de 8e eeuw na Christus werden opgeschreven, zo'n honderd jaar na de dood van Mohammed. De Hadiths zijn de belangrijkste verzameling islamitische teksten na de Koran, ze zijn in feite een verzameling van anekdotes over het leven van Mohammed waarvan men vermoed dat ze zijn ontstaan bij degenen die hem persoonlijk kenden. Er zijn duizenden en duizenden Hadiths, sommige van meerdere pagina's, sommige amper een paar regels lang. Toen de Hadiths voor het eerst werden opgeschreven, in de 8e eeuw na Christus, werd het duidelijk dat veel ervan nep waren. De vroege moslimgeleerden van de Hadith hebben heel veel werk verzet om te proberen te bepalen welke Hadiths echt waren en welke twijfelachtig waren.

De Hadiths [die ik hier citeer] komen uitsluitend van de meest betrouwbare en gezaghebbende verzameling, Sahih Al-Bukhari, die door alle scholen van islamitische geleerdheid erkend wordt als echt, die is vertaald door een moslimgeleerde en die kan hier worden gevonden. De verschillende vertalingen van de Hadiths variëren in hun verdeling van volume (deel), boek, en nummer (vers), maar de inhoud is hetzelfde. Bij elke Hadith wordt de bibliografische informatie eerst vermeld, en daarna komt de naam van de initiatiefnemer van de Hadith (over het algemeen iemand die Mohammed persoonlijk kende), en vervolgens de inhoud zelf. Terwijl de absolute authenticiteit van zelfs een 'echte' Hadith nauwelijks te garanderen is, worden ze binnen een islamitische context toch geaccepteerd als waarheid.

Omdat Mohammed zelf het toonbeeld van de moraliteit is, worden zijn daden niet beoordeeld volgens een onafhankelijke morele standaard, maar zijn die daden eerder een voorbeeld van wat de norm voor moslims is.

Volume 7, Boek 62, Vers 88; Verteld door Ursa: De profeet tekende het (huwelijkscontract) met Aisha toen ze zes jaar oud was en consumeerde zijn huwelijk met haar toen ze negen jaar oud was en zij bleef bij hem gedurende negen jaren (dat wil zeggen tot zijn dood). Volume 8, Boek 82, Vers 795; Verteld door Anas: De Profeet hakte de handen en voeten af van de mannen die behoren tot de stam van Uraina en schroeide (hun bloedende ledematen) niet dicht totdat ze stierven. Volume 2, Boek 23, Vers 413; Verteld door Abdullah bin 'Umar: De joden {van Medina} brachten een man en een vrouw van hun stam bij de Profeet die zich schuldig hadden gemaakt aan illegale seksuele gemeenschap (overspel). Hij beval dat ze beiden werden gestenigd (tot de dood) bij de plaats naast de moskee waar men begrafenisgebeden uitsprak. Volume 9, Boek 84, Vers 57, Verteld door Ikrima: Sommige Zanadiqa (atheïsten) werden naar Ali {de vierde kalief} gebracht en hij liet ze verbranden. Het nieuws van deze gebeurtenis bereikte Ibn 'Abbas, die zei: "Als ik in zijn plaats was geweest, zou ik ze niet verbrand hebben, aangezien Allah's apostel dat heeft verboden door te zeggen: 'Straf niemand met Allah's bestraffing (vuur)'. Ik zou hen gedood hebben volgens deze uitspraak van Allah's apostel: 'Als iemand afvalt van zijn islamitische religie, dood hem' ". Volume 1, Boek 2, Vers 25, Verteld door Abu Hoeraira: Allah's apostel werd gevraagd: "Wat is het beste dat je kunt doen?" Hij antwoordde: "Geloven in Allah en Zijn boodschapper (Mohammed)". De vragensteller vroeg toen:" Wat is daarna het beste (van het goede)?" Hij antwoordde: "deelnemen aan de jihad (religieuze gevechten) omwille van Allah".

In de islam is er geen 'natuurlijk' gevoel voor moraal of rechtvaardigheid dat belangrijker is dan de specifieke voorbeelden en voorschriften in de Koran en de Sunnah. Omdat Mohammed wordt beschouwd als de laatste profeet van Allah en de Koran als de eeuwige, onveranderlijke woorden van Allah zelf, is er ook geen evoluerende moraal die het toelaat dat de islamitische moraal aangepast kan worden of geïntegreerd met stukken uit andere bronnen. Het hele islamitische morele universum gaat alleen maar uit van het leven en de leer van Mohammed.

Naast de betrouwbare Hadiths komt een verdere bron van geaccepteerde kennis over Mohammed uit de Sira ('Leven') van de Profeet, die in de 8e eeuw na Christus is samengesteld door een van de grote geleerden van de islam, Mohammed bin Ishaq.

De profetische carrière van Mohammed is duidelijk verdeeld in twee segmenten: het eerste in Mekka, waar hij er veertien jaar aan werkte om mensen te bekeren tot de islam, en later in de stad Medina (De Stad van de Apostel van God), waar hij een machtige politieke en militaire leider werd. In Mekka zien we een quasi-bijbelse figuur die berouw en liefde predikt, en wordt lastiggevallen en verworpen door de mensen om hem heen. Later, in Medina, zien we een bekwaam commandant en strateeg die systematisch iedereen die tegen hem is verovert en doodt. Het zijn de latere jaren van het leven van Mohammed, van 622 na Christus tot zijn dood in 632, die zelden worden besproken in beleefd gezelschap. In 622, toen de profeet al meer dan vijftig jaar oud was, maakten hij en zijn volgelingen de Hijra (emigratie of vlucht) van Mekka naar de oase van Yathrib ongeveer 200 mijl naar het noorden - dit werd later omgedoopt tot Medina. Het nieuwe monotheïsme van Mohammed had de heidense leiders van Mekka boos gemaakt, en de vlucht naar Medina was waarschijnlijk het gevolg van een aanslag op Mohammeds leven. Mohammed had afgezanten naar Medina gestuurd om zijn welkom te garanderen. Hij werd geaccepteerd door de stammen van Medina als de leider van de moslims en als scheidsrechter bij ruzies tussen stammen.

Kort voor Mohammed wegvluchtte voor de vijandigheid van Mekka, had een nieuwe groep islamitische bekeerlingen trouw aan hem gezworen op een heuvel buiten Mekka die Aqaba heet. Ishaq beschrijft hier in de Sira het belang van deze gebeurtenis:

Sira, p 208: Toen God zijn apostel toestemming gaf om te vechten, bevatte de tweede {eed van trouw bij} Aqaba voorwaarden met betrekking tot oorlog, wat niet in de eerste daad van trouw stond. Nu hebben zij {Mohammeds volgelingen} zich verbonden aan de oorlog tegen alles en iedereen voor God en zijn apostel, terwijl hij hen voor trouwe dienst dus de beloning van het paradijs beloofde.

Het is duidelijk dat de ontluikende religie van Mohammed op dit punt een belangrijke verandering onderging. De geleerde Ishaq wil zijn (moslim) lezers duidelijk op het hart drukken dat de islam tijdens zijn vroege jaren een relatief tolerant geloof was dat "beledigingen zou verdragen en de onwetenden vergeven", maar dat Allah al snel van moslims verwachtte "om tegen alles en iedereen oorlog te voeren voor God en zijn apostel". De Islamitische kalender getuigt van het uiterste belang van de Hijra door het eerste kalenderjaar aan de duiden met die gebeurtenis. Het jaar van de Hijra, 622 na Christus, wordt beschouwd als belangrijker dan het jaar van de geboorte van Mohammed of diens dood of die van de eerste koranische openbaring, dit omdat de islam in de eerste plaats een politiek-militaire onderneming is. Het was pas toen Mohammed Mekka verliet met zijn paramilitaire groep dat de islam zijn juiste politiek-militaire inslag kreeg. De jaren van de islamitische kalender (die maanmaanden gebruikt) zijn aangeduid in het Engels als "AH" of "After Hijra" ["Na Hijra"].


i. De Slag bij Badr

De slag van Badr was de eerste belangrijke opdracht die de profeet uitvoerde. Toen hij zich in Medina vestigde na de Hijra, begon Mohammed met een reeks razzia's (overvallen) op karavanen van de Mekkaanse Quraish-stam op de route naar Syrië.

Volume 5, Boek 59, Vers 287, Verteld door Kab bin Malik: De apostel was naar de karavanen van de Quraish gegaan om hen te verslaan, maar Allah deed hen (dat wil zeggen de moslims) hun vijand onverwacht verslaan (zonder enig voorafgaand incident). Volume 5, Boek 59, Vers 289, Verteld door Ibn Abbas: Op de dag van de slag bij Badr zei de profeet: "O Allah! Ik roep u aan om uw Verbond en Belofte (te vervullen). O Allah! Als het uw Wil is dat niemand u zou moeten aanbidden (geeft u dan de overwinning aan de heidenen)". Toen pakte Abu Bakr hem bij de hand en zei: "Dit is voldoende voor jou". De Profeet kwam naar buiten en zei: "Hun leger zal op de vlucht worden gejaagd en zij zullen hun rug tonen". (54:45)

Toen hij na de slag terugkeerde naar Medina, waarschuwde Mohammed de daar wonende joodse stam van Qaynuqa om te bekeren tot de islam of een soortgelijk lot te krijgen als de Quraish (3:12-13). De Qaynuqa stemden ermee in om Medina te verlaten zolang ze hun eigendommen mochten houden, en dat stond Mohammed toe. Na de verbanning van de Bani Qaynuqa richtte Mohammed zich tot individuen in Medina waarvan hij dacht dat ze verraderlijk hadden gehandeld. De profeet lijkt een bijzonder erge hekel te hebben gehad aan de vele dichters die zijn nieuwe godsdienst en zijn aanspraak op profeetschap belachelijk maakten - een thema dat we vandaag de dag duidelijk zien aan de gewelddadige reacties van moslims op een of andere zogenaamde bespotting van de Islam. Bij het nemen van maatregelen tegen zijn tegenstanders was 'de ideale man' het eeuwige voorbeeld voor de manier waarop moslims moeten omgaan met tegenstanders van hun religie.

Sira, p 367: Toen maakte hij {Kab bin al-Ashraf} liefdesverzen van een beledigende aard over de moslimvrouwen. De apostel zei: "Wie zal mij verlossen van Ibn al-Ashraf?" Mohammed bin Maslama, broer van de Bani Abdul-Ashhal, zei: "Ik zal met hem afrekenen voor u, O Apostel van God, ik zal hem doden". Hij zei: "Doe dat als je kunt". "Het enige dat je taak is, is dat je het zult proberen" {zei de Profeet tegen Mohammed bin Maslama}. Hij zei: "O boodschapper van God, we zullen dan leugens moeten vertellen". Hij {de Profeet} antwoordde: "Zeg wat je wilt, want het staat je vrij voor deze zaak". Volume 4, Boek 52, Vers 270, Verteld door Djabir bin Abdullah: De Profeet zei: "Wie is bereid om Kab bin Al-Ashraf, die Allah en Zijn boodschapper echt heeft gekwetst, te doden?" Mohammed bin Maslama zei: "O Allah's Apostel! Wilt u dat ik hem zal doden?" Hij antwoordde bevestigend. Dus Mohammed bin Maslama ging naar hem (dwz Kab) toe en zei: "Deze persoon (de Profeet) heeft ons een taak gegeven en vroeg onze inzet voor het goede doel". Kab antwoordde: "Bij Allah, je zult hem nog een keer moe worden". Mohammed zei tegen hem: "We hebben hem gevolgd, dus wel zullen hem niet verlaten totdat we het einde van zijn leven zien". Mohammed bin Maslama ging op deze manier door met praten totdat hij de kans kreeg om hem te doden.

Een aanzienlijk deel van de Sira is gewijd aan poëzie samengesteld door volgelingen van Mohammed en zijn vijanden in retorische duels, die duels op het slagveld weerspiegelden. Er lijkt een informele wedstrijd te zijn geweest in jezelf, je stam en je God verheerlijken terwijl je je tegenstander belachelijk maakt op een welbespraakte en onvergetelijke manier. Kab bin Malik, een van de moordenaars van zijn broer, Kab bin al-Ashraf, heeft dit samengesteld:

Sira, p 368: Kab bin Malik zei: Van hen bleef Kab daar uitgestrekt op de grond liggen. (Na zijn val werd {de joodse stam van} al-Nadir vernederd). Met het zwaard in de hand hakten we hem neer. In opdracht van Mohammed toen hij heimelijk bij nacht de broer van Kab naar Kab stuurde. Hij misleidde hem en doodde hem met een list; Mahmud was betrouwbaar en dapper.

ii. De Slag bij Uhud

De Mekkaanse Quraish hergroepeerden zich voor een aanval op de moslims in Medina. Mohammed merkte dat het Mekkaanse leger hem aan zou komen vallen en zette zijn strijdkrachten op een klein heuveltje ten noorden van Medina genaamd Uhud, waar de daaropvolgende veldslag plaatsvond.

Volume 5, Boek 59, Vers 377, Verteld door Jabir bin Abdullah: Op de dag van de slag van Uhud kwam er een man naar de Profeet en zei: "Kunt u me vertellen waar ik naartoe zal gaan als ik martelaar word?" De Profeet antwoordde: "Naar het Paradijs". De man gooide de paar dadels die hij in zijn hand droeg weg, en hij streed door tot hij martelaar werd. Volume 5, Boek 59, Vers 375, Verteld door Al-Bara: toen we de vijand confronteerden, namen ze de benen tot ik hun vrouwen in de richting van de berg zag rennen, die hun kleren optilden van hun benen, en hun enkelbanden lieten zien. De moslims begonnen te zeggen: "De buit, de buit!" Abdullah bin Jubair zei: "De Profeet heeft een vaste belofte van mij gekregen om deze plek niet te verlaten". Maar zijn metgezellen weigerden (te blijven). Dus toen zij weigerden (om daar te blijven), maakte (Allah) hen in de war, zodat zij niet wisten waar ze heen gingen, en zij leden zeventig slachtoffers.

Hoewel Mohammed geen overwinning bij Uhud kreeg, was hij geenszins verslagen. Hij bleef plundertochten maken die een moslim niet alleen deugdzaam maakt in de ogen van Allah, maar die ook winstgevend waren. In een islamitische wereldbeeld is er geen verschil tussen rijkdom, macht en heiligheid. Jawel, als lid van het ware geloof is het logisch dat men ook de materiële genade van Allah moet genieten - zelfs als dat betekent dat je het gaat plunderen van ongelovigen.

Zoals Mohammed de joodse stam van Bani Qaynuqa had geneutraliseerd na Badr, wendde hij zich nu tot de Bani Nadir na Uhud. Volgens de Sira waarschuwde Allah Mohammed over een poging om hem te vermoorden, en de Profeet beval de moslims zich voor te bereiden op oorlog tegen de Bani Nadir. De Bani Nadir beloofden in ballingschap te gaan als Mohammed hen zou toestaan om hun spullen te houden. Mohammed stemde met deze voorwaarden in als ze hun harnassen achterlieten.


iii. De Slag bij Medina

In 627 na Christus werd Mohammed geconfronteerd met de grootste uitdaging voor zijn nieuwe gemeenschap. In dat jaar maakten de Quraish van Mekka hun meest vastberaden aanval op de moslims in Medina zelf. Mohammed vond het niet wijs om hen in een veldslag te bevechten zoals bij Uhud, dus hij zocht beschutting in Medina, omdat die aan drie kanten was beschermd door lavastromen. De Mekkanen zouden uit noordwestelijke richting moeten aanvallen in een vallei tussen de stromen, en daar liet Mohammed een geul graven voor de verdediging van de stad.

Volume 4, Boek 52, Vers 208, Verteld door Anas: Op de dag (van de slag) van de Geul, zeiden de Ansar {nieuwe bekeerlingen tot de islam}: "Wij zijn degenen die aan Mohammed trouw gezworen hebben voor (de eeuwige) jihad zolang we leven". De profeet antwoordde ze: "O Allah! Er is geen leven, behalve het leven in het Hiernamaals. Dus eer de Ansar en emigranten {uit Mekka} met uw vrijgevigheid". En Verteld door Mujashi: Mijn broer en ik kwamen bij de Profeet en ik vroeg hem om onze belofte van trouw te accepteren voor onze migratie. Hij zei: "Migratie is overleden met zijn mensen". Ik vroeg: "Waarvoor zult u dan de belofte van trouw accepteren van ons?" Hij zei: "Ik zal (de belofte) aannemen voor de islam en jihad".

De Mekkanen werden gehinderd door de geul en waren alleen in staat om kleine groepen strijders er overheen te sturen. Na enkele dagen trokken zij zich terug naar Mekka. Na zijn overwinning wendde Mohammed zich tot de derde joodse stam in Medina, de Bani Quraish. Waar de Bani Qaynuqa en Bani Nadir waren verbannen, zou het lot van de Bani Quraish aanzienlijk slechter zijn.

Sira, p 463-4: En zij {de stam van Quraish} gaven zich over, en de apostel sloot hen op in Medina in de wijk van al-Harith, een vrouw van Bani al-Najjar. Toen ging de apostel naar de markt van Medina en groef daar ook geulen in. Daarna liet hij hen halen en sloeg uit hun hoofden af in die loopgraven toen ze in groepjes naar hem werden gebracht. Onder hen was de vijand van Allah, Huyayy bin Akhtab en hun leider Kab bin Asad. Er waren al met al 600 of 700 mensen, hoewel sommigen het zelfs zo hoog schatten als 800 of 900. Toen ze in groepen werden meegenomen naar de apostel vroegen ze Kab wat hij dacht dat er met hen zou gebeuren. Hij antwoordde: "Zal je het nooit begrijpen? Zie je niet dat de omroeper nooit stopt en zij die weg zijn genomen niet terug komen? Bij Allah, het is de dood!" Dit ging door tot de apostel een einde maakte aan hen.

Zo vinden we het duidelijke voorbeeld dat uitlegt waarom moslimterroristen zo'n eigenaardige voorliefde hebben om hun slachtoffers te onthoofden: het is slechts nog zo'n voorbeeld geschonken door hun profeet.

Na nog een inval van de moslims, dit keer op een plaats genaamd Khaibar, "werden de vrouwen van Khaibar verdeeld onder de moslims", zoals de gebruikelijke praktijk was (Sira, p 511). De inval bij Khaibar was tegen de Bani Nadir geweest, die Mohammed eerder had verbannen uit Medina.

Sira, p 515: Kinana bin al-Rabi, die de schatbewaarder van Bani al-Nadir was, werd bij de apostel geroepen, die hem vroeg waar de schat was. Hij ontkende dat hij wist waar het was. Een jood kwam naar de apostel en zei dat hij Kinana elke ochtend vroeg had gezien bij een zekere ruïne. Toen de apostel tegen Kinana zei, "weet je dat als we uitvinden dat je [de schat] hebt, ik je zal vermoorden?" zei hij, ja. De apostel gaf het bevel om de ruïne uit te graven en een deel van de schat werd gevonden. Toen hij hem vroeg over de rest weigerde hij om het te geven, waardoor de apostel het bevel gaf aan al-Zubayr bin al-Awwam: "Martel hem totdat je uitvindt wat hij heeft", en zo ontstak die een vuur met vuursteen en staal op zijn borst totdat hij bijna dood was. Toen leverde de Apostel hem af bij Mohammed bin Maslama en die sloeg hem het hoofd af, uit wraak voor zijn broer Mahmud.

iv. De Verovering van Mekka

De grootste overwinning van Mohammed kwam in 632 na Christus, tien jaar nadat hij en zijn volgelingen waren gedwongen om te vluchten naar Medina. In dat jaar verzamelde hij een legermacht van zo'n tienduizend moslims en aanverwante stammen en viel Mekka aan. "De apostel had zijn commandanten opdracht gegeven om als zij in Mekka waren alleen te vechten tegen degenen die zich verzetten, met uitzondering van een klein aantal dat gedood moesten worden zelfs als ze werden gevonden onder de gordijnen van de Kaba" (Sira, p 550).

Volume 3, Boek 29, Vers 72, Verteld door Anas bin Malik: Allah's apostel kwam in het jaar van de verovering Mekka binnen met een Arabische helm op zijn hoofd, en toen de Profeet die af nam, kwam er een persoon naar hem toe en zei: "Ibn Khataal houdt de kleden van de Kaba vast (hij zocht toevlucht in de Kaba)". De Profeet zei: "Dood hem".

Na de verovering van Mekka schetste Mohammed de toekomst van zijn religie.

Volume 4, Boek 52, Vers 177, Verteld door Aboe Hoeraira: Allah's apostel zei: "Het Uur {van het Laatste Oordeel} zal niet komen totdat je de joden bevecht, en de steen waarachter een jood zich verstopt zal zeggen. 'O moslim! Een jood verstopt zich achter mij, dus dood hem'."

Volume 1, Boek 2, Vers 24, Verteld door Ibn 'Umar: Allah's apostel zei: "Mij is opgedragen (door Allah) om te vechten tegen de mensen totdat zij toegeven dat niemand anders het recht heeft om aanbeden te worden dan Allah, en dat Mohammed Allah's apostel is, en tot ze de gebeden perfect kunnen zeggen en de verplichte zakat geven, dus als ze dat uitvoeren, dan kunnen ze hun leven en eigendommen redden van mij onder de islamitische wetten, en vervolgens zal hun afrekening (Oordeel) worden gedaan door Allah".

Het is wegens zulke oorlogszuchtige uitspraken als deze dat islamitische geleerden de wereld verdelen in Dar al-Islam (het Huis van de Islam, dat wil zeggen, die naties die zich hebben onderworpen aan Allah) en Dar al-Harb (het Huis van Oorlog, dat wil zeggen, degenen die dat nog niet hebben gedaan). Het is deze deling waaruit de wereld bestond in de tijd van Mohammed, en waaronder het tegenwoordig nog leeft. Toen en nu is de boodschap van de islam aan de ongelovige wereld hetzelfde: onderwerpen of veroverd worden.


d. De Sharia - islamitische wet

In tegenstelling tot veel religies heeft de islam een verplicht en zeer specifiek juridisch en politiek plan voor de samenleving, genaamd de sharia, wat ongeveer vertaald wordt als 'weg' of 'pad'. De voorschriften van de sharia zijn afgeleid van de geboden van de Koran en de Sunnah (de leer en de voorbeelden van Mohammed zoals gevonden in de betrouwbare Hadith en de Sira). Samen vormen de Koran en de Sunnah de doctrine van de sharia, namelijk de bouwtekening voor een goede islamitische samenleving. Omdat de sharia afkomstig is van de Koran en de Sunnah is hij niet optioneel. Sharia is de wettelijke code die Allah voorgeschreven heeft voor de gehele mensheid. De sharia te schenden of zijn gezag niet te aanvaarden is in opstand komen tegen Allah, en Allah's gelovigen zijn verplicht om dat te bestrijden.

Er is geen scheiding tussen het religieuze en het politieke in de islam; maar de islam en de sharia vormen een begrijpelijke methode om de maatschappij op elk niveau te organiseren. Hoewel het in theorie mogelijk is dat een islamitische samenleving verschillende uiterlijke vormen kan hebben - een gekozen overheidssysteem, een erfelijke monarchie, enz - is, ongeacht de uiterlijke structuur van de overheid, de sharia de voorgeschreven inhoud. Het is hierom dat de sharia in conflict is met alle vormen van overheid die niet zijn gebaseerd op de Koran en de Sunnah.

De voorschriften van de sharia kunnen worden verdeeld in twee delen:

  1. Daden van aanbidding (al-ibadat), bestaande uit:

  2. Menselijke interactie (al-muamalat), bestaande uit:

Zoals men kan zien zijn er weinig aspecten van het leven waarop de sharia niet specifiek van toepassing is. Alles van je handen wassen tot opvoeding en belasting tot aan militair beleid toe valt onder de dictaten. Omdat de sharia afgeleid is van de Koran en de Sunnah is er enige ruimte voor interpretatie. Maar na bestudering van de islamitische bronnen (zie hierboven), is het duidelijk dat een daadwerkelijke toepassing van de sharia er heel anders uit zal zien dan iets dat in de Westerse zin ook maar lijkt op een vrije of open samenleving. De norm zal de steniging zijn van overspeligen, de executie van afvalligen en godslasteraars, onderdrukking van andere religies, en een verplichte vijandigheid tegenover niet-islamitische landen gekenmerkt door regelmatige oorlogvoering. Het lijkt daarom juist om de islam en de sharia-code dan te classificeren als een vorm van totalitarisme.


2. Jihad en Dhimmitude

a. Wat betekent 'jihad'?

Jihad betekent letterlijk 'strijd'. Moslimapologeten wijzen er vaak op dat jihad strikt genomen niet 'heilige oorlog' betekent. Maar de vraag blijft wat voor soort 'strijd' wordt bedoeld: een innerlijke, geestelijke strijd tegen de lusten, of een uiterlijke, fysieke strijd.

Zoals altijd als men de islamitische leer over een bijzonder onderwerp probeert te zoeken, moet men kijken naar de Koran en de Sunnah. Uit deze bronnen (zie hierboven) is het duidelijk dat een moslim verplicht is om tegen een verscheidenheid van dingen te strijden: luiheid in het gebed, het nalaten om zakat te geven (aalmoezen), enz. Maar het is ook duidelijk dat een moslim wordt opgedragen om ook de fysieke strijd tegen de ongelovigen te vechten. De indrukwekkende militaire carrière van Mohammed getuigt van de centrale rol die militaire actie speelt in de islam.


b. Hasan Al-Banna over jihad

Hieronder vindt u fragmenten uit Hasan Al-Banna's werk Jihad. In 1928 richtte Al-Banna de Moslimbroederschap op, die vandaag de dag de meest machtige organisatie in Egypte is na de overheid zelf. In deze verhandeling pleit Al-Banna duidelijk dat moslims de wapens op moeten pakken tegen de ongelovigen. Zoals hij zegt: "De verzen van de Koran en de Sunnah roepen mensen in het algemeen (met de meest welsprekende uitdrukking en de duidelijkste uitleg) op tot jihad, tot oorlog, om bij de strijdkrachten te gaan en alle vormen van land- en zeegevechten".

Alle moslims moeten meedoen aan jihad

Jihad is een verplichting van Allah voor elke moslim en kan niet worden genegeerd of ontweken. Allah heeft veel belang toegeschreven aan de jihad en heeft de beloning van de martelaren en de strijders van Zijn wegen prachtig gemaakt. Alleen zij die zo hebben gehandeld en die een voorbeeld hebben genomen aan de martelaren in de jihad kunnen met hen deze beloningen delen. Bovendien heeft Allah speciaal de mujahedin {degenen die jihad voeren} gezegend met bepaalde uitzonderlijke kwaliteiten, zowel geestelijk als praktisch, om hen ten goede te komen in deze wereld en het hiernamaals. Hun zuivere bloed is een symbool van de overwinning in deze wereld en het kenmerk van succes en geluk in het hiernamaals.

Maar degenen die alleen uitvluchten zoeken zijn gewaarschuwd voor extreem vreselijke straffen en Allah heeft hen met de meest ongelukkige namen beschreven. Hij heeft hen berispt voor hun lafheid en gebrek aan wilskracht, en haat hen voor hun zwakheid en afwezigheid. In deze wereld worden ze omringd door schande en in de dood zullen zij worden omringd door een vuur waar zij niet aan zullen ontkomen, al bezitten ze veel rijkdom. De zwakte van weigering en ontduiking van de jihad worden door Allah beschouwd als een van de grote zonden, en een van de zeven zonden die falen garanderen.

De islam houdt zich bezig met de kwestie van jihad en het inlijven en mobiliseren van de gehele ummah {de wereldwijde moslimgemeenschap} in één leger om de goede zaak te verdedigen met al zijn kracht, in plaats van alle andere oude of moderne systemen van leven toe te laten, religieus of burgerlijk. De verzen van de Koran en de Sunnah van Mohammed (VZMH {vrede zij met hem}) staan vol met al die nobele idealen en ze roepen mensen in het algemeen (met de meest welsprekende uitdrukking en de duidelijkste uitleg) op tot jihad, tot oorlog, om bij de strijdkrachten te gaan en alle vormen van land- en zeegevechten.

Hier biedt Al-Banna citaten uit de Koran en de betrouwbare Hadith die de noodzaak van de strijd voor de moslims aantonen. De citaten zijn vergelijkbaar met die die zijn opgenomen in "Islam 101" paragraaf 1b hierboven, en worden hier niet herhaald.

De Geleerden over Jihad

Ik heb zojuist enkele verzen uit de Koran en de nobele Hadith aan u gepresenteerd over het belang van de jihad. Nu wil ik een aantal adviezen aan u presenteren uit de jurisprudentie van de islamitische stromingen, waaronder een aantal hedendaagse autoriteiten, met betrekking tot de regels van de jihad en de noodzaak van paraatheid. Hieruit zullen we opmaken hoe ver de ummah is afgeweken van de gebruiken van de islam, zoals te zien is aan de consensus van de geleerden over de kwestie van de jihad.

De auteur van de Majma, al-Anhar fi Sharh Multaqal-Abhar, zei in zijn beschrijving van de regels van de jihad volgens de Hanafi school: "Jihad betekent taalkundig om je uiterste best te doen in woord en daad; in de Sharee'ah {sharia - de islamitische wet} betekent het de strijd tegen de ongelovigen, en het gaat om alle mogelijke inspanningen die nodig zijn om de macht van de vijanden van de islam te breken, waaronder ze te verslaan, hun rijkdom te plunderen, hun gebedshuizen te vernietigen en hun afgoden te breken. Dit betekent dat jihad ten uiterste streven is om de macht van de islam te verzekeren, bijvoorbeeld door het bestrijden van degenen die tegen u strijden, en van de dhimmis {niet-moslims die leven onder islamitische heerschappij} (als ze een van de voorwaarden van het vredesverdrag schenden) en van de afvalligen (die zijn de ergste van de ongelovigen, want zij geloofden niet meer nadat ze hun geloof hadden bevestigd).

Het is fard (verplicht) voor ons om te vechten tegen deze vijanden. De imam moet ten minste één of twee keer per jaar een militaire expeditie naar de Dar-al-Harb sturen {Huis van Oorlog - de niet-islamitische wereld}, en de mensen moeten hem steunen. Als sommige van de mensen voldoen aan de verplichting, worden de resterende mensen vrijgesteld van de verplichting. Als er niet aan deze fard kifayah (gemeenschappelijke verplichting) kan worden voldaan door die groep, dan ligt de verantwoordelijkheid bij de dichtstbijzijnde aangrenzende groep, en vervolgens de dichtstbijzijnde daarna enz., en als de fard kifayah niet vervuld kan worden behalve door alle mensen, het dan wordt een fard 'ayn (individuele verplichting), zoals dat iedereen verplicht is tot het gebed.

De wetenschappelijke mensen zijn het unaniem eens over dit onderwerp, zoals moet blijken, en dit is ongeacht of deze geleerden Mujtahideen of Muqalideen waren, en het is ongeacht of deze geleerden salaf (vroeg) of khalaf (laat) waren. Ze zijn het allemaal unaniem eens dat jihad een fard kifayah is, opgelegd aan de islamitische ummah, om de da'wah van de islam te verspreiden, en dat jihad een fard 'ayn is als een vijand moslimlanden aanvalt. Vandaag de dag, mijn broeder, zijn de moslims zoals u weet gedwongen om dienstbaar te zijn aan anderen en worden geregeerd door ongelovigen. Ons land is belegerd, en onze hurruma'at (persoonlijke bezittingen, respect, eer, waardigheid en privacy) geschonden. Onze vijanden hebben de macht over onze zaken, en de rituelen van onze din zijn onder hun bevoegdheid gevallen. En toch slagen de moslims er niet in om de verantwoordelijkheid van da'wah die op hun schouders ligt te vervullen. Vandaar dat het in deze situatie de plicht van elke moslim wordt om jihad te voeren. Hij moet zich mentaal en fysiek voorbereiden zodat wanneer de beslissing van Allah komt, hij klaar zal zijn.

Ik zou deze discussie niet af moeten ronden zonder aan u te vermelden dat de moslims, gedurende elke periode van hun geschiedenis (tot aan de huidige periode van onderdrukking waarin hun waardigheid verloren is gegaan) nooit de jihad hebben verlaten, noch zijn zij ooit nalatig geworden in hun prestaties, zelfs niet hun religieuze autoriteiten, mystici, ambachtslieden, enz. Ze waren allemaal altijd klaar en voorbereid. Abdullah ibn al Mubarak, bijvoorbeeld, was een zeer geleerd en vroom man, een vrijwilliger in de jihad voor het grootste deel van zijn leven, en Abdulwahid bin Zaid, een soefi en een vrome man, was hetzelfde. En in zijn tijd heeft Shaqiq al Balkhi, de sjeik van de sufi's, zijn leerlingen aangemoedigd in de richting van jihad.

Verwante onderwerpen betreffende jihad

Veel moslims denken vandaag de dag ten onrechte dat het bestrijden van een vijand jihad asghar (een mindere jihad) is en dat de strijd tegen het ego jihad akbar is (een grotere jihad). De volgende overlevering [Athar] wordt geciteerd als bewijs: "We zijn teruggekeerd van de kleine jihad te beginnen aan de grote jihad". Zij zeiden: "Wat is de grotere jihad?" Hij zei: "De jihad van het hart, of de jihad tegen je ego".

Deze vertelling wordt door sommigen gebruikt om het belang van gevechten teniet te doen, om alle voorbereidingen voor de strijd te ontmoedigen, en om enig aanbod van jihad in opdracht van Allah af te schrikken. Deze vertelling is geen sahih (betrouwbare traditie): De prominente Muhaddith Al Hafiz ibn Hajar al-Asqalani zei in de Tasdid al-Qaws:

Het is algemeen bekend en vaak herhaald, en was een gezegde van Ibrahim ibn' Abla.

Al Hafiz Al Iraqi zegt in de Takhrij Ahadith al-Ahya':

Al Bayhaqi heeft het doorgegeven via [onbetrouwbare bronnen over de autoriteit] van Jabir, en Al Khatib heeft dit geschreven in zijn geschiedenis van de autoriteit van Jabir.

Niettemin, zelfs als het een betrouwbare traditie is, zou het nooit rechtvaardigen om de jihad te verlaten, of de voorbereiding ervan om het grondgebied van de moslims te redden en te verdedigen tegen de aanvallen van de ongelovigen. Laat het bekend zijn dat dit verhaal gewoon de nadruk legt op het belang van de strijd tegen iemands ego zodat Allah het enige doel zal zijn in al ons handelen.

Andere bijbehorende kwesties met betrekking tot de jihad zijn gebieden van het goede en het verbieden van het kwade. Er wordt gezegd in de Hadith: "Een van de grootste vormen van jihad is een woord van waarheid uit te spreken in de aanwezigheid van een tirannieke heerser". Maar niets te vergelijken met de eer van de shahada kubra (het hoogste martelaarschap), of de beloning die wacht op de mujahedin.


Epiloog

Mijn broeders! De ummah die weet hoe een nobele en eervolle dood te sterven krijgt een verheven leven in deze wereld en het eeuwige geluk in het hiernamaals. Verval en schande zijn de resultaten van deze wereld lief te hebben en de angst voor de dood. Daarom, bereidt u voor op de jihad en neem de dood voor lief. Het leven zelf zal u komen opzoeken.

Mijn broeders, u moet weten dat u op een dag de dood onder ogen zult zien en deze onheilspellende gebeurtenis kan slechts éénmaal voorkomen. Als u lijdt onder deze actie voor Allah, zal het in uw voordeel zijn in deze wereld en uw beloning in het hiernamaals. En vergeet niet, broeder, dat er niets kan gebeuren zonder de Wil van Allah: bedenkt goed wat Allah, de Gezegende, de Almachtige, heeft gezegd:

Toen, na de strijd, gaf Hij u veiligheid. Een van uw troepen viel in slaap, terwijl een andere partij alleen zat te denken aan zichzelf (over hoe zichzelf te redden, de anderen en de Profeet te negeren) en kwaad dacht van Allah - de gedachte van onwetendheid. Zij zeiden: "Gaat ons dit wel aan?" Zeg, (O Mohammed): "Deze zaak behoort inderdaad geheel aan Allah". Ze verbergen in zichzelf wat ze niet aan u durven te openbaren, en zeggen: "Als we iets te maken hadden met deze zaak, zou niemand van ons hier zijn gedood". Zeg: "Zelfs als u in uw huizen was gebleven, zouden degenen die voorbestemd waren te sterven zeker naar de plaats van hun dood zijn gegaan: maar laat Allah beproeven wat in uw hart is, en zuiveren wat in uw hart is (zonden), want Allah is Alwetend over wat er in (uw) hart is. {Sura 3:154}

c. Dar al-Islam en Dar al-Harb: het Huis van de Islam en het Huis van Oorlog

De gewelddadige bevelen van de Koran en de gewelddadige voorbeelden van Mohammed hebben de toon gezet voor de islamitische visie van politiek en van wereldgeschiedenis. Islamitische wetenschap verdeelt de wereld in twee invloedssferen, het Huis van de Islam (Dar al-Islam) en het Huis van Oorlog (Dar al-Harb). Islam betekent onderwerping, en dus omvat het Huis van de Islam die landen onder islamitische overheersing, dat wil zeggen die landen die geregeerd worden met de sharia-wetgeving. De rest van de wereld, die de sharia niet heeft aanvaard en dus niet in een staat van onderwerping is, leeft in een staat van rebellie of oorlog tegen de wil van Allah. Het is de taak van Dar al-Islam om oorlog te voeren tegen Dar al-Harb tot het moment dat alle naties onderworpen zijn aan de wil van Allah en de sharia accepteren. De boodschap van de islam aan de niet-islamitische wereld is nu hetzelfde als het was in de tijd van Mohammed en door de geschiedenis heen: onderwerpen of worden veroverd. De enige keren sinds Mohammeds tijd dat Dar al-Islam niet actief in oorlog was met Dar al-Harb waren toen de islamitische wereld te zwak of verdeeld was om effectief oorlog te voeren.

Maar de pauzes in de voortdurende oorlog die het Huis van de Islam heeft verklaard aan het Huis van Oorlog geven niet aan dat zij de jihad in principe opgeven, maar geven aan dat ze andere strategische factoren gaan gebruiken. Het is aanvaardbaar dat islamitische landen een hudna of wapenstilstand verklaren op momenten dat de ongelovige volken zo krachtig zijn dat een open oorlog niet zinvol is. Jihad is geen collectief zelfmoordpact, zelfs hoewel "doden en gedood" wordt aangemoedigd op individueel niveau (Sura 9:111). In de afgelopen paar honderd jaar is de islamitische wereld politiek te gefragmenteerd en technologisch te inferieur om een grote bedreiging voor het Westen vormen. Maar dat is aan het veranderen.


i. [1.5] Al-taqiyya - Religieuze/politieke misleiding [1]

Als gevolg van de staat van oorlog tussen Dar al-Islam en Dar al-Harb moet het systematisch liegen tegen de ongelovige worden beschouwd als een onderdeel van islamitische tactiek. Dat islamitische organisaties in heel Dar al-Harb napraten dat "de islam een religie van vrede is", of dat de oorsprong van het islamitische geweld ligt in de onevenwichtige psyche van bepaalde individuele 'fanatici', moet worden beschouwd als misleiding bedoeld om te zorgen dat de ongelovige wereld niet meer op zijn hoede is. Natuurlijk zullen sommige moslims hun religie echt zien als 'vreedzaam', maar alleen in de zin dat zij de echte doctrine niet kennen, of in de zin van de Egyptische theoreticus Sayyid Qutb, die zei in zijn boek Al-Salam al-'Alami wa'l-Islam [Islam en Universele Vrede] dat er ware vrede zou heersen in de wereld zodra de islam die had veroverd.

Een sprekend punt is dat hoewel er in heel Dar al-Harb moslims te over zijn die hun religie presenteren als vreedzaam, die er bijna niet zijn in Dar al-Islam. Een ex-moslim heeft mij eens voorgesteld om een proefje te doen voor Westerlingen die geloven dat de islam een religie van 'vrede' en 'tolerantie' is: proberen om dat punt te verkondigen op een straathoek in Ramallah, of Riyadh, of Islamabad, of waar dan ook in de islamitische wereld. Hij verzekerde me dat je nog geen vijf minuten zou blijven leven.

{Een} probleem wat betreft de openbare orde {met betrekking tot moslims in Dar al-Harb} komt voort uit een oud islamitisch rechtsprincipe - dat van taqiyya, wat een woord is dat oorspronkelijk 'trouw blijven' betekent, maar in feite 'veinzerij' betekent. Het heeft volledige autoriteit volgens de Koran (3:28 en 16:106) en laat de moslim naar buiten toe voldoen aan de eisen van de niet-islamitische regering, terwijl zij innerlijk 'trouw blijven' en alles doen wat zij zich voorstellen dat goed is vanuit de islam, en wachten tot het tij zal keren. (Hiskett, Some to Mecca Turn to Pray, 101.) Volume 4, Boek 52, Vers 269, Verteld door Jabir bin 'Abdullah: De Profeet zei: "Oorlog is bedrog".

Historisch gezien zijn voorbeelden van al-taqiyya de toestemming om zelfs afstand te doen van de islam om je leven te redden of jezelf geliefd maken bij een vijand. Het is niet moeilijk om te zien dat de implicaties van taqiyya uiterst verraderlijk zijn: in wezen maakt dit alle onderhandelde overeenkomsten - en eigenlijk alle waarheidsgetrouwe communicatie tussen Dar al-Islam en Dar al-Harb - onmogelijk. Het is echter niet verwonderlijk dat in een oorlog een van beide partijen de andere moet proberen te misleiden over haar middelen en bedoelingen. Hugh Fitzgerald van Jihad Watch bespreekt taqiyya en kitman, een verwante vorm van misleiding.

'Taqiyya' is de religieuze voorgeschreven leer die zijn oorsprong in sji'itische islam heeft, maar nu ook beoefend wordt door niet-sji'iten, en die zegt dat men opzettelijk mag liegen over religieuze zaken om de islam en de gelovigen te beschermen. Een verwante term, van bredere toepassing, is 'kitman', dat wordt gedefinieerd als 'mentale terughoudendheid'. Een voorbeeld van 'taqiyya' zou zijn dat een moslimapologeet erop aandringt dat er "natuurlijk" vrijheid van geweten in de islam is, en dan een koranvers citeert - "Er mag geen dwang zijn in de godsdienst" {2:256}. Maar die indruk die ze geven is vals, want ze zeggen niets over de islamitische doctrine van abrogatie (intrekking) of naskh[. Dit proces is dat] een vroeg vers zoals die over "geen dwang in de religie" ongeldig wordt door een latere herziening en veel meer intolerant en kwaadaardige verzen [want in de islam tellen alleen de meest recente verzen, en als die de vroegere tegenspreken gelden die eerste niet meer]. In ieder geval laat de geschiedenis zien dat er binnen de islam wel "dwang in religie" is, en er altijd is geweest voor moslims én voor niet-moslims. 'Kitman' ligt dicht bij 'taqiyya', maar in plaats van regelrechte veinzerij vertelt men bij kitman slechts een deel van de waarheid, en de "mentale terughoudendheid" rechtvaardigt het weglaten van de rest. Een voorbeeld zal het verhelderen. Wanneer een moslim beweert dat 'jihad' werkelijk "een geestelijke strijd" betekent, en er niet bij zegt dat deze interpretatie nog maar pas is toegepast op de islam (hij is iets meer dan een eeuw oud), dan misleidt hij door de waarheid maar half te vertellen, en beoefent zo 'kitman'. Hij beoefent nog verdere kitman als hij dan, ter ondersteuning van deze twijfelachtige stelling, de Hadith citeert waarin Mohammed bij terugkomst na een van zijn vele veldslagen gezegd zou hebben (zoals we weten via een keten van doorvertellers, ofwel isnad), dat hij terug was gekomen van "de kleine jihad naar de grote jihad", en [de moslim na dit citaat] niet toevoegt wat hij weet dat waar is, namelijk dat dit een 'zwakke' Hadith is, die door de meest gerespecteerde muhaddithin gezien wordt als van twijfelachtige authenticiteit.

In tijden dat de Dar al-Harb erg krachtig is, is het noodzakelijk dat de jihad een indirecte aanpak toepast, en dan is de natuurlijke houding van een moslim tegenover de ongelovige wereld bedrog en terughoudendheid. Het zou strategisch idioot zijn om eerlijk te zeggen dat het uiteindelijke doel van Dar al-Islam is om Dar al-Harb te veroveren en plunderen, als men toch deze de militaire troeven bezit. Gelukkig voor de jihadisten begrijpen de meeste ongelovigen niet hoe men de Koran moet lezen, noch hebben zij moeite gedaan om uit te vinden wat Mohammed eigenlijk deed en onderwees, wat het gemakkelijk maakt om met selectieve citaten en terughoudendheid de indruk te wekken dat 'de islam een religie van vrede is'. Elke ongelovige die wil geloven aan een dergelijke fictie zal blij volharden in zijn vergissing als hij een paar vreedzame Mekkaanse verzen te horen krijgt en verteld wordt dat Mohammed een man van grote vroomheid en liefdadigheid was. Maar om die leugens te verdrijven hoef je maar een beetje dieper te graven.


ii. Hoe al-taqiyya een centraal onderdeel is van de islamisering van Europa

Het volgende artikel zal aantonen dat het concept van 'al-taqiyya' een integraal onderdeel is van de islam, en NIET een sji'itisch verzinsel. Ik moest de analyse aanzienlijk inkorten. Voor meer materiaal kunt u de bronnen raadplegen.

Het woord 'al-taqiyya' betekent letterlijk: "het verbergen of verhullen van iemands geloof, overtuigingen, ideeën, gevoelens, mening en/of strategieën in een huidige of toekomstige tijd van nadrukkelijk gevaar, om zich te redden van fysiek en/of geestelijk letsel". Een korte vertaling zou zijn 'veinzerij'.

Het verwerpen van 'al-taqiyya' is het verwerpen van de Koran, zoals dezen bronnen aantonen:


Bron 1:
-----------
In zijn boek Al-Durr al-Manthoor Fi al-Tafsir al-Ma'athoor vertelt Jalal al-Din al-Suyuti over het advies van Ibn Abbas, die volgens de soennieten de meest bekende en vertrouwde verteller van de traditie is[. Abbas bespreekt] al-taqiyya in het vers: "Laat de gelovigen geen vrienden of helpers hebben onder de ongelovigen in plaats van de gelovigen: als er een paar dat doen zullen (zij) geen relatie meer hebben met Allah, behalve als ze voorzorg toepassen ('tat-taqooh'), opdat ze zichzelf beschermen ('tooqatan') tegen hen" [03:28]. Ibn Abbas zei:

Al-taqiyya is met de tong alleen, en hij die wordt gedwongen om iets te zeggen wat Allah boos maakt, maar in zijn hart standvastig is (dat wil zeggen, zijn ware geloof is niet beschadigd), dan zal het hem helemaal niet schaden (dat te zeggen wat hij gedwongen wordt om zeggen), (omdat) al-taqiyya met de tong alleen is, (niet het hart).

OPMERKING 1: De twee woorden 'tat-taqooh' en 'tooqatan', zoals vermeld in de Arabische Koran, stammen beiden van hetzelfde woord af als 'al-taqiyya'.

OPMERKING 2: Het "hart", zoals hierboven en in latere teksten genoemd, verwijst naar het centrum van het geloof in het leven van een individu. Het wordt vele malen genoemd in de Koran.


Bron 2:
-----------
Ibn Abbas gaf ook commentaar op het bovenstaande vers, zoals verteld door Sunan al-Bayhaqi en Mustadrak al-Hakim, door te zeggen:

Al-taqiyya is de bewoording van de tong, terwijl het hart standvastig is in het geloof.

OPMERKING: Dit betekent dat de tong in tijden van nood alles mag zeggen, zolang het hart niet wordt beïnvloed, en de moslims nog steeds standvastig gelooft.


Bron 3:
-----------
Abu Bakr al-Razi heeft in zijn boek Ahkam al-Quran Volume 2, p 10, uitleg gegeven over het eerder genoemde vers "behalve als ze voorzorg toepassen ('tat-taqooh'), opdat ze zichzelf beschermen ('tooqatan') tegen hen" [03:28], door te bevestigen dat al-taqiyya dient te worden gebruikt wanneer men moet vrezen voor zijn leven of veiligheid. Daarnaast heeft hij verteld dat Qutadah over het bovenstaande vers heeft gezegd:

Het is toegestaan om woorden van ongeloof te spreken wanneer al-taqiyya noodzakelijk is.

Bron 4:
-----------
Het is overgeleverd door Abd al-Razak, Ibn Sa'ad, Ibn Jarir, Ibn Abi Hatim, Ibn Mardawayh, en door al-Bayhaqi in zijn boek al-Dala-il, en het werd gecorrigeerd door al-Hakim in zijn boek al-Mustadrak dat:

de niet-gelovigen Ammar Ibn Yasser arresteerden en (hem martelden totdat) hij belastende woorden uitsprak over Mohammed, en hun goden (afgoden) prees, en toen ze hem vrijlieten, ging hij meteen naar de Profeet. De Profeet zei: "Wat scheelt eraan?". Ammar Ibn Yasser zei: "Slecht (nieuws)! Ze wouden me niet loslaten totdat ik u belasterd en hun goden geprezen had". De Profeet zei: "Hoe voelt het in uw hart?". Ammar antwoordde: "Standvastig in mijn geloof". Dus zei de Profeet: "Als ze terugkomen om u te halen, doe dan hetzelfde nog eens". Allah openbaarde op dat moment het vers: "... behalve onder dwang, wanneer zijn hart nog vast gelooft..." [16:106]

OPMERKING: Het volledige vers dat deels werd geciteerd als onderdeel van het bovenstaande voorbeeld is: "Eenieder die na aanvaarding van het geloof in Allah zijn ongeloof uitspreekt, behalve onder dwang, wanneer zijn hart nog vast gelooft - maar die die hun hart openstellen voor ongeloof - op hen richt Allah zijn toorn, en er zal voor hen een vreselijke straf zijn [16:106]".


Bron 5:
-----------
Het is overgeleverd door Sunan al-Bayhaqi dat Ibn Abbas het bovenstaande vers "Eenieder die na aanvaarding van het geloof in Allah zijn ongeloof uitspreekt .... [16:106]" verklaarde door te zeggen:

De betekenis die Allah wil overbrengen, is dat hij die ongeloof uitspreekt nadat hij geloofde, de toorn van Allah en een strenge straf zal verdienen. Maar degenen die zijn gedwongen, en als zodanig om aan vervolging te ontsnappen iets met hun tong hebben uitgesproken wat ze niet voelen in hun hart, die hebben niets te vrezen, want Allah houdt Zijn dienaren verantwoordelijk voor datgene wat ze in hun hart hebben.

Bron 6:
-----------
Een andere verklaring van het bovenstaande vers wordt geleverd door Jalal al-Din al-Suyuti in zijn boek al-Durr al-Manthoor Fi al-Tafsir al-Ma-Athoor Volume 2, p 178. Hij zegt:

Ibn Abi Shaybah, Ibn Jarir, Ibn Munzir, en Ibn Abi Hatim hebben overgeleverd op gezag van Mujtahid [een priester] dat dit vers werd geopenbaard met betrekking tot de volgende gebeurtenis: Een groep mensen uit Mekka aanvaardden de islam en beleden hun geloof; vervolgens schreven Mohammeds metgezellen in Medina een verzoek dat ze zouden emigreren naar Medina, want als ze dat niet deden, zouden zij niet worden beschouwd als degenen die behoren tot de gelovigen. Gehoorzaam verliet de groep Mekka, maar ze werden al snel aangevallen door de niet-gelovigen (de ongelovigen) vóór ze hun bestemming bereikten, en ze werden gedwongen tot ongeloof, en zij beleden dit. Daarop volgens werd het vers "... behalve onder dwang, wanneer zijn hart nog vast gelooft [16:106]" geopenbaard.

Bron 7:
-----------
Ibn Sa'ad vertelt in zijn boek Al-Tabaqat al-Kubra in opdracht van Ibn Sirin: De profeet zag Ammar Ibn Yasser huilen, dus veegde hij zijn (RA) tranen weg, en zei: "De niet-gelovigen hebben je gearresteerd en ondergedompeld in water totdat je zus en zo zei (dat wil zeggen, kwaad spreken van de profeet en de heidense goden prijzen om aan vervolging te ontsnappen); als ze terugkomen, doe dat dan gerust nog eens".

Bron 8:
-----------
Het is overgeleverd in al-Sirah al-Halabiyyah, Volume 3, p 61, dat:

Na de verovering van de stad Khaibar door de moslims, werd de profeet benaderd door Hajaj Ibn `Aalat en zei: "O Profeet van Allah: Ik heb in Mekka wat rijkdommen over en enkele familieleden, en ik wil ze graag terug hebben; ben ik verontschuldigd, als ik kwaad spreek van u (om aan vervolging te ontsnappen)?" De Profeet verontschuldigde hem en zei: "Zeg wat je moet zeggen".

Bron 9:
-----------
Het is overgeleverd door al-Ghazzali in zijn boek Ihya` Uloom al-Din dat:

Bescherming van het leven van een moslim een voorgeschreven verplichting is die moet worden nageleefd, en liegen is toegestaan wanneer het bloed van een moslim op het spel staat.

Bron 10:
-----------
Jalal al-Din al-Suyuti bevestigt in zijn boek al-Ashbah Wa al-Naza'ir dat:

Het (voor een moslim) aanvaardbaar is om het vlees van een dood dier te eten in een tijd van grote honger (honger in zo'n mate dat zijn maag is ontdaan van alle voedsel), en om een hap van het eten (uit angst voor verstikking tot de dood) weg te spoelen met alcohol, en woorden van ongeloof te uiten; en als men leeft in een omgeving waar het kwaad en corruptie de alomtegenwoordige norm zijn, en toegestane dingen (Halal) de uitzondering en zeldzaam zijn, dan kan men gebruik maken van alles wat ter beschikking is om zijn behoeften te vervullen.

OPMERKING: De verwijzing naar de consumptie van een dood dier is bedoeld om te illustreren dat zelfs verboden dingen toegestaan worden in tijden van nood.


Bron 11:
-----------
Jalal al-Din al-Suyuti vertelt in zijn boek al-Durr al-Manthoor Fi al-Tafsir al-Ma'athoor v2, p176, het volgende:

Abd Ibn Hameed zei, op gezag van al-Hassan, dat "al-taqiyya toelaatbaar is tot de Dag des Oordeels".

Bron 12:
-----------
Overgeleverd in Sahih al-Bukhari, Volume 7, p 102, dat Abu al-Darda zei:

(Want) we glimlachen naar sommige mensen, terwijl onze harten (die zelfde mensen) vervloeken.

Bron 13:
-----------
Overgeleverd in Sahih al-Bukhari, Volume 7, p 81, dat de Profeet zei:

"O Aisha, de slechtste mensen in de ogen van Allah zijn zij die vermeden worden door anderen als gevolg van hun extreme lompheid"

OPMERKING: De betekenis hier is dat het is toegestaan om bedrog te gebruiken om met mensen overweg te kunnen. De bovenstaande vertelling werd overgeleverd toen een persoon toestemming vroeg om de Heilige Profeet te bezoeken, en voorafgaand aan zijn verzoek zei de profeet dat hij geen goede man was, maar hij hem toch wou zien. De profeet sprak met de persoon met het grootste respect, waarop Aisha vroeg waarom de profeet zo gesproken had met die persoon ondanks zijn karakter, en daarop werd het bovenstaande antwoord gegeven.


Bron 14:
-----------
Overgeleverd in Sahih Muslim (Engelse versie), Volume 4, hoofdstuk MLXXVII, p 1373, Traditie # 6303:

Humaid bin Abd al-Rahman bin Auf meldde dat zijn moeder Umm Kulthum, dochter van Uqba bin Abu Mu'ait, een van de eersten emigranten was die trouw beloofden aan Allah's apostel, en zei dat ze de Boodschapper van Allah had horen zeggen: "Een leugenaar is niet iemand die probeert om verzoening te brengen onder de mensen en goed spreekt (om ruzie te voorkomen), of goed doet". Ibn Shihab zei dat hij had gehoord dat er slechts in drie gevallen toestemming is verleend voor het uitspreken van een leugen: in de strijd, bij het infiltreren van de vijand en bij het zorgen voor tijdelijke verzoening tussen personen.

De (soennitische) commentator van dit volume van Sahih Muslim, Abdul Hamid Siddiqi, maakt de volgende opmerking:

Een leugen vertellen is een ernstige zonde, maar het is een moslim in een aantal verschillende gevallen wel toegestaan om een leugen te vertellen.

Verdere informatie in Abdul Hamid Siddiqui's Sahih Muslim, Volume 4, hoofdstuk MLXXVII, Traditie 6303 p 1373, alleen verkrijgbaar in het Engels


Al-taqiyya versus Hypocrisie [2]

Sommige mensen zijn erin getrapt om al-taqiyya te verwarren met hypocrisie, terwijl ze in feite (al-taqiyya en hypocrisie) twee tegengestelde uitersten zijn. Al-taqiyya verbergt geloof en toont ongeloof, terwijl hypocrisie ongeloof verbergt en geloof veinst. Ze zijn totaal het tegenovergestelde in functie, vorm en betekenis.

De Koran onthult de aard van hypocrisie met het volgende vers:

Wanneer zij de gelovigen ontmoeten, zeggen zij: "Wij geloven", maar als ze alleen zijn met kwade mensen, zeggen zij: "Wij horen eigenlijk bij jullie, wij (waren) alleen alleen aan het veinzen" [2:14].

De Koran onthult al-taqiyya dan met de volgende verzen:

Een gelovige, een man uit het volk van de Farao, die zijn geloof verborg, zei: "Wilt gij een man doden omdat hij zegt: 'Mijn Heer is Allah'?" [40:28]

En:

Eenieder die na aanvaarding van het geloof in Allah zijn ongeloof uitspreekt, behalve onder dwang, wanneer zijn hart nog vast gelooft - maar die die hun hart openstellen voor ongeloof - op hen richt Allah zijn toorn, en er zal voor hen een vreselijke straf zijn [16:106]

En ook:

Laat de gelovigen geen vrienden of helpers hebben onder de ongelovigen in plaats van de gelovigen: als er een paar dat doen zullen (zij) geen relatie meer hebben met Allah, behalve als ze voorzorg toepassen ('tat-taqooh'), opdat ze zichzelf beschermen ('tooqatan') tegen hen [03:28]

Bovendien:

En toen Mozes tot zijn volk terugkeerde, boos en bedroefd, zei hij: Jullie kozen (de koers van) het Kwaad nadat ik jullie had verlaten. Haasten jullie het oordeel van uw Heer? En hij wierp de tafelen neer, en hij greep zijn broer bij het hoofd en trok hem naar zich toe. (Aaron) zei: "Zoon van mijn moeder! Luister! De mensen onderdrukten mij en ze stonden op het punt om me te vermoorden. Maak geen vijanden en verheug je niet over mijn ongeluk en schaar mij niet onder de zondige mensen" [7:150].

Nu zien we dat die Allah zelf heeft verklaard dat een van zijn trouwe dienaren zijn geloof VERBORG en om aan vervolging te ontkomen deed alsof hij een volgeling van de religie van de Farao's was. We zien ook dat de Profeet Aaron (Harun) taqiyya beoefende toen zijn leven in gevaar was. We zien ook dat al-taqiyya duidelijk is toegestaan in een tijd van nood. In feite leert het boek van Allah ons om te ontsnappen aan een situatie die onze zinloze vernietiging veroorzaakt:

En laat niet uw eigen handen bijdragen aan uw vernietiging. [2:195]

Reden en logica voor het uitvoeren van al-taqiyya

Afgezien van de instructies van de Koran en de Hadith over de toelaatbaarheid en de noodzaak van taqiyya, kan die noodzaak ook worden afgeleid uit een logisch en rationeel standpunt. Het is duidelijk voor de oplettende lezer dat Allah zijn schepping bepaalde afweermechanismen en instincten heeft geschonken om zichzelf te beschermen tegen dreigend gevaar.

Het is duidelijk dat al-taqiyya als een verdedigings- of aanvalstechniek een teken is van Allah's genade aan zijn schepping, zodanig dat hij ze niet onbeschermd heeft gelaten. Als zodanig bouwt al-taqiyya voort op een instinctief afweer/aanvalsmechanisme dat Allah de mens heeft geschonken. Het is inderdaad een ultiem voorbeeld van verdediging als je je tong kunt gebruiken om vervolging te ontsnappen als je zwak of kwetsbaar bent. Al-taqiyya is een open deur, omdat het voldoet aan een instinctieve behoefte om te overleven en te gedijen.


Reacties [2]

[Dit deel is geschreven door de schrijver van http://www.al-islam.org/encyclopedia/chapter6b/3.html]

Het is aangetoond in het deel over soennitische bronnen ter ondersteuning van al-taqiyya dat het, zoals al-Ghazzali beweert, toegestaan is om te liegen en bedriegen als je in het nadeel of kwetsbaar bent voor een niet-moslim (bijvoorbeeld zo lang als moslims nog steeds een minderheid in Europa zijn). En dat het aanvaardbaar is om woorden van ongeloof te uiten, zoals al-Suyuti heeft gezegd. En zoals al-Bukhari bevestigt, dat het ook aanvaardbaar is om te glimlachen naar een persoon terwijl je hart hem vervloekt. En dat al-taqiyya een integraal onderdeel is van de Koran zelf, zoals is aangetoond in het deel "Al-taqiyya versus hypocrisie". En dat het werd beoefend door een van de meest opmerkelijke metgezellen van de Profeet, niemand minder dan Ammar Ibn Yasir. En we hebben gezien dat al-Suyuti vertelt dat al-taqiyya toelaatbaar is tot de Dag des Oordeels (wanneer de islam de hele wereld heeft veroverd). En dat een persoon kan zeggen wat hij wil, zelfs kwaad spreken van de profeet als hij in een gevaarlijke en beklemmende situatie is. En we hebben ook gezien dat zelfs de profeet zelf al-taqiyya beoefende in een wijze van misleiding die diende om tijdelijk goede betrekkingen te bevorderen met zekere naburige volken voordat zij konden worden overwonnen. Bovendien, houd in gedachten dat de profeet Mohammed zijn missie tijdens de eerste drie jaar van zijn profeetschap geheim hield, wat in feite nog een voorbeeld is van al-taqiyya door de profeet, om de jonge islam te redden van vernietiging.

Er is geen verschil tussen de soennieten en sji'ieten ten opzichte van al-taqiyya, behalve dat de sji'ieten al-taqiyya beoefenen uit angst voor vervolging door soennieten, terwijl de soennieten het actief gebruiken in hun betrekkingen met de Westerse wereld (dat geldt zeker voor de meerderheid van de (soennitische) moslims die emigreerden naar Europa en de VS).

Zelfs het zeggen van "Ik ben sji'itisch" kost je vandaag de dag je kop in landen als Saoedi-Arabië. Wat de soennieten betreft, die werden nooit onderworpen aan wat de sji'ieten moesten verduren, vooral omdat ze altijd de vrienden zijn geweest van de zogenaamde islamitische regeringen door de eeuwen heen.

Mijn opmerking is hier dat wahabis zelf inderdaad al-taqiyya beoefenen, maar ze zijn zodanig psychologisch geprogrammeerd door hun mentoren dat ze al-taqiyya niet eens herkennen wanneer ze het ook daadwerkelijk in de praktijk brengen. Ahmad Didat zei dat de christenen zo zijn geprogrammeerd dat zij de Bijbel een miljoen keer kunnen lezen, maar nooit een fout zullen ontdekken! Ze worden geleerd om het te geloven omdat hun geleerden zeggen dat het zo is, en ze lezen het op een oppervlakkig niveau. Ik vermoed dat dit ook geldt voor degenen die zich verzetten tegen al-taqiyya.

Dr Al-Tijani schreef een korte anekdote waarin hij naast een soennitische geleerde zat tijdens een vlucht naar Londen, ze waren beiden op weg waren naar een Islamitische Conferentie. Op dat moment was er nog wat spanning als gevolg van de Salman Rushdie affaire. Het gesprek tussen de twee ging natuurlijk over de eenheid van de ummah. Toen kwam de kwestie de soennitische/sji'ieten op als onderwerp van gesprek. De soennitische geleerde zei: "De shia moeten bepaalde geloofsregels en overtuigingen laten vallen die verdeeldheid en vijandigheid onder de moslims veroorzaken". Dr. Al-Tijani antwoordde: "Zoals wat?" De soennitische geleerde antwoordde: "Nou, zoals de ideeën taqiyya en muta". Dr. Al-Tijani voorzag hem onmiddellijk van veel bewijzen ter ondersteuning van deze begrippen, maar de soennitische geleerde was niet overtuigd, en zei dat hoewel deze bewijzen allemaal authentiek en correct waren, ze moesten worden genegeerd omwille van het verenigen van de ummah! Toen ze allebei in Londen aankwamen vroeg de douanier aan de soennitische geleerde: "Wat is het doel van uw bezoek, meneer?" De soennitische geleerde zei: "Voor een medische behandeling". Toen werd dr. Al-Tijani dezelfde vraag gesteld, en hij antwoordde: "Om wat vrienden te bezoeken". Dr. Al-Tijani volgde de soennitische geleerde en zei: "Heb ik u niet gezegd dat al-taqiyya voor alle tijden en gelegenheden is?" De soennitische geleerde zei: "Hoe dat zo?" Dr. Al-Tijani antwoordde: "Omdat we beiden gelogen hebben tegen de luchthavenpolitie: ik door te zeggen dat ik kwam om wat vrienden te bezoeken, en u door te zeggen dat u hier bent voor een medische behandeling, terwijl we in feite hier zijn om de Islamitische Conferentie bij te wonen!" De soennitische geleerde glimlachte, en zei: "Nou, biedt een islamitische conferentie geen genezing voor de ziel?" Dr. Al-Tijani vervolgde snel: "En biedt het geen gelegenheid om vrienden te bezoeken?"

Dus u ziet, de soennieten beoefenen standaard de praktijk van al-taqiyya of ze het feit nu wel of niet erkennen. Het is een aangeboren deel van de menselijke natuur om zichzelf te redden, en meestal doen we het zonder het te merken.

Mijn commentaar is weer: Wie denkt deze geleerde in Allah's naam dat hij is door aan te geven dat, hoewel de bewijzen die hem door dr. Al-Tijani zijn getoond allemaal wel waar zijn, ze moeten worden verworpen in het belang van het verenigen van de ummah? Gelooft u werkelijk dat de ummah zal worden verenigd door het verlaten van Allah's geboden? Geeft de bovenstaande verklaring blijk van wetenschappelijke verdienste, of pure retoriek, onwetendheid en hypocrisie van de kant van die geleerde? Is een geleerde die zulke woorden van onwetendheid uitspreekt het waardig om te worden gehoorzaamd en beluisterd? Wie is hij om Allah, de Schepper van het heelal, en Zijn boodschapper te vertellen wat goed en fout is? Weet hij meer dan Allah over al-taqiyya? Verheven zij Allah om niet beledigd te worden door diegenen die ALLE vormen van intelligentie om Zijn religie te interpreteren missen.

Al-Imam Ja'far al-Sadiq [de zesde imam van Ahlul-Bayt] zei: "Al-taqiyya is mijn godsdienst en de godsdienst van mijn voorouders". Hij zei ook: "Hij die geen al-taqiyya beoefent, beoefent zijn religie niet".


Bronnen:

1. http://www.al-islam.org/ENCYCLOPEDIA/chapter6b/1.html
2. http://www.al-islam.org/ENCYCLOPEDIA/chapter6b/3.html



iii. [1.6] Naskh - Koranische abrogatie

Koranische abrogatie (naskh) is nog een centraal en onderbelicht deel van de islam.

Die Westerlingen die erin slagen om een vertaling van de Koran te lezen raken vaak in verwarring met betrekking tot diens betekenis, dit omdat ze niet bekend zijn met een uitermate belangrijk principe van de interpretatie van de Koran, bekend als 'abrogatie' [ofwel intrekking/afschaffing]. Het principe van abrogatie - al-naskh wa al-mansukh (het afschaffende en het afgeschafte) - stelt dat de verzen die later in de carrière van Mohammed kwamen andere, eerdere verzen mag 'afschaffen', dat wil zeggen, - eerdere verzen wiens opdracht ze kunnen tegenspreken te annuleren en vervangen. Zo zijn de verzen die pas later in de carrière van Mohammed kwamen, in Medina, superieur aan de stukken die eerder werden geopenbaard in Mekka. De Koran zelf legt het principe van intrekking als volgt uit:

2:106. Voor elk Vers (openbaring) die Wij{Allah} ook intrekken of doen vergeten, schrijven Wij een betere of vergelijkbare in de plaats. Weet u niet, dat Allah in staat is om alles te doen?

Het lijkt erop dat 2:106 werd geopenbaard naar aanleiding van kritiek gericht op Mohammed dat Allah's openbaringen niet volledig in overeenstemming met de tijd waren. Mohammeds weerlegging was dat "Allah in staat is om alles te doen" - zelfs van gedachten veranderen. Om de verwarring nog groter te maken: hoewel de Koran werd geopenbaard aan Mohammed in opeenvolgende fasen over zo'n twintig jaar tijd heen, werd het niet opgeschreven in chronologische volgorde. Toen de Koran uiteindelijk in boekvorm werd gebundeld onder kalief Uthman, werden de Sura's gesorteerd van langst naar kortst zonder rekening te houden met de volgorde waarin ze werden geopenbaard of hun thematische inhoud. Om te weten te komen wat de Koran zegt over een bepaald onderwerp, is het noodzakelijk te onderzoeken of er andere islamitische bronnen zijn die aanwijzingen geven over wanneer in Mohammeds leven de openbaring heeft plaatsgevonden. Bij dit onderzoek ontdekt men dat de Mekkaanse sura's, geopenbaard in een tijd toen de moslims kwetsbaar waren, over het algemeen goedaardig zijn, maar de latere Sura's uit Medina, geopenbaard toen Mohammed aan het hoofd van een leger stond, zijn oorlogszuchtig.

Laten we bijvoorbeeld Sura 50:45 en 109 bekijken, die beiden werden geopenbaard in Mekka:

50:45. We weten het beste wat zij zeggen; en u (O Mohammed) bent geen tiran voor hen (die hen dwingt tot geloof). Maar waarschuwt dus met de Koran, zij die Mijn Dreiging vrezen. 109:1. Zeg (O Mohammed aan deze Mushrikun en Kafirun): O Al-Kafirun (ongelovigen in Allah, in Zijn Eenheid, in Zijn engelen, in Zijn boeken, in Zijn boodschappers, in de Dag der Opstanding, en in al-Qadar {goddelijke voorbestemming en instandhouding van alle dingen}, etc.)! 109:2. Ik aanbid niet wat jij aanbidt,
109:3. En jij aanbidt ook niet wat ik aanbid.
109:4. En ik zal niet aanbidden wat jullie aanbidden.
109:5. Ook zullen jullie niet aanbidden wat ik aanbid.
109:6. Daarom is jullie godsdienst voor jullie en voor mij is er mijn godsdienst (islamitisch monotheïsme).

Dan is er deze passage, geopenbaard net nadat de moslims Medina bereikten en nog kwetsbaar waren:

2:256. Er is geen dwang in de godsdienst. Voorwaar, het Rechte Pad is te onderscheiden van het verkeerde pad. Wie niet gelooft in Taghut {afgoderij} en in Allah gelooft, heeft zeker het stevigste houvast gegrepen dat niet breken kan. En Allah is Alhorend, Alwetend.

Neem nou als tegenstelling 9:5, meestal aangeduid als het "Vers van het Zwaard", dat werd onthuld tegen het einde van Mohammeds leven:

09:5. Als de Heilige Maanden (de 1e, 7e, 11e, en 12e maand van de islamitische kalender) zijn verstreken, dood dan de Mushrikun {ongelovigen} waar u ze kunt vinden, en vangt hen en belegert hen en bereidt elke hinderlaag voor hen voor. Maar als zij berouw tonen en de As-Salaat uitvoeren (Iqamat-as-Salat {de islamitische rituele gebeden}), en zakat {aalmoezen} geven, laat hun weg dan vrij. Want Allah is Vergevensgezind, Genadevol.

Aangezien dit Vers van het Zwaard later in het leven van Mohammed geopenbaard werd dan 50:45, 109, en 2:256, worden diens vreedzame bevelen afgeschaft/ingetrokken in overeenstemming met 2:106. Sura 8, geschreven kort voor Sura 9, onthult een soortgelijk thema:

8:39. En bestrijdt hen totdat er geen Fitnah meer is (ongeloof en polytheïsme: dwz aanbidden van anderen dan Allah) en tot de godsdienst (aanbidding) allemaal voor Allah alleen is [in heel de wereld]. Maar als zij ophouden (met het aanbidden van anderen dan Allah), dan is Allah toch zeker Alziend over wat zij doen. 8:67. Het is niets voor een profeet dat hij krijgsgevangenen zou hebben (en ze laat gaan tegen losgeld) totdat hij een grote slachting aanricht (onder zijn vijanden) in het land. U wenst het goede in deze wereld (dat wil zeggen het geld van de losprijs voor het bevrijden van de gevangenen), maar Allah wenst (voor u) het Hiernamaals. En Allah is Almachtig, Alwetend. 9:29. Vecht tegen zij die niet geloven in Allah, of in de Dag des Oordeels, en verbied voor de Mensen van het Boek (joden en christenen) en degenen die niet de religie van de waarheid erkennen (dwz islam) niets van wat verboden is door Allah en Zijn boodschapper, totdat zij de jizya betalen met vrijwillige onderwerping, en zich onderworpen voelen. 9:33. Hij is het {Allah} die Zijn Boodschapper (Mohammed) heeft gezonden om met leiding en de godsdienst der Waarheid (de islam) te zegevieren over alle godsdiensten, ook al hebben de Mushrikun (polytheïsten, heidenen, afgodendienaars, ongelovigen aan de Eenheid van Allah) er een hekel aan.

De koranische geboden aan de moslims om in de naam van Allah oorlog te voeren tegen niet-moslims zijn onmiskenbaar. Ze zijn bovendien absoluut gezaghebbend aangezien ze laat in de carrière van de profeet werden geopenbaard en zo eerdere instructies om vreedzaam te handelen afschaffen en vervangen. Zonder de kennis van het principe van intrekking (naskh), zullen Westerlingen de Koran verkeerd blijven lezen en de islam fout aanduiden als een 'religie van vrede'.


Naskh - koranische abrogatie - herkomst en uitvoering

Naskh (koranische abrogatie) is in de eerste plaats een juridische praktijk, ingesteld door de 9e-eeuwse islamitische geleerden met de bedoeling de schijnbaar tegenstrijdige verzen in de Koran en de Hadith te begrijpen. De praktische consequentie met betrekking tot jihad is dat de agressieve koranverzen van Medina de vreedzame verzen van Mekka ongeldig verklaren. Al in de vroegste bronnen onderscheidde islamitische wetgeving de koranische intrekking ('naskh' of 'mansukh') in de Koran. Een van de eerste uitgebreide besprekingen van de intrekking was al-Naskh wa-al-Mansukh fi al-quran door Abu Ubayd (839 n.Chr). Een andere bron uit de 9e eeuw is Kitab al-Fahm quran geschreven door al-Harith ibn Asad al-Muhasibi. Meer bronnen uit dezelfde eeuw zijn de geschriften van al-Shafii en Ibn Qutaybah. De conclusies van deze 'werken' waren onder andere dat de (oorlogszuchtige) verzen uit Medina de (vreedzame) verzen uit Mekka annuleren waar nodig.

Hoewel de afgeschafte teksten een deel van de Koran blijven en zelfs worden opgelezen tijdens het gebed, is de toepassing daarvan of toepasselijke informatie daaruit ongepast. Deze basis voor dualiteit maakt de Koran en de Hadith zeer effectief bij verschillende tegenstrijdige uitdagingen. Het maakt het mogelijk voor elke moslim om de juiste teksten te gebruiken op basis van de omstandigheden. De verzen uit Mekka krijgen om tactische redenen de nadruk bij de langzame vreedzame verovering van naties door demografische oorlogsvoering (zoals we zien in Europa) of waar nodig is, terwijl de agressieve verzen uit Medina nadruk krijgen tijdens regelmatige jihad (strijd) zoals we zien in Soedan.


Basis voor de intrekking

Het concept van intrekking is vooral te halen uit twee koranische teksten:

[Koran 2:106] Voor elke 'Ayaaat' die Wij {Allah} ook intrekken of doen vergeten, schrijven Wij een betere of vergelijkbare in de plaats. Weet u niet, dat Allah in staat is om alles te doen?

Het woord 'Ayaaat' dat in de bovenstaande tekst wordt gebruikt betekent "tekens". In de Koran wordt dit woord gebruikt voor verschillende betekenissen en is niet beperkt tot de koranverzen [zie 30:21 bijvoorbeeld].

De tweede passage die meestal aangeduid wordt als de basis voor koranische intrekking is de volgende:

[87:6-7] Wij [Allah] zullen u kennis geven, dus vergeet dit niet, behalve wat Allah wil [dat u vergeet]. Zeker, hij kent het schijnbare en verborgene.

We kunnen de ontwikkeling van het concept van naskh op de volgende manier begrijpen; geestelijken stonden perplex bij het interpreteren van schijnbaar tegenstrijdige verzen. Zij hebben daarom de handelingen van de profeet onderzocht (in het bijzonder de verschillende Hadiths) en de acties van de eerste generaties moslims. Hierdoor kon er veel verwarring worden voorkomen.

Bijvoorbeeld is 8:61, dat moslims opdraagt op goede voet te leven met degenen die een soortgelijke overtuiging hebben, vervangen door 9:73, welke als volgt luidt:

[Koran 9:73] O profeet, strijd tegen de ongelovigen en de huichelaars en wees streng voor hen. En hun toevlucht is de hel, en ellendig is hun bestemming.

Het vredige vers 8:61 had duidelijk een beperkte omvang, en kwam van de profeet in een tijd waarin de islam zwak en kwetsbaar was en hij constant werd aangevallen door vijanden (vandaar de vreedzame verzen uit Medina), maar door deze af te schaffen legde men een basis voor de constante jihad totdat de islam de wereld heeft veroverd.

Teksten zoals 9:73 worden wereldwijd aangehaald door islamisten.

Kijk naar 2:62 als het perfecte voorbeeld. Die, samen met 5:69, noemt eigenlijk een aantal niet-islamitische religieuze groepen die door God beloond waren voor hun geloof en daden. Deze verzen worden echter geannuleerd door 3:85 [en andere teksten, zoals 5:03], of er wordt gewoon van gezegd dat ze verwijzen naar landen ver voor de tijd van Mohammed.

Uiteindelijk is er feitelijk geen enkele twijfel over wat Mohammeds eigen plannen en conclusies waren, zoals de volgende authentieke Hadith uitlegt:

Hadith van de Profeet

Lataftahanna al-Qustantiniyya wa lani` ma al-amiru amiruha wa lani `ma al-jayshu dhalika al-jaysh.

Want u zult Constantinopel overwinnen. Wat een glorieuze leider zal hij zijn, en wat een geweldig leger zal dat leger zijn!

Onnodig te zeggen; alle hoofdsteden van de ongelovigen, de 'kuffar', worden beschouwd als moderne Constantinopels. Het enige verschil is dat het strategische wapen dat wordt gebruikt in de jihad tegen Europa de islamitische demografische oorlogsvoering is in plaats van gewone infanterie-eenheden (wat de beste methode is voor de jihad in Soedan).


d. Jihad door de geschiedenis heen

In 622 na Christus (jaar één in de islamitische kalender, AH 1), verliet Mohammed Mekka voor de stad Medina (Yathrib) ongeveer 200 km verder naar het noorden in het Arabische schiereiland. In Medina begon Mohammed een paramilitaire organisatie die zijn invloed en die van zijn religie zou verspreiden over Arabië. Omdat er in de islam nooit een scheiding was van het politiek-militaire en het religieuze, was deze ontwikkeling volledig natuurlijk voor islamitische principes. Tegen de tijd van zijn dood in 632 n.Chr. had Mohammed zijn macht uitgebreid over het grootste deel van Zuid-Arabië door een reeks van invallen en gevechten. De veroverde bevolking van deze gebieden moest zich ofwel onderwerpen aan islamitische heerschappij en een beschermingsbelasting betalen, of tot de islam te bekeren.


i. De eerste golf van jihad: de Arabieren, 622-750 na Christus

Tegen het einde van zijn leven stuurde Mohammed brieven naar de grote rijken van het Midden-Oosten en eiste hun onderwerping aan zijn gezag. Dit verdrijft elke notie dat de profeet van de islam diens uitbreiding wilde laten stoppen met Arabië. Inderdaad, het was niet meer dan logisch [voor hem] dat de ene ware godsdienst, onthuld door de laatste en meest volledige profeet, universele macht zou moeten hebben. Dus zoals Mohammed de volkeren van het Arabische schiereiland had bevochten en onderworpen, bevochten en onderwierpen zijn opvolgers Abu Bakr, Umar, Uthman en Ali (ook bekend als "de vier rechtgeleide kaliefen") en andere kaliefen ook de bevolking van het Midden-Oosten, Afrika, Azië, en Europa uit naam van Allah.

Volume 4, Boek 53, Vers 386, Verteld door Jubair bin Haiya: Umar {de tweede kalief} stuurde de moslims naar de grote landen om de heidenen te bestrijden. Toen we het land van de vijand bereikten, kwam de vertegenwoordiger van Khosrau {Perzië} naar buiten met veertigduizend strijders, en een tolk stond op en zei: "Laat een van jullie met me praten!" Al-Mughira antwoordde: "Onze Profeet, de Boodschapper van onze Heer, heeft ons bevolen om je bevechten tot je Allah alleen aanbidt of jizya (dwz beschermgeld) zult geven, en onze Profeet heeft ons laten weten dat onze Heer zegt: 'Wie van ons wordt gedood (dat wil zeggen sterft als martelaar), zal naar het paradijs gaan om zo'n luxe leven te leiden zoals hij nog nooit heeft gezien, en wie van ons in leven te blijven, moet je meester te worden'."

De islam ontstak de blitzkrieg van die tijd, en verspreidde zich snel in de gebieden van Byzantium, Perzië en West-Europa in de decennia na Mohammeds dood. De afgematte Byzantijnse en Perzische strijdkrachten, die elkaar wederzijds hadden uitgeput, boden weinig weerstand tegen deze onverwachte aanval. De Arabisch-islamitische legers overvielen het Heilige Land, veroverden wat nu Irak en Iran is, stormden toen westwaarts over Noord-Afrika, naar Spanje, en ten slotte naar Frankrijk. Het moslimgeweld in het Westen werd uiteindelijk in 732 na Christus gestopt bij de Slag bij Poitiers/Tours, niet ver van Parijs. In het oosten woedde de jihad tot diep in Centraal-Azië.

Zoals Mohammed zijn vijanden had geplunderd, hebben zijn opvolgers ook alle rijkdom en mankracht geroofd uit de veroverde gebieden - die zowel materieel als cultureel onvergelijkbaar rijker waren dan de verlaten zandbak van Arabië. In korte tijd zagen de meer geavanceerde beschavingen van het Midden-Oosten, Noord-Afrika, Perzië en Iberië hun landbouw, inheemse religies en bevolkingsgroepen vernietigd of geplunderd worden. Op een handvol ommuurde steden na, die erin geslaagd waren om voorwaardelijke overgave te onderhandelen, waren de rampen die die landen te lijden hadden bijna compleet.

Ibn Hudayl, een 14e-eeuwse Grenadese auteur van een belangrijk boek over jihad, beschreef de oorspronkelijke methoden die hadden gezorgd voor de gewelddadige, chaotische jihadistische verovering van het Iberisch schiereiland, en andere delen van Europa:

Het is toegestaan om het land van de vijand in brand te steken en zijn graanschuren en zijn lastdieren, indien het niet mogelijk is voor de moslims om bezit te nemen van hen, en het is ook toegestaan zijn bomen om te hakken, zijn steden te plunderen, kortom, alles wat hem zou kunnen ruïneren en ontmoedigen, op voorwaarde dat de imam deze maatregelen passend vindt en geschikt voor de versnelde islamisering van die vijand of om hem te verzwakken. Inderdaad, dit alles draagt bij aan een militaire overwinning of dwingt hem tot overgave.

De historicus al-Maqqari, die schreef in het 17e-eeuwse Tlemcen in Algerije, legt uit dat de paniek die de Arabische ruiters en zeelieden zaaiden, tijdens de islamitische expansie in de zones die zulke invallen en aanvallen zagen, de eventuele latere verovering daarvan makkelijker maakte:

Allah, zegt hij, heeft dus zulke angst onder de ongelovigen gezaaid dat zij niet ten strijde durfden te trekken tegen de veroveraars; ze benaderden hen alleen maar als smekelingen, om te bedelen om de vrede.

Bat Ye'or, de toonaangevende expert over de uitbreiding van de islam en de behandeling van niet-moslims, heeft een onschatbare dienst verricht door het opstellen en vertalen van een groot aantal primaire brondocumenten over de eeuwen van islamitische verovering. Ze voegt die documenten in in haar werken over de islamitische geschiedenis en het lot van de niet-moslims onder islamitische heerschappij. In de geschiedenis van de jihad komen de afslachting van burgers, de ontheiliging van kerken, en de plundering van het platteland geregeld voor. Hier is het verslag van Michael de Syriër over de islamitische invasie van Cappodocia (Zuid-Turkije) in 650 na Christus onder kalief Umar:

Toen Muawiya {de moslimcommandant} aan was gekomen {in Euchaita in Armenië} beval hij alle inwoners voor te leggen aan het zwaard; hij zette bewakers in zodat niemand zou ontsnappen. Nadat hij alle rijkdommen van de stad had verzameld begonnen ze met het martelen van de leiders om hen te dwingen de [schatten] die waren verborgen prijs te geven. De Taiyaye {islamitische Arabieren} namen iedereen mee voor de slavernij - mannen en vrouwen, jongens en meisjes - en ze maakten zich schuldig aan veel losbandigheid in die ongelukkige stad: ze pleegden goddeloos immoraliteiten binnen kerken. Ze keerden vol vreugde terug naar hun land. (Michael de Syriër, geciteerd in Bat Ye'or, The Decline of Eastern Christianity under Islam, 267-7.)

De volgende beschrijving komt van de islamitische historicus, Ibn al-Athir (1160-1233 na Christus), en gaat over razzia's (plundertochten) in Noord-Spanje en Frankrijk in de 8e en 9e eeuw na Christus, en daarin staat niets dan tevredenheid over hoe groot de verwoesting onder de ongelovigen was, ook onder weerloze burgers.

In het jaar 177 [17 april 793] stuurde Hisham, prins van Spanje, een groot leger onder bevel van Abd al-Malik bin Abd al-Wahid bin Mugith naar een vijandelijk gebied, en die maakte zijsporen tot in Narbonne en Jaranda. Deze generaal viel eerst Jaranda aan, waar er een Frankisch elitegarnizoen was; en hij doodde de dappersten, vernietigde de muren en torens van de stad en slaagde er bijna in die te veroveren. Hij marcheerde naar Narbonne, waar hij dezelfde handelingen herhaalde, en toen hij verder trok, vertrapte hij het land van de Cerdagne {in de buurt van Andorra in de Pyreneeën}. Enkele maanden doorkruiste hij dit land in alle richtingen, verkrachtte vrouwen, doodde krijgers, vernietigde forten, plunderde of verbrandde alles, drong de vijand terug die in de chaos vluchtte. Hij keerde gezond en wel terug, en sleepte God mag weten hoeveel buit met zich mee. Dit is een van de meest beruchte expedities van de moslims in Spanje. In 223 [02 december 837] stuurde de heerser van Spanje, Abd ar-Rahman bin Al Hakam, een leger naar Alava; het sloeg een kamp op in de buurt van Hisn al-Gharat en belegerde het; pikte alle buit die men kon vinden, doodde de inwoners en trok zich terug terwijl het vrouwen en kinderen afvoerde als gevangenen. In 231 [06 september 845] trok een leger moslims door Galicië op het grondgebied van de ongelovigen, waar het iedereen plunderde en uitmoordde. In 246 [27 maart 860] kwam Mohammed bin Abd ar-Rahman met veel troepen en een groot militair apparaat naar de regio van Pamplona. Hij versloeg, ruïneerde en verwoestte dit gebied, waar hij plunderde en dood zaaide. (Ibn al-Athir, Annalen, geciteerd in Bat Ye'or, The Decline of Eastern Christianity under Islam, 281-2.)

Deze eerste golf van de jihad verzwolg een groot deel van de Byzantijnse, Visigotische, Frankische, en Perzische Rijken en liet het pasgeboren islamitische rijk zich uitstrekken over grondgebied van Zuid-Frankrijk, zuidwaards door Spanje, oostwaarts door Noord-Afrika tot aan India, en naar het noorden Rusland in. Kort na 1000 na Christus verzwakte de Mongoolse invasie vanuit het oosten het Islamitische Rijk behoorlijk en maakte een einde aan de Arabische overheersing daar.


ii. De tweede golf van jihad: de Turken, 1071-1683 na Christus

Zo'n vijfentwintig jaar voor het eerste leger Kruisvaarders vertrok uit Midden-Europa om naar het Heilige Land te gaan, begonnen de Turkse (Ottomaanse) legers met een aanval op het christelijke Byzantijnse Rijk, dat regeerde over wat nu Turkije is nadat de hoofdstad van het Romeinse Rijk werd verplaatst naar Constantinopel in 325 na Christus. Bij de slag van Manzikert in 1071 leden de christelijke legermachten een rampzalige nederlaag, die een groot deel van Anatolië (Turkije) open liet voor invasie. Deze tweede golf van de jihad werd tijdelijk opgehouden door de binnenvallende Latijnse Legers tijdens de Kruistochten (zie "Islam 101 - Veelgestelde vragen"), maar tegen het begin van de 14e eeuw bedreigden de Turken Constantinopel en Europa zelf.

In het Westen dwongen rooms-katholieke legers de moslimlegers beetje bij beetje terug naar beneden het Iberisch schiereiland in, totdat die in 1492 definitief werden verdreven (de Reconquista). In Oost-Europa rukte de islam echter verder op. Een van de belangrijkste veldslagen tussen de binnenvallende moslims en de inheemse volkeren van de regio was de Slag van Kosovo in 1389, waar de Turken een multinationaal leger onder leiding van de Servische koning St. Lazar vernietigden, hoewel het hun vooruitgang in Europa wel aanzienlijk vertraagde. Na vele pogingen al vanaf de 7e eeuw viel Constantinopel, de parel van het Oosterse christendom, uiteindelijk in 1453 ten prooi aan de legers van Sultan Mahomet II. Voor men de wreedheden van de eerste golf van jihad toeschrijft aan de Arabische aard van de daders: de Turken toonden dat ze ook volledig in staat waren om te leven volgens de principes van de Koran en de Sunnah. Paul Fregosi beschrijft in zijn boek Jihad het beeld na de laatste aanval op Constantinopel:

Enkele duizenden overlevenden hadden hun toevlucht gezocht in de kathedraal: edelen, bedienden, gewone burgers, hun vrouwen en kinderen, priesters en nonnen. Ze sloten de enorme deuren, baden, en wachtten. {Kalief} Mahomet {II} had de troepen volledige toestemming gegeven. Ze verkrachtten, natuurlijk, de nonnen zijn de eerste slachtoffers, en slachtten hen af. Ten minste vier duizend mensen werden gedood voordat Mahomet het bloedbad in de middag stopte. Hij beval een muezzin {degene die de oproep tot gebed doet} in de preekstoel van St. Sophia te klimmen en het gebouw te wijden aan Allah. Het is sinds die tijd nog steeds een moskee. Vijftigduizend van de inwoners, meer dan de helft van de bevolking, werden gevangen en weggevoerd als slaven. In de maanden daarna waren slaven de goedkoopste producten op de markten van Turkije. Mahomet vroeg dat het lichaam van de dode keizer aan hem werd gebracht. Een paar Turkse soldaten vonden het tussen een stapel lijken en herkenden Constantijn {XI} aan de gouden adelaars die op zijn laarzen waren geborduurd. De sultan beval zijn hoofd af te hakken en het neer te zetten tussen de benen van het paard in het bronzen ruiterstandbeeld van de keizer Justinianus. Het hoofd werd later gebalsemd en rondgestuurd door de belangrijkste steden van het Ottomaanse Rijk om de burgers te vermaken. Vervolgens beval Mahomet dat Groothertog Notaras, die het had overleefd, bij hem werd gebracht, en hij vroeg hem naar de namen en adressen van alle toonaangevende edelen, ambtenaren en burgers, die Notaras hem gaf. Hij liet ze allemaal arresteren en onthoofden. Hij kocht op sadistische wijze de hooggeplaatste gevangenen die tot slaaf gemaakt waren weg bij hun eigenaars {dat wil zeggen, moslimcommandanten} voor puur het plezier van ze voor hem te laten onthoofden. (Fregosi, Jihad, 265-7.)

Deze tweede Turkse golf van jihad bereikte zijn verste punt bij de mislukte belegeringen van Wenen in 1529 en 1683, waarbij in het laatste geval het islamitische leger onder Kara Mustafa werd verslagen door de rooms-katholieken onder het bevel van de Poolse koning John Sobieski. In de decennia die volgden werden de Ottomanen door de Balkan heen teruggedreven naar beneden, al werden ze nooit helemaal het Europese continent uitgeschopt. Toch bleven er zelfs terwijl de keizerlijke jihad wankelde nog steeds islamitische razzia's ter land en zee in het christelijke grondgebied, en nog steeds werden er christenen ontvoerd voor de slavernij tot zelfs vanuit IJsland aan toe in de 19e eeuw.


e. Dhimmitude

De islams vervolging van niet-moslims is op geen enkele wijze beperkt tot jihad, ook al is dat meestal wel het enige contact tussen de islamitische en niet-islamitische wereld. Nadat de jihad is uitgewoed in een bepaald gebied, omdat het ongelovige grondgebied veroverd is, kan de dhimma, ofwel een verdrag van de bescherming, worden toegekend aan de veroverde 'Mensen van het Boek' - historisch gezien de joden, christenen, en aanhangers van het zoroastrisme. De dhimma bepaalt dat het leven en de eigendommen van de ongelovige zijn beschermd tegen jihad voor zo lang als de islamitische heersers het toelaten, wat over het algemeen heeft betekend voor zo lang als de onderworpen niet-moslims - de dhimmi - economisch nuttig blijken te zijn voor de islamitische staat. De Koran beschrijft de betaling van de jizya (poll- of hoofdelijke belasting; Sura 9:29), dat is de meest opvallende wijze waarop de islamitische overheersers de dhimmi uitbuiten. Maar de jizya is niet alleen economisch in functie, maar bestaat ook om de dhimmi te vernederen en hem te wijzen op de superioriteit van de islam. Al-Maghili, een 15e-eeuwse islamitische theoloog, legt uit:

Op de dag van de betaling {van de jizya} worden zij {de dhimmi's} verzameld op een openbare plaats zoals de soek {markt}. Ze moeten daar staan te wachten in de laagste en smerigste plaats. De waarnemende wetshandhavers worden boven hen geplaatst en zullen een dreigende houding aannemen, zodat het lijkt voor hen, maar ook voor anderen, dat ons doel is om hen te vernederen door te doen alsof we hun bezittingen afemen. Ze zullen beseffen dat we hen een gunst verlenen door de jizya van hen te aanvaarden en ze weer vrij te laten. (Al-Maghili, geciteerd in Bat Ye'or, The Decline of Eastern Christianity under Islam, 361.)

De islamitische wet noemt diverse andere beperkingen voor de dhimmi's, die allemaal voortvloeien uit de Koran en de Sunnah. Enkele honderden jaren aan islamitisch gedachtegoed over de juiste behandeling van dhimmi-volkeren wordt samengevat door Al-Damanhuri, een 17e-eeuwse leider van de Al-Azhar Universiteit in Caïro, het meest prestigieuze centrum van scholing in de moslimwereld:

Net zoals het de dhimmi's verboden is om kerken bouwen, zijn andere dingen ook verboden voor hen. Zij moeten een ongelovige niet helpen tegen een moslim [of] een kruis opheffen in een islamitisch gezelschap [of] vlaggen uithangen op hun eigen feestdagen, wapens dragen [...] of die in hun huizen houden. Als ze iets dergelijks doen, moeten ze worden gestraft, en de wapens in beslag genomen worden. De metgezellen [van de Profeet] hebben deze punten opgesteld om de vernedering van de ongelovigen te tonen en de het geloof van de twijfelende gelovige te beschermen. Want als hij ze vernederd ziet worden, zal hij niet geneigd zijn om de richting van hun geloof op te gaan, maar dat is niet het geval als hij ze aan de macht ziet, of trots of in luxe kleding, want dit alles spoort hem aan om hen te respecteren en naar hen toe te trekken vanwege zijn eigen leed en armoede. Maar respect voor een ongelovige is ongeloof. (Al-Damanhuri, geciteerd in Bat Ye'or, The Decline of Eastern Christianity under Islam, 382.)

De christelijke, joodse en zoroastrische volkeren van het Midden-Oosten, Noord-Afrika en een groot deel van Europa hebben eeuwenlang geleden onder de onderdrukkende regels van de dhimma. De status van deze dhimmi-volkeren is in veel opzichten vergelijkbaar met die van de voormalige slaven in het Amerikaanse Zuiden na de burgeroorlog. Omdat ze geen gebedshuizen mochten bouwen of bestaande gebouwen repareren, en economisch verlamd waren door de jizya te betalen, en sociaal vernederd werden, wettelijk gediscrimineerd, en omdat ze in het algemeen in een permanente staat van zwakte en kwetsbaarheid gehouden werden door de islamitische overheersers, was het niet verwonderlijk dat hun bevolking afnam, op veel plaatsen tot op het punt van uitsterven. De over het algemeen verkeerd begrepen aftakeling van de islamitische beschaving in de afgelopen eeuwen is gemakkelijk te verklaren door de demografische achteruitgang van de dhimmi-bevolkingen, die juist de voornaamste brengers waren geweest van technische en administratieve deskundigheid.

Indien de dhimmi de voorwaarden van de dhimma schendt - misschien door zijn eigen godsdienst openlijk te beoefenen of niet voldoende eerbied voor een moslim te laten zien - dan wordt de jihad hervat. Op verschillende momenten in de islamitische geschiedenis stegen dhimmi-volkeren uit boven hun onderworpen status, en dit was vaak de aanleiding voor gewelddadige wraakacties door de moslimbevolking die geloofden dat ze de voorwaarden van de dhimma hadden geschonden. Islamitisch Andalusië (Moors Spanje) wordt vaak opgemerkt door islamitische apologeten als een soort multicultureel wonderland, waar de islamitische regering joden en christenen toestond om te stijgen in de rangen van het onderwijs en het openbaar bestuur. Wat we echter niet te horen krijgen is dat deze versoepeling van de beperkingen leidde tot grootschalige rellen van de kant van de islamitische bevolking die honderden dhimmi's doodde, voornamelijk joden. Door te weigeren om zich te bekeren tot de islam en door de traditionele beperkingen van de dhimma niet te volgen (zelfs in opdracht van de islamitische regering, die behoefte had aan veel mankracht), hadden de dhimmi's impliciet gekozen voor de enige andere optie die de Koran toestaat: de dood.


Dhimmitude in Spanje (Iberisch schiereiland)

Het Iberisch schiereiland werd tussen 710 en 716 na Christus veroverd door Arabische stammen afkomstig uit Noord-, Midden-en Zuid-Arabië. Na de verovering kwam er massa-immigratie van Berbers en Arabieren, en de kolonisatie van het Iberisch schiereiland. De meeste kerken werden omgebouwd tot moskeeën. Hoewel de verovering gepland en gezamenlijk uitgevoerd was met een groep van Iberische christelijke dissidenten, waaronder een bisschop, verliep het als een klassieke jihad met enorme plunderingen, knechtingen, deportaties en moorden. Toledo, dat zich eerst had overgegeven aan de Arabieren in 711 of 712, kwam in 713 in opstand. De stad werd gestraft door plundering en alle notabelen werden gekeeld. In 730 werd de Cerdagne (in Septimania, nabij Barcelona) verwoest en een bisschop levend verbrand. In de regio's onder stabiele islamitische controle was het voor de niet-islamitische dhimmi's - joden en christenen - zoals elders in andere islamitische landen verboden om nieuwe kerken of synagogen te bouwen, of de oude te herstellen. Ze leefden gescheiden in speciale wijken, en moesten discriminerende kleding dragen. De christelijke boeren waren onderworpen aan zware belastingen, en vormden een slaafse klasse uitgebuit door de dominante heersende Arabische elites; veel verlieten hun land en vluchtten naar de steden. Als de Mozarab (de christelijke dhimmi's) vroegen om de hulp van de christelijke koningen, werden ze zwaar bestraft met verminkingen en kruisigingen. Bovendien zou, als ook maar één dhimmi een moslim kwaad zou doen, de hele gemeenschap zijn status van bescherming verliezen, waardoor die ten prooi zou vallen aan plundering, slavernij en willekeurige moorden.

Tegen het einde van de 8e eeuw hadden de heersers van Noord-Afrika en van Andalusië de strenge en harde wetgeving van de stroming Maliki ingevoerd als de overheersende school van islamitische wetgeving. Driekwart eeuw daarvoor, in een tijd waarin politieke correctheid nog geen controle had over geschiedkundige publicaties en onderzoek, schreef Evariste Levi-Provençal, de meest voorname geleerde van Andalusië:

De Andalusische moslimstaat blijkt dus vanaf zijn vroegste oorsprong de verdediger en kampioen van een jaloerse orthodoxie, die meer en meer gehard wordt in een blinde eerbied voor een rigide doctrine, en die al bij voorbaat de minste inspanning van redelijke vraagstelling verdacht vindt en veroordeelt.

[Geschiedschrijver] Dufourcq biedt de volgende illustratie van de daaruit voortvloeiende religieuze en juridische discriminatie waar de dhimmi's onder leden, en de bijbehorende prikkels voor hen om tot de islam te bekeren: "door het bekeren tot [de islam] zou men niet langer beperkt hoeven te worden tot een bepaalde wijk, of het slachtoffer te zijn van discriminerende maatregelen of vernederingen te lijden". Bovendien is de hele islamitische wet erop gebrand om bekering te bevorderen. Wanneer een 'ongelovige' een moslim werd, kon hij onmiddellijk profiteren van een volledige vrijspraak van al zijn vroegere misdaden, zelfs als hij tot de doodstraf was veroordeeld, en ook al was het voor het beledigen van de profeet of het Woord van God te bespotten: zijn bekering had hem vrijgesproken van al zijn fouten, van al zijn voorgaande zonden.

Dit juridisch advies, gegeven door een mufti van al-Andalus in de 9e eeuw, is heel leerzaam: een christelijke dhimmi had een moslima ontvoerd en verkracht, en toen hij werd gearresteerd en ter dood veroordeeld, bekeerde hij onmiddellijk tot de islam, en werd hij automatisch vergeven, hoewel hij wel werd verplicht om met de vrouw te trouwen en te voorzien in een bruidsschat voor haar in overeenstemming met haar status. De mufti die werd geraadpleegd over de zaak, waarschijnlijk door een broer van de vrouw, vond dat de beslissing van de rechtbank volkomen legaal was, maar verhelderde wel dat als die bekeerling geen trouwe moslims was en in het geheim een christen bleef, dat hij dan gemarteld, afgeslacht en gekruisigd moest worden.

Al-Andalus vertegenwoordigde het land van de jihad bij uitstek. Elk jaar (soms twee keer per jaar) werden roofbendes erop uit gestuurd naar de christelijke Spaanse koninkrijken in het noorden, de Baskische regio, of Frankrijk en de Rhône-vallei, om die te plunderen en buit en slaven terug te brengen. Andalusische zeerovers vielen Siciliaanse en Italiaanse kusten aan en binnen, zelfs tot aan de Egeïsche Eilanden, en zij plunderden en verbrandden wat ze konden vinden. Vele duizenden niet-islamitische gevangenen werden voor de slavernij gedeporteerd naar Andalusië, waar de kalief een leger had van tienduizenden christelijke slaven, overgebracht uit alle delen van het christelijke Europa (de Saqaliba), en een harem had vol met gevangen genomen christelijke vrouwen. De maatschappij was sterk verdeeld langs etnische en religieuze lijnen, met de Arabische stammen aan de top van de hiërarchie, gevolgd door de Berbers, die ondanks hun islamisering nooit werden erkend als gelijken, en lager in de schaal kwamen de bekeerlingen (mullawadun) en, helemaal onderaan, de dhimmi's: christenen en joden.

De Andalusische jurist Ibn Abdun (overleden in 1134) van de stroming Maliki bood deze veelzeggende juridische adviezen met betrekking tot joden en christenen in Sevilla rond 1100 n.Chr.:

Geen jood of christen kan worden toegestaan om de kleding van een aristocraat dragen, noch van een jurist, noch van een rijk persoon; integendeel, ze moeten worden verafschuwd en vermeden. Het is verboden om ze [te begroeten] met de [uitdrukking] "Vrede zij met u". In feite heeft Satan bezit van hen genomen, en ervoor gezorgd dat ze Gods waarschuwing zijn vergeten. Zij zijn de bondgenoten van de partij van Satan; Satans bondgenoten zullen zeker de verliezers zijn!

Een onderscheidend teken moet aan hen worden opgelegd zodat ze kunnen worden herkend, en dit zal voor hen een vorm van schande zijn.

Koran 58:19 [moderne vertaling door Dawood]

Ibn Abdun verbood ook de verkoop van wetenschappelijke boeken aan dhimmi's onder het voorwendsel dat zij die vertaalden en zeiden dat hun geloofsgenoten en bisschoppen ze hadden geschreven. In feite is zulk plagiaat moeilijk te bewijzen, omdat hele joodse en christelijke bibliotheken werden geplunderd en vernietigd [door de moslims]. Een andere prominente Andalusische jurist, Ibn Hazm van Cordoba (overleden in 1064), schreef dat Allah de ongelovigen alleen maar bezit van eigendommen had gegeven om simpelweg buit voor moslims te bieden.

In Granada werden tussen 1056/66 de joodse viziers Samuel Ibn Naghrela en zijn zoon Jozef, die de joodse gemeenschap beschermden, beiden vermoord, en vervolgens vernietigden de lokale moslims de joodse bevolking. Er wordt geschat dat tot vijfduizend joden kwamen om in de pogrom van de moslims die de moorden in 1066 vergezelde. Dit cijfer gelijk is aan of groter dan het aantal joden dat zo'n dertig jaar later, aan het begin van de Eerste Kruistocht, gedood werd door de Kruisvaarders tijdens hun plundering van het Rijnland. De pogrom van Granada was waarschijnlijk deels aangesticht door het bitter anti-joodse gedicht van Abu Ishaq, destijds een bekende moslim jurist en dichter, die schreef:

Herinner ze aan hun plaats en breng hen terug in hun meest verachtelijke toestand. Ze zwierven ooit om ons heen in lompen omgeven met verachting, vernedering en minachting. Ze snuffelden ooit door de mesthopen zoekend naar een vies stuk vod om als een doodskleed te dienen om een man in te begraven. Denk niet dat het doden van hen verraad is. Neen, het zou verraad om ze te laten spotten. [De vertaler maakt er vervolgens een samenvatting van: De joden hebben hun verbond gebroken (dat wil zeggen, overschreden hun status, onder verwijzing naar het verbond van Umar), en wroeging was alleen maar gepast].

De Berberse moslims, de Almohaden van Spanje en Noord-Afrika (1130-1232), richtten enorme vernietiging aan onder zowel de joodse als de christelijke bevolking. Deze verwoesting - bloedbaden, gevangenschap, en gedwongen bekering - werd beschreven door de joodse kroniekschrijver Abraham Ibn Daud, en de dichter Abraham Ibn Ezra. De moslim 'inquisiteurs' (dat wil zeggen, die vóór hun christelijke Spaanse collega's drie eeuwen later) twijfelden aan de oprechtheid van de joodse bekeerlingen tot de islam, en verwijderde daarom de kinderen uit deze gezinnen, om ze bij islamitische opvoeders te plaatsen. Maimonides, de beroemde filosoof en arts, maakte de vervolgingen door de Almohaden mee, en moest in 1148 Cordoba ontvluchten met zijn hele gezin, tijdelijk onderdak zoeken in Fez - vermomd als een moslim - voordat hij asiel aan kon vragen in Fatimid Egypte.

Inderdaad, hoewel Maimonides vaak wordt aangeduid als een toonbeeld van joods succes onder de verlichte regering van Andalusië, ontkrachten zijn eigen woorden dit utopische beeld van de islamitische behandeling van de joden:

De Arabieren hebben ons zwaar vervolgd, en verderfelijke en discriminerende wetgeving tegen ons ingevoerd. Nog nooit heeft een natie ons zo veel gemolesteerd, gedegradeerd, vernederd, en gehaat als zij deden.

Ottomaanse dhimmitude

Zelfs de Turkofiele 19e-eeuwse reisschrijver Ubicini erkende de beklemmende last van de Ottomaanse dhimmitude in deze ontroerende beschrijving:

De geschiedenis van tot slaaf gemaakte volkeren is overal hetzelfde, of beter gezegd, ze hebben geen geschiedenis. De jaren en de eeuwen gaan voorbij zonder dat hun situatie anders wordt. Generaties komen en gaan in stilte. Men zou kunnen denken dat ze bang zijn om hun meesters, die naast hen slapen, te wekken. Maar als u ze van dichtbij bekijkt, zult u ontdekken dat deze onbeweeglijkheid slechts oppervlakkig is. Zij zijn in de greep van een stille en constante woede. Het leven is volledig teruggetrokken in het hart. Ze lijken op die rivieren die zijn verdwenen onder de grond; als u uw oor tegen de aarde drukt, kunt u het gedempte geluid van hun wateren horen, daarna komen ze op enkele mijlen afstand weer intact tevoorschijn. Dat is de toestand van de christelijke bevolking van Turkije onder Ottomaanse heerschappij.

Ottomaans devshirme-janitsaren systeem

Geleerden die serieuze, gedetailleerde onderzoeken hebben gedaan naar het devshirme-systeem kwamen tot de conclusies hieronder. Vryonis, Jr bijvoorbeeld, maakt deze opzettelijk ingetogen maar overtuigende waarnemingen:

Bij het bespreken van de devshirme hebben we te maken met de grote aantallen christenen die, ondanks de materiële voordelen die er zaten aan bekering tot de islam, ervoor kozen om de leden van een religieuze samenleving te blijven die het volledige burgerschap werd geweigerd. Daarom zijn de theorieën van sommige historici, dat de christenen de devshirme verwelkomden aangezien het nieuwe prachtige kansen voor hun kinderen bood, in strijd met het feit dat deze christenen er überhaupt niet voor hadden gekozen moslims te worden, maar christenen waren gebleven. [Er] is overvloedig bewijs voor de zeer actieve afkeer waarmee ze het afnemen van hun kinderen beschouwden. Men zou dergelijke sentimenten ook kunnen verwachten gezien de sterke aard van de familieband en ook gezien dat degenen die niet waren bekeerd tot de islam sterk gehecht waren aan het christendom. [...] Allereerst misbruikten de Ottomanen de algemene christelijke angst voor het verlies van hun kinderen en deden tijdens de onderhandelingen voor de overdracht van christelijke landen de aanbieding van vrijstelling van [dienstplicht in] de devshirme. Dergelijke vrijstellingen zijn opgenomen in de voorwaarden voor overgave van Jannina, Galata, de Morea, Chios, etc. [...] Christenen die zich bezighielden met gespecialiseerde activiteiten die belangrijk waren voor de Ottomaanse staat waren ook vrijgesteld van de belasting op hun kinderen, omdat het belang van hun werk werd erkend door het rijk. [...] Vrijstelling van deze belasting werd beschouwd als een voorrecht en geen boete. Er zijn andere documenten waarin hun [dat wil zeggen, de christenen] afkeer veel meer expliciet duidelijk is. Hieronder is een reeks van Ottomaanse documenten over de specifieke situaties waarin de devshirmes zelf zijn ontsnapt aan de ambtenaren die verantwoordelijk waren voor het verzamelen. In 1601 droeg een firman [koninklijk bevel] de [Ottomaanse] ambtenaren op om strenge maatregelen [met betrekking tot de devshirme] te handhaven, een feit dat erop lijkt te wijzen dat de ouders niet altijd afscheid wilden nemen van hun zonen:

[Dit] om de opdracht van de bekende en heilige fetva [fatwa] van Seyhul [Shaikh] af te dwingen - de islam. In overeenstemming hiermee moet, als iemand van de ongelovige ouders of een ander zich verzet tegen het meegeven van zijn zoon aan de janitsaren, hij onmiddellijk worden opgehangen voor de drempel van deur, en wordt zijn bloed onwaardig geacht.

Vasiliki Papoulia wijst op de voortdurende wanhopige, vaak gewelddadige strijd van de christelijke bevolkingen tegen deze met geweld opgelegde Ottomaanse heffing:

Het is duidelijk dat de bevolking een sterke afkeer had van deze maatregel, [en de heffing] kon alleen worden uitgevoerd met geweld. Degenen die weigerden hun zonen op te geven - de gezondste, de mooiste en de meest intelligente - werden ter plaatse gedood door ophanging. We hebben echter wel voorbeelden van gewapend verzet. In 1565 vond er een opstand plaats in Epirus en Albanië. De inwoners doodden de officieren van werving en de opstand werd pas neergeslagen nadat de sultan vijfhonderd janitsaren had gestuurd ter ondersteuning van de lokale Sanjak-geestelijke. Dankzij de historische archieven van Yerroia hebben we meer informatie over de opstand in Naousa in 1705, waarbij de inwoners de Silahdar [geestelijke] Ahmed Celebi doodden en zijn assistenten, en naar de bergen vluchtten als rebellen. Sommigen van hen werden later gearresteerd en ter dood veroordeeld. Aangezien er geen mogelijkheid was om te ontsnappen [aan de heffing] zocht de bevolking naar verschillende uitwegen. Sommigen verlieten hun dorpen en vluchtten naar bepaalde steden die vrijgesteld waren van de kinderheffing, of emigreerden naar Venetiaanse gebieden. Het resultaat was een ontvolking van het platteland. Anderen lieten hun kinderen trouwen op jonge leeftijd. [Zo stelt] Nicephorus Angelus stelt dat de kinderen soms op eigen initiatief wegliepen, maar toen ze hoorden dat de autoriteiten hun ouders hadden gearresteerd en aan het doodmartelen waren, keerden ze terug en gaven zich over. La Giulletiere citeert het geval van een jonge Athener die terugkeerde van onderduiking om zijn vader te redden en er toen voor koos om zelf te sterven in plaats van zijn geloof af te zweren. Volgens het bewijsmateriaal in Turkse bronnen zijn sommige ouders er zelfs in geslaagd hun kinderen te ontvoeren nadat ze waren ingelijfd. De meest succesvolle manier om aan werving te ontsnappen was door omkoping. Dat dit laatste zeer wijd verbreid was blijkt uit de grote hoeveelheden geld die de sultan in beslag heeft genomen van corrupte ambtenaren. Tot slot deden de ouders in hun wanhoop zelfs een beroep op de paus en de Westerse mogendheden voor hulp.

Papoulia concludeert: "Er is geen twijfel dat deze zware last een van de moeilijkste beproevingen van de christelijke bevolking was".


Dhimmitude in Griekenland onder de Ottomaanse heerschappij

[De volgende werken van] A.E. Vacalopoulos [zijn essentieel in onderzoek naar Griekse dhimmitude]:
- History of Macedonia, 1354-1833. Thessaloniki, 1973. p 67-74, 353-358, 636-652.
- "Background and Causes of the Greek Revolution". Neo-Hellenika 2 (1975): 53-68.
- The Greek Nation, 1453-1669. New Brunswick, New Jersey, Rutgers University Press, 1976. Hoofdstukken 1-4.

Vacalopoulos beschrijft hoe dhimmitude opgelegd door de Ottomaanse heerschappij een kritiek punt van motivatie werd voor de Griekse Revolutie ("Background and Causes of the Greek Revolution", p 54-55):

De revolutie van 1821 is niet meer dan de laatste grote fase van de weerstand van de Grieken tegenover Ottomaanse overheersing; het was een meedogenloze, plotselinge oorlog, die reeds was begonnen in de eerste jaren van de slavernij. De wreedheid van een autocratisch regime, die werd gekenmerkt door economische plundering, intellectueel verval en culturele achteruitgang, zou uiteindelijk zeker oppositie uitlokken. Allerlei soorten beperkingen, onwettige belastingen, dwangarbeid, vervolging, geweld, gevangenschap, dood, ontvoeringen van meisjes en jongens en hun opsluiting in Turkse harems, en verschillende daden van wreedheid en lust, samen met tal van minder aanstootgevende misstanden - al deze waren een voortdurende beproeving voor het overlevingsinstinct en ze gingen buiten alle grenzen van het menselijk fatsoen. De Grieken haatten alle beledigingen en vernederingen bitter, en hun angst en frustratie duwde ze in de armen van rebellie. Er was geen overdrijving in de verklaring van een van de geestelijken in Arta, toen hij probeerde om de wreedheid van de strijd uit te leggen. Hij zei: "We hebben de rayahs (dwz onze christelijke onderdanen) [dhimmi's] een hoop aangedaan, en vernietigden zowel hun rijkdom als hun eer; zij werden wanhopig en namen de wapens op. Dit is nog maar het begin en zal uiteindelijk leiden tot de vernietiging van ons rijk". Het lijden van de Grieken onder Ottomaanse heerschappij was dus de voornaamste oorzaak van de opstand. Die psychologische stimulans werd verstrekt door de aard van de omstandigheden.

Dhimmitude in Palestina

In zijn uitgebreide onderzoek van het 19e-eeuwse Palestijnse jodendom onder Ottomaanse heerschappij maakte professor Tudor Parfitt deze relevante opmerkingen: Binnen de steden werden joden en andere dhimmi's vaak aangevallen, verwond, en zelfs gedood door lokale moslims en Turkse soldaten. Zulke aanvallen waren vaak voor onbenullige redenen: Wilson [van de Britse afd. correspondentie van Buitenlandse Zaken] herinnerde zich dat hij een jood had ontmoet die ernstig was verwond door een Turkse soldaat omdat hij niet direct afgestapt was toen hij het bevel kreeg om zijn ezel aan een soldaat van de Sultan te geven. Veel joden werden gedood voor nog kleinere dingen. Af en toe hebben de autoriteiten geprobeerd om een of andere vorm van uitleg te krijgen, maar dit was niet altijd het geval: de Turkse autoriteiten waren soms zelf verantwoordelijk voor het doodslaan van joden vanwege een of andere onbewezen beschuldiging. Na één zo'n voorval merkte [de Britse consul] Jonge op: "Ik moet zeggen dat ik treurig en verbaasd ben dat de gouverneur zo beestachtig kon hebben gehandeld - want na wat ik van hem heb gezien zou ik toch zeker denken dat hij boven zo'n moedwillige onmenselijkheid staat - maar het was een jood - zonder vrienden of bescherming - en het laat goed zien dat het niet zonder reden is dat de arme jood, zelfs in de 19e eeuw, van dag tot dag moet vrezen voor zijn leven". (The Jews of Palestine. p 168, 172-173)

Dhimmitude tijdens en na de Tanzimat-periode - Ottomaanse Rijk

De Tanzimat, de reorganisatie van het Ottomaanse Rijk, was een periode van hervormingen die begon in 1839 en eindigde met de eerste grondwet in 1876. De tijd van de Tanzimat-hervormingen werd gekenmerkt door diverse pogingen om het Ottomaanse Rijk te moderniseren, om zijn territoriale samenhang te beveiligen tegen nationalistische bewegingen en agressieve groeperingen. De hervormingen moedigden Ottomanisme aan tussen de diverse etnische groepen van het Rijk, een poging om het tij van de nationalistische bewegingen binnen het Ottomaanse Rijk te keren. De hervormingen probeerden om niet-moslims en niet-Turken te verenigen in de Ottomaanse samenleving door hun burgerlijke vrijheden uit te breiden en de erkenning van hun gelijkheid in het hele Rijk door te voeren.

Edouard Engelhardt maakte deze opmerkingen in zijn gedetailleerde analyse van de Tanzimat-periode, en merkte op dat een kwart eeuw na de Krimoorlog (1853-1856) en de tweede golf van Tanzimat-hervormingen nog steeds dezelfde problemen bleven bestaan:

De islamitische samenleving is nog niet afgestapt van de vooroordelen die de veroverde volkeren ondergeschikt maken... de rayah [dhimmi's] blijven inferieur aan de Osmanen; in feite is er niet hervormd, het fanatisme van de begindagen is nog hetzelfde. [Zelfs liberale moslims verwierpen] burgerlijke en politieke gelijkheid, dat wil zeggen, de assimilatie van de veroverde met de veroveraars. (La Turquie et La Tanzimat, 2 Vols. Parijs, 1882)

Een systematisch onderzoek van de toestand van de christelijke rayahs werd rond 1860 uitgevoerd door de Britse consuls gestationeerd in het Ottomaanse Rijk, waar uitgebreide primaire brondocumenten als bewijs kwamen. Groot-Brittannië was toen de machtigste bondgenoot van Turkije, en het was in haar strategisch belang om te zorgen dat onderdrukking van de christenen werd beëindigd, dit om directe agressieve Russische of Oostenrijkse tussenkomst te voorkomen. Op 22 juli 1860 stuurde Consul James Zohrab een lang rapport uit Sarajevo naar zijn ambassadeur in Constantinopel, Sir Henry Bulwer, met opnieuw een analyse van de administratie van de provincies Bosnië en Herzegovina naar aanleiding van de Tanzimat-hervormingen van 1856. Over de hervormingen zegt Zohrab als volgt:

Ik kan gerust zeggen dat de Hatti-humayoun vrijwel in onbruik blijft. Hoewel [dit] niet direct toelaat dat christenen worden behandeld zoals ze voordien waren behandeld, is het tot nu toe ondraaglijk en onrechtvaardig dat het de moslims toestaat om ze te beroven met zware afpersingen. Er is dagelijks onterechte gevangenschap (gevangenisstraf onder valse beschuldiging) aan de orde. Een christen heeft maar een kleine kans om zijn onschuld te bewijzen als zijn tegenstander een moslim is. [...] Het bewijs van een christen wordt als regel nog steeds geweigerd. [...] Christenen mogen nu onroerend goed bezitten, maar zij lopen tegen zo veel en frustrerende hindernissen aan wanneer ze het proberen te kopen, dat er nog maar heel weinig aan durven. [ D]at is over het algemeen het bewind dat de regering erop na houdt tegenover de christenen in de hoofdstad (Sarajevo) van de provincie, waar de consulaire ambtenaren van de verschillende machten zitten en een zekere mate van controle uit kunnen oefenen. [En daarom] is het makkelijk te raden hoe zeer de christenen in de meer afgelegen districten lijden; die worden bestuurd door Mudirs (gouverneurs) die in het algemeen fanatiek zijn en onbekend met de (nieuwe hervormingen van de) wet.

Zelfs de moderne Ottomanist Roderick Davison erkent dat de hervormingen niet zijn geslaagd, en biedt een verklaring dat het islamitische geloof diep gehecht is aan het systeem van dhimmitude:

Er is nooit echte gelijkheid bereikt [en] er bleef onder de Turken een intens islamitisch gevoel dat soms kan uitbarsten in open fanatisme. [...] Belangrijker dan het risico op fanatieke uitbarstingen was echter de aangeboren houding van meerderwaardigheid die de islamitische Turk bezat. De islam was voor hem de ware religie. Het christendom was slechts een gedeeltelijke openbaring van de waarheid, die uiteindelijk volledig geopenbaard is door Mohammed, en daarom waren christenen niet gelijk aan moslims wat betreft het bezit van de waarheid. De islam was niet alleen een manier van aanbidding, het was een manier van leven. Het had voorschriften voor relaties van mens tot mens, maar ook tot God, en het was de basis voor de samenleving, voor de wet, en voor de overheid. Christenen werden daarom onvermijdelijk beschouwd als tweederangs burgers wat betreft religieuze openbaring, en ook op grond van het simpele feit dat ze waren veroverd door de Ottomanen. Deze hele islamitische visie werd vaak samengevat in de gemeenschappelijke term 'gavur' (of 'kafir'), wat 'ongelovige' of 'ongelovigen' betekent, een woord met emotionele en heel beledigende lading. Het was op zijn best gezegd twijfelachtig om nauwe banden te hebben met de 'gavur' of op gelijke voet te staan. "Vriendelijke omgang met heidenen en ongelovigen is verboden voor de mensen van de islam", zei Asim, een historicus uit de vroege 19e eeuw, "en vriendelijke en intieme omgang tussen twee partijen die van elkaar verschillen als dag en nacht is verre van wenselijk". [...] Alleen al het idee van gelijkheid, in het bijzonder de anti-beledigingswet van 1856, beledigde het Turkse aangeboren gevoel van gerechtigdheid. "Nu kunnen we een gavur niet meer een gavur noemen", werd er gezegd, soms bitterlijk en soms in een gortdroge uitleg dat onder de nieuwe wetten men niet langer openlijk de zuivere waarheid kon spreken. Kunnen hervormingen aanvaard worden als ze verbieden om een beestje bij zijn naam te noemen? [...] De Turkse denkwijze, geconditioneerd door eeuwen van islamitische en Ottomaanse overheersing, was nog niet klaar om een absolute gelijkheid aanvaarden. [...] Ottomaanse gelijkheid werd niet bereikt in de Tanzimat-periode [dat wil zeggen, midden tot eind 19e eeuw, 1839-1876], noch na de Jonge Turken-revolutie van 1908. ("Turkish Attitudes Concerning Christian–Muslim Equality in the Nineteenth Century". American Historical Review 59. p 848, 855, 859, 864)

Dhimmitude - Zoroasten in Iran

[Twee bronnen over de zoroasten in Iran zijn Mary] Boyce's A Persian Stronghold of Zoroastrianism, en Napier Malcolm's Five Years in a Persian Town. Malcolm] leefde aan het eind van de 19e eeuw tussen de aanhangers van het zoroastrisme in de centraal gelegen Iraanse stad Yezd. Hij documenteerde het volgende in zijn verhaal:

Tot 1895 mocht geen enkele parsi (zoroastrische) een paraplu meenemen. Zelfs in de tijd dat ik in Yezd was mochten ze die niet dragen in de stad. Tot 1895 was er een sterk verbod op brillen en lornetten; tot 1885 mochten ze geen ringen dragen, hun riemen moest worden gemaakt van ruw canvas, maar na 1885 was elk wit materiaal toegestaan. Tot 1896 waren de parsi's verplicht om hun tulbanden te draaien in plaats van te vouwen. Tot 1898 was alleen bruin, grijs en geel toegestaan voor hun qaba [overjas] of arkhaluq [jas] (bovenkleding), maar daarna waren alle kleuren toegestaan, behalve blauw, zwart, helder rood, of groen. Er was ook een verbod op witte kousen, en tot ongeveer 1880 moest de parsi een speciaal soort eigenaardig lelijke schoen dragen met een brede, opstaande teen. Tot 1885 moesten ze gescheurde mutsen dragen. Tot 1880 moesten ze strakke korte broeken dragen, effen, in plaats van lange broeken te dragen. Tot 1891 moesten alle aanhangers van het zoroastrisme te voet gaan in de stad, en zelfs in de woestijn moesten ze afstappen als zij een moslim van welke rang dan ook tegenkwamen. In de tijd dat ik in Yezd was mochten ze rijden in de woestijn, en moesten alleen afstappen als zij aan een grote moslim voorbijgingen. Er waren andere soortgelijke kledingvoorschriften die te talrijk en te onbenullig zijn om op te noemen.

Toen moesten de huizen van zowel de parsi's als de joden, inclusief de omringende muren, zo laag worden gebouwd dat een moslim zijn hand op het dak kon leggen; zo mochten echter wel naar beneden graven onder het straatniveau. De muren moesten wit worden gemaakt rondom de deur. Dubbele deuren, de veelvoorkomende vorm van Perzische deur, waren verboden, net als kamers met drie of meer ramen. Bad-girs [luchtrooster in windtoren] waren nog steeds verboden voor de parsi's toen we in Yezd waren, maar in 1900 gaf een van de rijkere parsi-handelaren een groot cadeau aan de gouverneur en de leidende mujtahid (mohammedaanse priester) om er eentje te mogen bouwen. Een extra verdieping bouwen was ook verboden.

Tot ongeveer 1860 mochten parsi's geen handel drijven. Ze verborgen wel dingen in hun kelders en verkochten ze in het geheim. Zij kunnen nu handelen met de karavanen of in herbergen, maar niet op de bazaars, noch mogen zij handelen in linnen stoffen. Tot 1870 werden ze niet toegestaan om een school voor hun kinderen te bouwen.

Het bedrag van de jizya, ofwel belasting op ongelovigen, werd berekend naar de rijkdom van de individuele parsi, maar het was nooit minder dan twee tomans [een som geld, 10.000 dinars]. Een toman is nu ongeveer drie shilling en acht pence waard, maar vroeger was het veel meer waard. Zelfs nu, nu het geld veel is gedevalueerd, is het een arbeidersloon voor tien dagen. Het geld moest ter plekke worden betaald wanneer een [parsi] degene ontmoette die de belasting verzamelde: de 'farrash' [betekent letterlijk een 'tapijtveger', maar eigenlijk een dienstknecht met name voor klusjes buiten]. De farrash was mocht doen wat hij maar wilde tijdens het verzamelen van de jizya. De man mocht niet eens naar huis gaan om het geld te halen, maar werd meteen geslagen totdat het geld werd gegeven. Rond 1865 bond een farrash die de belasting kwam halen een man vast aan een hond, en gaf hij ieder om de beurt een klap.

Rond 1891 zag een mujtahid op een van de pleinen van de stad een zoroastrische koopman die witte kousen droeg. Hij beval dat de man geslagen zou worden en de kousen afgepakt. In ongeveer 1860 ging een man van zeventig naar de markt in een witte broek van ruwe stof. Ze sloegen hem eerst flink, trokken zijn broek uit, en stuurde hem naar huis met de broek onder zijn arm. Soms werden parsi's gedwongen om op één been te staan op in het huis van een mujtahid totdat ze eraan toegaven een aanzienlijke som geld te betalen.

Tijdens de regering van wijlen Sjah Nasirud Din was een Britse parsi uit India genaamd Manukji Limji, voor lange tijd de vertegenwoordiger van de parsi's in Teheran. Bijna alle maatregelen tegen de parsi's werden ingetrokken, zoals de jizya, de kledingvoorschriften en die met betrekking tot de huizen, maar het erfrecht werd niet veranderd, volgens welke een parsi die bekeert tot de islam meer recht heeft op de erfenis dan zijn zoroastrische broers en zussen. De jizya werd eigenlijk kwijtgescholden, en ook enkele regels ten aanzien van huizen, maar de rest van de firman [het bevel] werd daargelaten.

In 1898 gaf de huidige Shah, Muzaffarud Din, zo'n firman aan Dinyar, de huidige Qalantar [leider] van de Anjuman [commissie van parsi's], waarin Din alle resterende maatregelen tegen de parsi's introk, en het ook onwettig verklaarde om fraude of misleiding te gebruiken bij het bekeren van parsi's tot de islam. Dit bevel lijkt niet echt effect te hebben gehad.

Rond 1883, nadat het bevel van Nasirud Din Shah was afgekondigd, bouwde een van de parsi's, genaamd Rustami Ardishiri Dinyar, in Kucha Biyuk, een van de dorpen in de buurt Yezd, toch een huis met een bovenste kamer, iets boven de hoogte tot welke de parsi's vroeger beperkt waren. Hij hoorde dat de moslims hem zouden komen doden, dus hij vluchtte 's nachts naar Teheran. Ze doodden een ander parsi, Tirandaz, die ze voor hem aanzagen, maar mochten het huis niet vernietigen.

Dus het moeilijke zat hem niet in de wet verbeteren, maar eerder om die gehandhaafd te krijgen. Toen Manukji [Britse parsi en consul in Teheran] in Yezd was, ongeveer rond 1870, werden twee parsi's buiten de stad aangevallen door twee moslims, en ééntje werd gedood, de ander vreselijk gewond toen ze hadden geprobeerd om zijn hoofd af te hakken. De Gouverneur bracht de criminelen naar Yezd, maar deed niets tegen hen. Manukji kreeg toestemming om ze naar Teheran te brengen. De minister-president vertelde hem echter dat er geen moslim mocht worden gedood voor een Zardushti, of zoroastrische, en dat zij alleen zouden worden geslagen op hun voetzolen. Rond deze tijd vroeg Manukji of het waar was dat de bloed-prijs van een Zardushti rond de zeven tomans lag. Hij kreeg het antwoord dat het een beetje zou moeten zijn dan dat [dus een maandloon als boete voor moord...].

De parsi's uit Yezd zijn aanzienlijk geholpen door diplomaten uit Bombay, de Britse onderdanen, en de zaken de laatste jaren iets zijn verbeterd. [Five Years in a Persian Town. New York, 1905. p 45-50]


f. Jihad in de moderne tijd

Na de nederlaag bij de poorten van Wenen in 1683 kwam de islam in een periode van strategisch verval waarin deze steeds meer werd gedomineerd door de groeiende Europese koloniale machten. Door de materiële zwakte ten opzichte van het Westen was Dar al-Islam niet in staat om grootschalige militaire campagnes te voeren tegen het ongelovige grondgebied. Het Islamitische Rijk, destijds geregeerd door de Ottomaanse Turken, werd [van zelf aanvallen] teruggebracht tot het verdedigen tegen steeds meer roofzuchtige Europese strijdkrachten.

In 1856 dwong het Westen de Ottomaanse regering tot het afschaffen van de dhimma waaronder de niet-islamitische onderdanen in het Rijk gebukt gingen. Dit leverde voor de voormalige dhimmi's tot dan toe onbekende mogelijkheden op voor sociale en persoonlijke verbetering, maar heeft ook de woede van de orthodoxe moslims aangewakkerd, die dit zagen als een schending van de sharia en hun door Allah gegeven superioriteit ten opzichte van ongelovigen.

Tegen het einde van de 19e eeuw braken de spanningen tussen de Europese onderdanen van het keizerrijk openlijk los toen de Ottomaanse regering in 1876 30.000 Bulgaren afslachtte voor het vermoeden dat ze aan het rebelleren waren tegen de Ottomaanse heerschappij. Omdat het Westen had ingegrepen en de Bulgaarse onafhankelijkheid had geregeld, waren de Ottomaanse regering en haar islamitische onderdanen steeds nerveuzer over andere groepen niet-moslims die onafhankelijkheid wilden.

Het was in deze sfeer dat de eerste fase van de Armeense genocide heeft plaatsgevonden in 1896, met de slachting van ongeveer 250.000 Armeniërs. Zowel burgers als militairen namen deel aan de slachtpartijen. In zijn boek The Burning Tigris documenteert Peter Balakian het hele gruwelijke verhaal. Maar de slachtpartijen van de jaren 1890 waren slechts de opmaat naar de veel grotere holocaust van 1915, die zo'n 1,5 miljoen mensen het leven heeft gekost. Hoewel er vele factoren zijn die hebben bijgedragen aan deze slachting, is er geen twijfel mogelijk dat de slachtingen niets anders waren dan een jihad tegen de Armeniërs, die niet langer beschermd waren door de dhimma. In 1914, toen het Ottomaanse Rijk meedeed in de Eerste Wereldoorlog aan de kant van de centrale machten, werd een officiële anti-christelijke jihad uitgeroepen.

Om het idee van de jihad te bevorderen publiceerde de sjeik-ul-Islam {de hoogste religieuze leider in het Ottomaanse Rijk} een proclamatie die de islamitische wereld opriep om op te staan en zijn christelijke onderdrukkers massaal te vermoorden. "Oh moslims", luidt het document, "Jullie die barsten van geluk en staan op het punt om jullie leven en goederen op te offeren voor de goede zaak, en de gevaren te trotseren, verzamelt jullie nu rond de keizerlijke troon". In de Ikdam, de Turkse krant die net was overgegaan in Duits bezit, werd het idee van jihad onderstreept: "De daden van onze vijanden hebben de toorn van God op hen neergebracht. Er is een sprankje hoop verschenen. Alle mohammedanen, jong en oud, mannen, vrouwen, en kinderen, moeten voldoen aan hun plicht. [...] Als we dat doen, is de bevrijding van de onderworpen mohammedaanse koninkrijken gegarandeerd" [...] "Hij die ook maar één ongelovige doodt van degenen die over ons heersen", stond er in een pamflet te lezen, "zal ongeacht of hij dit geheim of openlijk doet worden beloond door God" (geciteerd in The Burning Tigris. p 169-170.)

De anti-christelijke jihad bereikte zijn hoogtepunt in 1922 in Smyrna, aan de Middellandse Zee, waar 150.000 Griekse christenen werden afgeslacht door het Turkse leger onder het onverschillige oog van geallieerde oorlogsschepen. Alles bij elkaar werden van 1896 tot 1923 ongeveer 2,5 miljoen christenen gedood, in de eerste moderne genocide die tot op de dag van vandaag wordt ontkend door de Turkse regering.

Sinds het uiteenvallen van het Islamitische Rijk na de Eerste Wereldoorlog zijn er verschillende jihads uitgevochten over de hele wereld, door onafhankelijke islamitische landen en subnationale jihadistische groeperingen. De meest aanhoudende acties zijn gericht tegen Israël, dat de onvergeeflijke zonde heeft begaan van de wederopbouw van Dar al-Harb op het land dat vroeger een deel was van Dar al-Islam. Andere prominente jihads zijn gevochten tegen de Sovjets in Afghanistan, de Bosnische moslims tegen de Serviërs in het voormalige Joegoslavië, de islamitische Albanezen tegen de Serviërs in Kosovo, en de Tsjetsjenen tegen de Russen in de Kaukasus. Er zijn ook jihads gevoerd in heel Noord-Afrika, de Filippijnen, Thailand, Kashmir, en vele andere plaatsen in de hele wereld. Daarnaast zijn de overgrote meerderheid van de terreuraanslagen over de hele wereld gepleegd door moslims, met inbegrip van, natuurlijk, de spectaculaire aanvallen van 9/11/01 (USA), 3/11/04 (Spanje), en 7/7/05 (Engeland). (Voor een uitgebreidere lijst van islamitische aanslagen, zie www.thereligionofpeace.com.)

Feitelijk is er maar een vrij klein percentage van de tegenwoordige conflicten in de wereld niet begonnen door de islam. De islam is een comeback aan het maken.


3. Conclusie

Tegenwoordig is de belangrijkste hindernis voor een beter begrip van de islam - met uitzondering van misschien regelrechte angst - slordig taalgebruik. Laten we, om te beginnen, de veelgeroemde 'war on terror' noemen. Na even goed nadenken is de uitdrukking 'oorlog tegen het terrorisme' net zo zinloos als een oorlog tegen de 'blitzkrieg', 'kogels' of 'strategische bombardementen'. De 'oorlog tegen terrorisme' geeft aan dat het prima is als de vijand ons probeert te vernietigen - en, inderdaad, hierin slaagt - zolang hij maar geen 'terreur' gebruikt hiervoor.

Laten we het heel duidelijk maken dat 'terrorisme' een tactiek of list is die men gebruikt om een doel te bereiken; het is het doel van het islamitisch terrorisme dat we moeten gaan begrijpen, en dit vereist logischerwijs een begrip van de islam.

In tegenstelling tot de wijdverbreide overtuiging dat de ware islam vredelievend is, zelfs als een handvol van diens aanhangers gewelddadig zijn, hebben we hier gezien hoe de islamitische bronnen duidelijk maken dat de uitoefening van geweld tegen niet-moslims een centraal en onmisbaar principe van de islam is. De islam is niet zozeer een persoonlijk geloof als wel een politieke ideologie die bestaat uit een fundamentele en permanente staat van oorlog met niet-islamitische beschavingen, culturen en individuen. De islamitische heilige teksten schrijven het sociale, bestuurlijke en economische systeem voor de gehele mensheid voor. Die culturen en individuen die zich niet onderwerpen aan het islamitische bestuur leven feitelijk in een staat van rebellie tegen Allah en moeten met brute kracht tot onderwerping worden gebracht. De onzalige term 'islam-fascisme' is volstrekt overbodig: de islam zelf is een soort van fascisme dat zijn volledige en juiste vorm alleen bereikt als het de macht over de staat krijgt.

De grootschalige acties van islamitisch terrorisme in de late 20e en vroege 21e eeuw zijn slechts de meest recente manifestatie van een wereldwijde oorlog van verovering die de islam al aan het voeren is sinds de dagen van de profeet Mohammed in de 7e eeuw na Christus, en die ook tegenwoordig doorgaat. Dit is de eenvoudige, opvallende waarheid die de wereld van vandaag in het gezicht staart - en heeft dat al vele malen in het verleden gedaan - maar die weinigen vandaag de dag nog willen overdenken.

Het is belangrijk om te beseffen dat we hebben gesproken over de islam - niet islamitisch 'fundamentalisme', 'extremisme', 'fanatisme', 'islam-fascisme', of 'islamisme', maar de islam zelf, de islam in zijn orthodoxe vorm zoals die is begrepen en beoefend door de trouw gelovende moslims vanaf de tijd van Mohammed en tot nu aan toe. De toenemende gevallen van islamitisch terrorisme in de late 20e en vroege 21e eeuw zijn grotendeels te wijten aan de geo-strategische veranderingen na het einde van de Koude Oorlog [dat ze onder ons wonen] en de groeiende technische mogelijkheden voor terroristen [betere wapens hebben].

Met de ineenstorting van de Sovjet-heerschappij over een groot deel van de islamitische wereld, en in combinatie met de groeiende rijkdom van de islamitische olieproducerende landen, heeft de islamitische wereld meer en meer vrijheid en middelen om wereldwijde jihad te ondersteunen. Kort gezegd, de reden dat moslims opnieuw oorlog tegen de niet-islamitische wereld voeren is omdat ze het nu simpelweg kunnen.

Het is echter van groot belang op te merken dat, zelfs als er nooit meer een grote terroristische aanslag plaatsvindt op Westerse bodem, de islam nog steeds een dodelijk gevaar vormt voor het Westen. Een einde te maken aan terrorisme zou gewoon betekenen dat de islam een andere tactiek zal kiezen - misschien wijst dat op een benadering voor de lange termijn die de islamitische immigratie en hogere geboortecijfers mogelijk maakt totdat de islam dicht genoeg bij de overwinning is voor een volgende ronde van geweld. Het kan niet genoeg worden benadrukt dat islamitische terrorisme een symptoom van de islam is dat kan toenemen of afnemen in intensiteit, maar de ware islam blijft permanent vijandig.

Muhammad Taqi Partovi Samzevari vat het islamitische wereldbeeld in zijn Future of the Islamic Movement uit 1986:

Onze eigen profeet [was] een generaal, een staatsman, een beheerder, een econoom, een jurist en een eersteklas manager in één. [...] In de koranische historische visie moeten Allah's steun en de revolutionaire strijd van het volk samenkomen, zodat satanische heersers neergehaald en gedood zullen worden. Een volk dat niet bereid is om te doden en te sterven om een rechtvaardige samenleving te creëren, kan geen steun van Allah verwachten. De Almachtige heeft ons beloofd dat de dag zal komen dat de hele mensheid verenigd zal leven onder de vlag van de islam, wanneer het teken van de halve maan, het symbool van Mohammed, overal het hoogste zal zijn. [...] Maar die dag moet worden versneld door onze jihad, door onze bereidheid om ons leven op te offeren en het onreine bloed te vergieten van degenen die niet zien welk licht is meegebracht uit de Hemel door Mohammed in zijn Mi'raj {"nachtelijke reizen naar het 'gerecht' van Allah"}. [...] Het is Allah die het pistool in onze hand legt. Maar we kunnen niet verwachten dat Hij de trekker over zal halen alleen maar omdat wij zwakkelingen zijn.

Hierbij moet benadrukt worden dat alle analyses die hier zijn gegeven zijn afgeleid van de islamitische bronnen zelf, en niet het product zijn van de kritische Westerse wetenschap. (Want jawel, het meeste moderne Westerse onderzoek naar de islam is nauwelijks 'kritisch' in de zin van het woord). Het is de islams eigen interpretatie die geweld vereist en verheerlijkt, en niet de interpretatie van buitenaf.


4. Veel gestelde vragen

Er ontstaat altijd een reeks vragen wanneer het punt wordt gemaakt dat de islam gewelddadig is. Deze vragen zijn voor het grootste deel misleidend of niet relevant en kunnen de feitelijke bewijzen of argumenten dat geweld bij de islam hoort niet weerleggen. Toch zijn ze retorisch effectief bewezen in het het voorkomen van kritiek op de islam, en dus heb ik hier een aantal van hen aangepakt.


a. Hoe zit het met de Kruistochten?

Het voor de hand liggende antwoord op deze vraag is: "Nou en, wat is daarmee?" Het geweld dat gepleegd is in de naam van andere religies staat logisch gezien los van de vraag of de islam gewelddadig is. Maar door het noemen van de Kruistochten hopen de islamitische apologeten om de aandacht af te leiden van islamitisch geweld, en om religies in het algemeen als moreel gelijkwaardig af te schetsen.

In zowel de Westerse academische wereld en de media als in de islamitische wereld worden de Kruistochten gezien als oorlogen van agressie, uitgevochten door bloeddorstige christenen en tegen vreedzame moslims. Hoewel de Kruistochten zeker bloedig waren, kunnen ze beter worden begrepen als een verlate Westerse reactie op de eeuwenlange jihad dan als een niet uitgelokte aanval van één kant. De islamitische heerschappij in het Heilige Land begon in de tweede helft van de 7e eeuw, tijdens de Arabische golf van jihad, en met de veroveringen van Damascus en Jeruzalem door de tweede 'rechtgeleide kalief', Umar. Na de eerste bloedige jihad werd christelijk en joods leven daar getolereerd binnen de beperkingen van de dhimma, en de islamitische Arabieren stonden in het algemeen toe dat christenen in het buitenland hun bedevaart konden maken naar hun heilige plaatsen, want die praktijk bleek winstgevend voor de islamitische staat. In de 11de eeuw werd, als gevolg van de burgeroorlog in het Islamitische Rijk, de relatief gunstige Arabische administratie van het Heilige Land vervangen door die van de Seltsjoeken. Gedurende de tweede helft van de 11e eeuw voerden de Turken oorlog tegen het christelijke Byzantijnse Rijk en verdreef het van haar bolwerken in Antiochië en Anatolië (nu Turkije). In 1071 leden de Byzantijnse legermachten een verpletterende nederlaag in de Slag bij Manzikert, in wat nu Oost-Turkije is. De Turken hervatten de jihad in het Heilige Land, en daar en in de rest van Klein-Azië misbruikten, beroofden en doodden zij christenen, of maakten hen tot slaven. Ze dreigden het christendom af te snijden van zijn heiligste plaats, de Kerk van het Heilige Graf in Jeruzalem, dat onder Byzantijns beheer was herbouwd nadat het in 1009 was verwoest door kalief Al-Hakim bi-Amr Allah.

Het was in deze context van een hernieuwde jihad in het Midden-Oosten dat de Romaanse paus, Urbanus II, in 1095 een oproep deed aan de Westerse christenen om hun Oosterse neven ten hulp te komen (en Urbanus leek de hoop te hebben gekoesterd om Jeruzalem weer bij het pausdom te slepen na het Grote Schisma met het Oosterse christendom in 1054). Deze 'gewapende pelgrimstocht', waarin tal van zowel burgers als soldaten meegingen, zou uiteindelijk jaren later bekend worden als de Eerste Kruistocht. Het idee van een 'Kruistocht', zoals we die term nu kennen, dat wil zeggen een christelijke 'heilige oorlog', werd pas jaren later ontwikkeld met de opkomst van organisaties als de Tempeliers die Kruisvaarder zijn een manier van leven maakten. Het is noemenswaardig dat de meest felle Kruisvaarders, de Franken, precies van dat volk waren dat eerder eeuwenlang geconfronteerd was met jihad en razzia's langs de Frans-Spaanse grens, en die dus beter dan de meesten wisten aan wat voor verschrikkingen de moslims de christenen hadden onderworpen. Op het moment van de Eerste Kruistocht was de bevolking van Klein-Azië, Syrië en Palestina, hoewel die werden geregeerd door moslims, nog steeds overweldigend christelijk. De Kruistochten van de Westerse christelijke legers waren in die tijd rechtvaardig, als een oorlog om de Oosterse christenen te bevrijden, van wie de bevolking, het land, en de cultuur door eeuwen van jihad en dhimmitude was verwoest. Het veroveren van grondgebied voor God, zoals de jihad constant doet, was een vreemd idee voor het christendom, en het is niet verwonderlijk dat het uiteindelijk wegstierf in het Westen en nooit overwicht kreeg in het Oosten.

Naar aanleiding van de zeer bloedige verovering van Jeruzalem in 1099 door de Latijnse legers, en de oprichting van de Kruisvaardersstaten in Edessa, Antiochië en Jeruzalem, vochten de islamitische en christelijke troepen een getrouwtrek aan oorlogen, waarin beide partijen zich schuldig maakten aan de gebruikelijke chaos van oorlogsmisdaden. Na verloop van tijd, zelfs nadat de Kruistochten versterking kregen uit Europa, zijn de Kruisvaardersstaten vanwege onbestendige communicatie langzaam bezweken aan een superieure islamitische macht. In 1271 viel het laatste christelijke citadel, Antiochië, in handen van de moslims. Omdat de moslims niet langer op twee fronten hoefden te vechten om het christelijke front aan de oostelijke Middellandse Zee te onderwerpen, konden de moslims zich hergroeperen voor een 400 jaar lange jihad tegen Zuid- en Oost-Europa, die tweemaal tot aan Wenen kwam voordat hij werd gestopt. In geo-strategische termen kunnen de Kruistochten worden gezien als een poging van het Westen om zijn eigen vernietiging door de islamitische jihad te voorkomen door de vijand te bevechten. Het heeft tijdelijk gewerkt...

Het is significant dat terwijl het Westen nu al geruime tijd klaagt hoe verkeerd de Kruistochten waren, er nooit een serieuze islamitische autoriteit is geweest die spijt heeft geuit voor de eeuwenlange jihad en dhimmitude die ze andere samenlevingen aan hebben gedaan. Maar dit is niet verwonderlijk: terwijl religieus geweld in strijd is met de grondbeginselen van het christendom, staat religieus geweld geschreven in het DNA van de islam.


b. Als de islam gewelddadig is, waarom zijn zo veel moslims vreedzaam?

Deze vraag is een beetje hetzelfde als vragen: "Als het christendom nederigheid, tolerantie en vergeving leert, waarom zijn zoveel christenen dan arrogant, onverdraagzaam, en wraakzuchtig?" Het antwoord ligt in beide gevallen voor de hand: in elke religie of ideologie zullen er velen zijn die wel beweren dat ze zijn leer volgen, maar dat niet doen in de praktijk. Net zoals het vaak gemakkelijker voor een christen is om terug te slaan, roomser dan de paus te spelen, of anderen te minachten, is het vaak makkelijker voor een moslim om thuis te blijven in plaats van te beginnen aan de jihad. Huichelaars heb je overal.

Verder zijn er ook mensen die hun eigen geloof niet echt begrijpen en dus buiten de voorgeschreven daden handelen. In de islam zijn er waarschijnlijk veel moslims die hun religie niet echt begrijpen omdat de Koran in het Arabisch voorgelezen wordt, maar ze dat niet kunnen begrijpen. De barmhartige aandacht van Allah zij trekken door de woorden en geluiden van de Koran zelf, en niet de koranische kennis die een moslim heeft. Vooral hier in het Westen hebben moslims meer kans om zich aangetrokken te voelen tot Westerse gebruiken (wat verklaart waarom ze hier zijn) en minder kans om met geweld op te treden tegen de maatschappij waar ze misschien naartoe zijn gevlucht vanwege de islamitische tirannie in het buitenland.

Maar in welke sociale context dan ook is het zo dat als de islam groter wordt - een toenemend aantal volgelingen, de bouw van meer moskeeën en 'culturele centra', enz. - de kans groter wordt dat sommige van zijn aanhangers de gewelddadige voorschriften serieus zullen nemen. Dit is het probleem waarmee het Westen te kampen heeft.


c. Hoe zit het met de gewelddadige passages in de Bijbel?

Ten eerste, de gewelddadige passages in de Bijbel zijn niet relevant voor de vraag of de islam gewelddadig is.

Ten tweede, de gewelddadige passages in de Bijbel zijn zeker geen doorlopende opdracht om geweld te plegen tegen de rest van de wereld. In tegenstelling tot de Koran is de Bijbel een enorme verzameling van documenten die door verschillende mensen geschreven zijn op verschillende momenten en in verschillende contexten, wat zorgt voor een veel grotere vrijheid van interpretatie. De Koran, aan de andere kant, is afkomstig van één bron: Mohammed. Het is volgens het leven van Mohammed dat de Koran moet worden begrepen, zoals de Koran zelf zegt. Zijn oorlogen en moorden weerspiegelen en verspreiden de boodschap van de Koran. Bovendien is er in de strikte letterlijke bewoording van de Koran geen ruimte voor interpretatie als het gaat om zijn gewelddadige bevelen. Zoals het christendom haar werken interpreteert volgens het voorbeeld van Christus, de "Vredevorst", zo begrijpen moslims de Koran door het voorbeeld van de krijgsheer en tiran Mohammed.


d. Zou een islamitische 'hervorming' de islam vredig kunnen maken?

Zoals nu wel duidelijk moet zijn voor iedereen die de islamitische bronnen heeft bestudeerd, zou men om het geweld weg proberen te nemen uit de islam eerst twee dingen overboord moeten gooien: de Koran als het woord van Allah en Mohammed als profeet van Allah. Met andere woorden, de poging om de islam vreedzaam te maken zou een transformatie vereisen die het niet kan opbrengen. De Westerse Christelijke Reformatie, die vaak als een voorbeeld wordt gebruikt, was een (al dan niet succesvolle) poging om de kern van het christendom te herstellen, namelijk het voorbeeld en de leringen van Christus en de apostelen. Proberen om terug te gaan naar het voorbeeld van Mohammed zou heel andere gevolgen hebben. Men zou inderdaad kunnen zeggen dat de islam tegenwoordig een soort van 'Reformatie' ondergaat door middel van de toenemende jihadistische activiteiten over de hele wereld. De huidige moslims van de Salafi-stroming ('vroege generaties') doen precies dat door zich te richten op het leven van Mohammed en zijn vroege opvolgers. Deze hervormers staan bij hun tegenstanders bekend onder de beledigende term wahabieten. Omdat ze hun inspiratie halen uit Mohammed en de Koran worden ze steevast aangespoord tot geweld. Het ongelukkige feit is dat de islam tegenwoordig net zo is als het al veertien eeuwen is geweest: gewelddadig, intolerant en uitbreidingszuchtig. Het is dwaas om te denken dat wij in de loop van een paar jaar, of tientallen jaren, in staat zullen zijn om de fundamentele wereldbeelden van een vreemde beschaving te veranderen. We moeten de gewelddadige aard van de islam als permanent erkennen, en alleen dan zullen we in staat zijn om met passende beleidsmaatregelen te komen die onze overlevingskansen kunnen verbeteren.


e. Hoe zit het met de geschiedenis van Westers kolonialisme in de moslimwereld?

Nadat het Ottomaanse leger op 11 september 1683 vlak buiten Wenen een nederlaag leed dankzij de Poolse strijdkrachten, verviel de islam in een periode van strategische achteruitgang waarin het overgrote deel van hun rijk gedomineerd werd door de Europese strijdkrachten. Een groot deel van Dar al-Islam werd gekoloniseerd doordat Europese machten hun superieure technologie en de tweestrijd binnen de moslimwereld gebruikten om de koloniale heerschappij te vestigen.

Hoewel veel van de acties van de Westerse imperialistische machten die hun koloniën bestuurden duidelijk onrechtvaardig waren, is het volkomen onterecht om het Westerse imperialisme - zoals zo vaak - te zien als een door en door slechte criminele onderneming die de basis legde voor de moderne haat tegen het Westen. Het was alleen dankzij de assertieve rol van de Westerse machten dat moderne natiestaten zoals India, Pakistan, Israël, Zuid-Afrika, Zimbabwe, etc. überhaupt konden komen te bestaan. Zonder Westerse organisatiekracht zouden deze gebieden waarschijnlijk nog steeds zo chaotisch en stammengericht zijn geweest als de eeuwen daarvoor.

Wanneer men kijkt naar de post-koloniale wereld, is het duidelijk dat de meest succesvolle post-koloniale landen één ding gemeen hebben: ze zijn geen moslimlanden. De Verenigde Staten, Australië, Hong Kong, Israël, India, en de Zuid-Amerikaanse landen overtreffen duidelijk hun post-koloniale tegenhangers met een moslim-meerderheid - Irak, Algerije, Pakistan, Bangladesh, Indonesië, enz. - en zowat op alle fronten.


f. Hoe kan een gewelddadige politieke ideologie het op één na grootste en snelst groeiende geloof op aarde zijn?

Het is niet verwonderlijk dat een gewelddadige politieke ideologie zo aantrekkelijk blijkt voor een groot deel van de wereld. De aantrekkingskracht van fascistische ideeën is al bewezen door de geschiedenis. De islam combineert de innerlijke rust van religieus geloof met de uiterlijke kracht van een wereldveranderende politieke ideologie. Net als het revolutionaire geweld van het communisme, biedt de jihad een onzelfzuchtige rechtvaardiging voor het zaaien van dood en verderf. Zo'n ideologie trekt natuurlijk gewelddadige mensen aan, terwijl het de niet-gewelddadige mensen indirect stimuleert zelf de wapens op te nemen ofwel geweld te ondersteunen. Dat iets populair is maakt het niet automatisch goedaardig.

Bovendien zijn de gebieden waar de islam het snelst groeit, zoals West-Europa, grotendeels ontdaan van hun religieuze en culturele erfgoed, waardoor de islam nog de enig beschikbare levendige ideologie over is voor degenen die op zoek zijn naar de betekenis van het leven.


g. Is het eerlijk om alle stromingen van de islam als gewelddadig aan te duiden?

Islamitische apologeten wijzen er vaak op dat de islam niet monolithisch is en dat er meningsverschillen zijn tussen de verschillende islamitische stromingen. Dat is waar, maar terwijl er verschillen zijn, zijn er ook gemeenschappelijke elementen. Net als orthodoxe, rooms-katholieke en protestantse christenen over vele aspecten van het christendom verschillen van mening, maar nog steeds belangrijke gemeenschappelijke elementen accepteren, zo is het ook met de islam. Een van de gemeenschappelijke elementen van alle islamitische scholen van denken is de jihad, die wordt opgevat als de verplichting van de ummah om de wereld te veroveren en te onderwerpen in de naam van Allah, en het te regeren onder de sharia-wetgeving. De vier soennitische madhhabs (scholen van fiqh [islamitische religieuze wetgeving]) zijn Hanafi, Maliki, Shafi'i, Hanbali - en ze zijn het er allemaal over eens dat er een algemene verplichting voor moslims is om oorlog te voeren tegen de rest van de wereld. Bovendien zijn zelfs de scholen van denken buiten de soennitische orthodoxie, waaronder het soefisme en de Jafari (sji'itische) school, het eens over de noodzaak van de jihad. Als het gaat om het voeren van jihad zijn de verschillende scholen het alleen niet eens over vragen zoals of ongelovigen wel of niet eerst moet worden gevraagd om zich te bekeren tot de Islam voordat de vijandelijkheden kunnen beginnen (vlak voor Al-Qaeda's aanvallen vroeg Osama bin Laden aan Amerika om zich te bekeren), of hoe de buit verdeeld moet worden onder de zegevierende jihadisten, of dat de langetermijnstrategie Fabian (je tegenstander afmatten) tegen Dar al-Harb misschien beter is dan een openlijke aanval tot het bittere einde, enz.


h. Hoe zit het met de grote prestaties van de islamitische beschaving?

Islamitische prestaties op het gebied van kunst, literatuur, wetenschap, geneeskunde, enz. kunnen op geen enkele wijze weerleggen dat de islam intrinsiek gewelddadig is. Romeinse en Griekse beschavingen hadden net zo goed vele grote successen op deze gebieden, maar hielden er ook sterke tradities van geweld op na. Terwijl ze de wereld de briljante geesten van Vergilius en Horatius gaven, was Rome ook de basis voor gladiatorengevechten, de slachting van christenen, en soms ook onhoudbaar militarisme.

Bovendien zijn de prestaties van de islamitische beschaving vrij bescheiden in zijn 1300 jaar lange geschiedenis, zeker in vergelijking met de Westerse, hindoestaanse of Confuciaanse beschavingen. Veel islamitische 'prestaties' waren in feite het resultaat van niet-moslims die leefden binnen het Islamitische Rijk of van recente bekeerlingen tot de islam. Een van de grootste islamitische denkers, Averroes, kwam in ongunst bij de islamitische orthodoxie door zijn studie van de niet-islamitische (Griekse) filosofie en zijn voorkeur voor Westerse denkwijzen. Toen de dhimmi-bevolking van het Rijk eenmaal af begon te nemen in het midden van het tweede millennium na Christus, begon het sociale en culturele 'verval' van de islam.


Oorspronkelijke bron: Gregory M. Davis. "Islam 101". http://jihadwatch.org/islam101/

(oorspronkelijke bron is verder ontwikkeld/uitgebreid door de auteur van 2083)




1.7 Overzicht 2: Islam - Wat het Westen moet weten


Inhoudsopgave

1. Introductie

2. Er is geen God dan Allah en Mohammed is zijn profeet

3. De strijd

4. Uitbreiding

5. Oorlog is Bedrog

6. Meer dan een religie

7. Het Huis van Oorlog

Deze documentaire is hier als film beschikbaar:
http://video.google.com/videoplay?docid=-871902797772997781


1. Inleiding

Tony Blair:
Ik wil nog even zeggen, zoals ik al vaker heb gezegd, dat dit geen oorlog met de islam is. Het maakt mij boos, net als het de overgrote meerderheid van de moslims boos maakt, om te horen dat Bin Laden en zijn medewerkers beschreven worden als islamitische terroristen. Het zijn terroristen, puur en simpel. De islam is een vreedzame en tolerante religie, en de daden van deze mensen zijn geheel in strijd met de leer van de Koran.
George Bush:
Wij respecteren uw geloof. Het wordt vrij beoefend door vele miljoenen Amerikanen en door nog miljoenen meer in landen die Amerika rekent onder zijn vrienden. Zijn doctrine is goed en vreedzaam en degenen die kwaad begaan in de naam van Allah maken de naam van Allah ten schande.
Bill Clinton:
Onze acties zijn niet gericht tegen de islam. Het is het geloof van honderden miljoenen goede, vredelievende mensen over de hele wereld, waaronder in de Verenigde Staten. Geen enkele religie gedoogt de moord op onschuldige mannen, vrouwen en kinderen. Maar onze acties waren gericht op fanatici en moordenaars die moorden uit een zogenaamde gerechtigheid en daarmee maken ze de grote religie in wiens naam ze beweren te handelen ten schande.

Serge Trifkovic, redacteur van Foreign Affairs en het blad Chronicles

De Westerse politieke leiders hebben de neiging om de verbinding tussen de orthodoxe islamitische mainstream en terroristisch geweld te ontkennen, en dit wordt overal gekopieerd in universiteiten en de media, zowel in West-Europa als Noord-Amerika.

De leden van de eliteklasse hebben de neiging om te verkondigen dat de islam vreedzaam en tolerant is en de moslims die geweld plegen een niet-representatieve groep zijn.

Ik zou het echt op prijs stellen als mensen die zulke beweringen doen dan eens kunnen uitleggen waarom er vanaf de vroegste dagen van de islam al zo veel geweld door de moslims gebruikt wordt, van de vroegste dagen van de profeet Mohammed en zijn directe opvolgers tot de 13 eeuwen van de geschreven geschiedenis daarna.


Robert Spencer, auteur van Islam Unveiled, directeur van Jihadwatch.org

Schrijven de islam en de islamitische beschaving feitelijk zulk geweld voor zoals we over de hele wereld gepleegd zien worden in diens naam?

Als we hierover eerlijk moeten zijn zouden we absoluut ja moeten antwoorden. De islamitische bronnen, de islamitische teksten te beginnen met de Koran, maar niet alleen de Koran, ook islamitische teksten waaronder de Hadith, de islamitische traditie, de islamitische theologie, de islamitische wet, de tradities van de interpretatie van de Koran door de geschiedenis heen en islamitische geschiedenis zelf; allemaal getuigen ze van het feit dat de islam een doctrine ontwikkeld heeft van theologie en wetten die geweld tegen ongelovigen voorschrijft.


Bat Ye'or, Auteur - The Dhimmi: Jews and Christians under Islam

De oorsprong zit hem natuurlijk in de islamitische wens om de hele wereld te onderwerpen aan de enige religie - de enige rechtvaardige religie - en dat is de islam, en [ook in de wens voor] de onderdrukking van alle andere religies, om de heerschappij van Allah over de hele wereld te garanderen. Dit is een religieuze plicht die de hele gemeenschap verbindt, en die de moslimgemeenschap verplicht is te dragen, omdat ze verplicht zijn om de bevelen van Allah te gehoorzamen, en dit is de wens van Allah zoals die is uitgedrukt in de koranische openbaring.


Abdullah Al-Araby - Regisseur, Uitgeverij The Pen vs The Sword

Ik geloof dat die terroristen die anderen kwaad willen doen de ware islam beoefenen zoals die door Mohammed en zijn volgelingen werd beoefend in het vroege stadium van de islam.


2. Er is geen God dan Allah en Mohammed is zijn profeet

Robert Spencer

In de islamitische theologie wordt de profeet Mohammed beschouwd als 'al-insan al-kamil', de perfecte man. Hoe meer een moslim is zoals hij, des te beter. Dus de profeet Mohammed wordt tegenwoordig vereerd in de islamitische wereld als het primaire voorbeeld van menselijk gedrag.


Abdullah Al-Araby

Ter illustratie: de volgende voorbeelden van Mohammed inspireren huidige Palestijnse groepen om jihad te voeren tegen de joden in Palestina.

Uit: Authoritative Islamic History - The Life of Muhammad/Sirat Rasul Allah door Mohammed bin Ishaq (stierf in 773 n.Chr.). Bewerkt door Abdul Malik bin Hisham (d 840 n.Chr.). Vertaald door Prof Alfred Guillaume (1955).

Het Leven van Mohammed - p 464
Ze gaven zich over, en de apostel sloot hen op in Medina... Toen ging de apostel naar de markt van Medina en groef er geulen in.

Robert Spencer

Een ander voorbeeld, het meest huiveringwekkende [voorbeeld] van de invloed die Mohammeds macht tegenwoordig heeft op de islamitische wereld, werd onlangs geïllustreerd door een Egyptische leider van een radicale moslimpartij. Hij schreef dat hij niet kon geloven dat moslims hadden geprotesteerd tegen de onthoofdingen in Irak. Waren ze zich er niet van bewust dat de profeet Mohammed zelf persoonlijk tussen de 600 en 900 mensen, leden van de joodse Quraish-stam in Arabië, had onthoofd nadat hij hen had verslagen? Beseften ze niet dat als de profeet dat deed, het dan de juiste manier was om je te gedragen? Dus de mujahedin in Irak die mensen onthoofdden waren gewoon aan het gehoorzamen aan het voorbeeld van de profeet.

Omdat de profeet Mohammed zelf deel nam aan vele gevechten en invallen en inderdaad zelf deze onthoofdingen ook deed, kunnen we dan zien dat hij de moord op een aantal van zijn politieke tegenstanders beval en zich in het algemeen gedroeg als een typische 7de-eeuwse krijgsheer. Het probleem is dat wanneer dit gedrag wordt overgedragen naar de 20e-eeuwse en 21e-eeuwse contexten van gedrag, dat je dan terroristen krijgt.

De Koran heeft een status waarvoor er geen vergelijkbaar iets is in de Westerse beschaving. De Koran wordt door moslims en door de traditionele islamitische theologie gezien als zijnde woord voor woord gedicteerd door Allah zelf, via de engel Gabriël, en aan de profeet Mohammed. Als gevolg is elk woord ervan het woord van Allah zelf. Elk woord van de Koran, behalve als het wordt ingetrokken door een ander deel van de Koran zelf, is eeuwig geldig en kan niet in twijfel worden getrokken, kan niet worden hervormd, kan niet worden gewijzigd in een islamitische context. Dit betekent dat gematigde moslims, als ze oprecht vreedzame moslims zijn, de letterlijkheid van de Koran volledig moeten verwerpen, maar om dit te doen worden gelden ze niet meer als alles wat door de geschiedenis heen is beschouwd als de orthodoxe islam. Om dit te doen [moeten ze het] principiële uitgangspunt van de islam afwijzen dat dit een boek is dat werd gedicteerd door Allah, wat een perfecte kopie is van een perfect boek, de 'Umm Al-Kitab', de moeder van het boek dat altijd heeft bestaan bij Allah in de hemel.


De Edele Koran

Vertaald met opmerkingen tussen haakjes door Dr. Muhammad Taqi-du-Din Al-Hilali en Dr. Muhammad Muhsin Khan.

Sura 98, Vers 6:
Voorwaar, degenen die niet geloven (in de religie van de islam, de Koran en de profeet Mohammed) onder de Mensen van het Boek (joden en christenen) en al-mushrikun (andere ongelovigen) zullen in het vuur van de hel blijven. Ze zijn de slechtste der schepselen.

Serge Trifkovic

Dus de Koran is gewoon een set van directe geboden, beschrijvingen, soms veel vervormde beschrijvingen van het jodendom en het christendom. Vanwege de aard van die geboden is er een tweede 'corpus' teksten voor de islamitische interpretatie, de Hadith, de traditie van de profeet Mohammed.


Robert Spencer

De Hadith is absoluut noodzakelijk om de Koran te kunnen begrijpen, omdat Allah Mohammed in de Koran aanspreekt en ze praten over gebeurtenissen in het leven van Mohammed, maar ze vullen de details van het verhaal niet in. Je moet naar de Hadith kijken, de overleveringen van de profeet Mohammed, om te begrijpen wat er wordt gezegd in de Koran en waarom. De Hadith bestaat uit vele boeken over de gewoontes van de profeet die geruime tijd na het leven van Mohammed, die in 632 overleed, die diverse islamitische geleerden in de 8e eeuw begonnen op te schrijven. Ze begonnen deze tradities te verzamelen en probeerden de authentieke van de niet-authentieke te onderscheiden. Vanuit een islamitisch oogpunt heeft wat Mohammed zei of deed, en wat is opgenomen in een van die boeken, een autoriteit die alleen ondergeschikt is aan de Koran. En in die boeken staat veel uitleg over wat de Koran zegt en hoe het van toepassing is op huidige moslims.


Uit Authoritative Traditions of the prophet Muhammad - The Hadiths of Sahih Al-Bukhari, geannoteerde vertaling door dr. Muhammad Muhsin Khan.

Sahih Al-Bukhari Vol 4, Bk 52, Vers 53

De Profeet zei: Niemand die sterft en het geluk vindt bij Allah (in het Hiernamaals) zou willen terugkeren naar deze wereld, zelfs als zou hij de hele wereld krijgen en alles wat er in zit.

... behalve de martelaar, die, bij het zien van de heerlijkheid van het martelaarschap, graag terug zou komen naar de wereld en weer gedood zou willen worden (voor de zaak van Allah).

De Profeet zei: Een enkele inspanning (van vechten) voor de zaak van Allah in de middag of in de voormiddag is beter dan de hele wereld en alles wat er in zit.

Serge Trifkovic

Aangezien er geen gevoel van natuurlijke moraal in de islam zit moet je in de Koran of de Hadith kijken om uit te vinden wat wel en wat niet mag.


Robert Spencer

En in die boeken die we hebben staan zeer duidelijke instructies van Mohammed, dat het de verantwoordelijkheid is van iedere moslim om de ongelovigen te ontmoeten op het slagveld ofwel ze uit te nodigen om de islam te aanvaarden of de status van tweederangs burger - dhimmi - te accepteren in de islamitische staat. Als ze beide alternatieven weigeren dan zullen [moslims] oorlog voeren tegen hen.

Sura 9, Vers 29
Vecht tegen zij die niet geloven in Allah, of in de Dag des Oordeels, en verbied voor de Mensen van het Boek (joden en christenen) en degenen die niet de religie van de waarheid erkennen (dwz Islam) niets van wat verboden is door Allah en Zijn boodschapper, totdat zij de jizya betalen met vrijwillige onderwerping, en zich onderworpen voelen.

De Koran is onderverdeeld in twee delen: de een heet Mekka, namelijk dat wat werd openbaard aan Mohammed in Mekka, en de andere heet Medina, wat werd geopenbaard aan Mohammed in Medina.

In Mekka zijn veel van de vreedzame verzen te vinden, want Mohammad leefde ooit in vrede en harmonie met de joodse en christelijke gemeenschap. Die verzen stammen bijna altijd uit het begin van de profetische carrière van Mohammed en zijn geboortestad Mekka waar hij machteloos was, waar hij pas was begonnen met volgelingen aan te trekken.


Abdullah Al-Araby - Regisseur, Uitgeverij The Pen vs The Sword Publicaties

Op dat moment bekeerden alleen familieleden en vrienden zich tot de religie. Hij had vele vijanden en dus waren de openbaringen van die tijd zeer rustig. Dit alles verandert later met de oprichting van theocratische staat van Mohammed in de stad Medina. Hij wordt een krijgsheer en hoofd van een totalitaire staat, hij wordt heel rijk en machtig en zeer intolerant en dan worden veel van deze vroege verzen afgeschaft.


Robert Spencer

In Sura 2 vers 106 zegt Allah dat als hij een vers intrekt hij er een zal geven die beter is.

Sura 2, Vers 106
Voor elk Vers (openbaring) die Wij ook intrekken of doen vergeten, schrijven Wij een betere of vergelijkbare in de plaats. Weet u niet, dat Allah in staat is om alles te doen?

Dit is de basis, het fundament van de koranische doctrine van 'naskh', wat abrogatie/intrekking betekent. En het is het idee dat wanneer er in de Koran verzen zijn die tegenstrijdig zijn, degene die chronologisch later is beter moet zijn, zoals Allah heeft beloofd, en die annuleert het eerder onthulde.


Walid Shoebat - Ex-moslim en ex-lid van de PLO Fatah Brigade, Auteur van Why I Left Jihad

Toen het geweld begon moest je een afweging maken tussen de vreedzame verzen en niet-vreedzame verzen. Het resultaat was dat de vreedzame nietig werden gemaakt.


Serge Trifkovic

Het is inderdaad een zeer eigenaardig concept voor een niet-moslim om het idee te accepteren dat God van gedachten kan veranderen over een onderwerp. Hij geeft eerst het ene bevel in 614 n.Chr.

Sura 2, Vers 256
Er is geen verplichting (dat wil zeggen, dwang) in de religie.

En dan een heel andere een in 627 n.Chr.

Sura 9, Vers 5
Dood de ongelovigen waar u ze kunt vinden. [...] Maar als zij berouw hebben en de islam accepteren [...] laat hun weg dan vrij.

Maar dit is inderdaad wat er is gebeurd in de islam.


Robert Spencer

Het is heel belangrijk om te begrijpen dat de Koran niet chronologisch gerangschikt is; het is gesorteerd van het langste hoofdstuk naar het kortste.


Serge Trifkovic

Dus vindt u in het boek zelf een aantal van deze meer tolerante verzen op een later punt in het boek dan de zeer intolerante die pleiten voor geweld en de onderwerping van de ongelovigen. Maar dat betekent niet dat ze later zijn ontstaan, integendeel. Het zijn dan ook de verzen die in Medina kwamen die hun geldigheid houden, en die die eerder kwamen in Mekka zijn afgeschaft.


Walid Shoebat

De rustige verzen werd nietig in vergelijking met het Vers van het Zwaard.


Robert Spencer

De traditionele islamitische theologie geeft aan dat het negende hoofdstuk van de Koran, Sura 9, als laatste geopenbaard is in de carrière van de profeet. En het is de enige die niet begint met "In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle". Sommigen hebben gezegd dat dat komt omdat er geen mededogen of genade in dit hoofdstuk is, en dat het laatste woord van de Koran over jihad gaat en in het bijzonder over de manier waarop moslims zich moeten gedragen tegenover ongelovigen. Daarin staat ook het beroemde Vers van het Zwaard.


Walid Shoebat

Maar wat zegt het Vers van het Zwaard dan? Het is heel duidelijk: "dood dan de Mushrikun {ongelovigen} waar u ze kunt vinden, en vangt hen en belegert hen en bereidt elke hinderlaag voor hen voor". Sterker nog, ik ben bekeerd tot het christendom; Mohammed heeft duidelijk aangegeven dat tijdens het einde der tijden er velen zullen afvallen van het geloof, en "doodt ze als u ze ziet, waar u ze kunt vinden". Dus dit is de vraag het Westen moet begrijpen, welk deel van 'doden' begrijpen ze niet?


3. De strijd

Condoleezza Rice
Wij zijn een land dat mensen niet beoordeelt op hun religieuze overtuigingen en niet op hun huidskleur, maar op het feit dat we allemaal Amerikanen zijn, dus dat is het eerste deel van [ons] bericht. Het tweede deel van de boodschap is dat we wereldwijd veel vrienden hebben die moslim zijn, er zijn landen die al lang vrienden zijn van de Verenigde Staten en van het islamitische geloof zijn, en de president wil dat het heel duidelijk is dat dit geen oorlog tussen beschavingen is, dit is geen oorlog tegen de islam. Dit is een oorlog tegen mensen die op vele manieren verdraaien waar de islam voor staat. De islam staat voor vrede en staat voor geweldloosheid.

Robert Spencer

De islam en de islamitische beschaving zijn uniek in hun houding tegen niet-gelovigen. De islam is de enige religie in de wereld die een doctrine heeft ontwikkeld van theologie en wetgeving die geweld tegen niet-gelovigen voorschrijft. Er zijn ongetwijfeld ook vreedzame moslims, er zijn over de hele wereld moslims die gematigd zijn, die leven in harmonie met hun niet-islamitische buren en niet van plan zijn om ooit oorlog tegen hen te voeren, op geen enkele manier. Maar het feit is dat ze vanuit de islamitische bronnen zelf heel weinig rechtvaardiging hebben voor hun eigen vredelievendheid. Ze leven alleen in vrede met hun buren voor zover zij ofwel niet weten wat de islam leert over hoe moslims zich moeten gedragen tegenover niet-gelovigen, ofwel ze hebben expliciet en bewust die elementen van de islam verworpen. Kort gezegd zijn er vredelievende en gematigde moslims, maar er is geen vreedzame en gematigde islam.

Het idee dat de islam een religie van vrede is wordt echter paradoxaal genoeg ook uitgedragen door de meest gewelddadige en radicale moslims. Sayeed Qutb is de Egyptische moslimtheoreticus (1906-1966, schreef Islam and Universal Peace) wiens geschriften worden vereerd door de radicale moslims en terroristen van tegenwoordig. Hij schreef en stond erop dat de islam een religie van vrede is. Wanneer u zijn geschriften bestudeert wordt het duidelijk dat hij bedoelde dat de islam zich toelegt op het instellen van de wereldheerschappij voor de islamitische wet. Als die hegemonie gevestigd zou zijn, zou er vrede heersen in de wereld. Daarom is de islam een religie van vrede.


Walid Shoebat

Het probleem is dat de vreedzame moslims de 'bevelen' uit de wetgeving van de islam niet begrijpen. Als je kijkt naar de interpretatie van deze verzen op de Al-Azhar Universiteit, in de islamitische sharia-scholen in Jeruzalem, in Jordanië, in Syrië, in Damascus: door het hele Midden-Oosten zegt de wetgeving van de islam duidelijk dat het Vers van het Zwaard de vreedzame verzen ongeldig verklaard. Maar wat zegt het Vers van het Zwaard dan?

Sura 9, Vers 5
Als de Heilige Maanden (de 1e, 7e, 11e, en 12e maand van de islamitische kalender) zijn verstreken, dood dan de ongelovigen waar u ze kunt vinden, en vangt hen en belegert hen en bereidt elke hinderlaag voor hen voor. Maar als zij berouw tonen en de Iqamat-as-Salat [de islamitische rituele gebeden] uitvoeren, en zakat geven, laat hun weg dan vrij. Want Allah is Vergevensgezind, Genadevol.

Walid Shoebat

Dood hen als u hen ziet, waar u ze kunt vinden. Dit is niet een figuurlijk doden, het is letterlijk doden. Het is hoe Zarqawi vlak voor de camera werd gedood, het is het lynchen dat u ziet in Ramallah, het is het doden van meer dan een miljoen Soedanezen, het afsnijden van een hand aan de ene lichaamshelft en een voet van de andere kant. En hier is een dilemma. Zelfs het vreedzame vers dat werd geciteerd door Bush, dat vers gaat als volgt:

Wie een leven doodt zonder geldige reden of om onrust in het land te veroorzaken, heeft de hele aarde gedood.

U vindt hetzelfde vers in de joodse bijbelse traditie, maar de meeste Westerlingen stoppen na dit vers. Het gaat nog door: "Maar bij zij die onrust in het land veroorzaken, moeten hun handen en hun voeten van tegenovergestelde zijden afgesneden worden en ze gekruisigd worden". En dat is wat je ziet gebeuren in Afghanistan en in Soedan: een enorme hoeveelheid kruisigingen, moorden en onthoofdingen. Er zijn ook amputaties en openbare moorden. Ze willen echt de islam doen herleven zoals het vroeger was. Dit is waarom ze het islamitisch fundamentalisme noemen.

Sura 5, Vers 33
De beloning voor zij die oorlog voeren tegen Allah en Zijn boodschapper en onrust in het land veroorzaken is slechts dat zij gedood of gekruisigd worden, of hun handen en hun voeten worden afgesneden van tegenovergestelde zijden, of ze worden verbannen uit het land. Dat is voor hen een schande in deze wereld en er is een grote straf voor hen in het Hiernamaals.
Sahih Al-Bukhari
Vol 8, Bk 82, Vers 795
De Profeet hakte de handen en voeten af van de mannen die behoren tot de stam van Uraina en schroeide (hun bloedende ledematen) niet dicht totdat ze stierven.

Walid Shoebat

Volgens de islamitische denkwijze kan men zijn redding garanderen door te sterven als een martelaar. In overeenstemming met het vers in de Koran: "Denk niet dat degenen die sterven in de jihad dood zijn, want ze leven". Dus dit zorgt voor de redding.


Robert Spencer

Dit is de denkwijze achter moderne zelfmoordaanslagen; de moderne islamitische voorstanders zullen zeggen dat "de islam zelfmoord verbiedt", en dit is duidelijk een leugen omdat alle verdedigers van zelfmoordaanslagen in de islamitische wereld beginnen door te zeggen: "Dit is geen zelfmoord". De [bommenwerper] probeert zichzelf niet te doden. De bedoeling is om anderen te doden. En dat wordt voorgeschreven omdat het islamitische jihad is. En als ze tijdens die daad zelf worden gedood, is dat een onvermijdelijk gevolg van hun acties en zij zullen in het paradijs worden beloond met de beloning van de martelaren.


Serge Trifkovic

De Koran is heel duidelijk over de hemelse beloning voor een jihadist die sterft terwijl hij vecht voor Allah. Hem zal directe toegang tot het paradijs worden verleend, en het islamitische paradijs is een uiterst sensueel iets. Het zit vol met 'houries' - zwartogige schoonheden (72 maagden) die de martelaar op zullen wachten, en de bevrediging die volgt is eindeloos.


Robert Spencer

De Koran bevat geen garantie voor het paradijs, behalve voor degenen die doden en worden gedood voor de zaak van Allah.

Sura 9, Vers 111
Voorwaar, Allah heeft van de gelovigen hun levens en hun eigendommen gekocht, en voor die prijs is er het Paradijs voor hen. Ze vechten voor de zaak van Allah, zodat zij doden en worden gedood door anderen. Verheugt u over de transactie die u hebt gesloten. Dat is het grote succes.

Robert Spencer

Met andere woorden, de garanties van het paradijs zijn voor mensen die worden gedood terwijl ze doden om de hegemonie van Allah of het islamitisch recht in de wereld te vestigen.

Jihad kan geestelijk of lichamelijk zijn. De geestelijke jihad streeft ernaar een betere moslim te zjin. De fysieke jihad is echter iets dat niet kan worden genegeerd.


Walid Shoebat

Jihad in de islam betekent 'strijd'. Dat is de letterlijke betekenis van het woord. Maar wat het Westen niet begrijpt is dat er meer dan 100 Hadiths zijn over jihad. En als je kijkt naar ieder van hen ze bevatten allemaal een zwaard, oorlog of een militaire actie.


Serge Trifkovic

Het is een zeer gevaarlijk element van de islamitische leer, omdat deze onmiddellijke bevrediging van martelaarschap een aantrekkelijk idee is. Wanneer een zogenaamde martelaarsactie wordt uitgevoerd door bijvoorbeeld Hamas, wordt er vanaf de minaretten in moskeeën niet de dood van de persoon X die de aanval uitvoerde aangekondigd, maar de bruiloft van persoon X en de houries (70 maagden). Met andere woorden: ze laten meteen doorschemeren aan familie van die persoon X, ouders, enz., dat ze in plaats van te moeten huilen en treuren over zijn verdwijning en het einde van zijn fysieke leven, ze zouden moeten vieren, gelukkig zijn, en een feestje bouwen omdat hun zoon nu niet alleen naar het paradijs is gebracht, maar er begroet wordt met 70 maagden.


Walid Shoebat

Het woord 'shaheed' betekent 'bijwonen', 'getuigen'. Om te getuigen dat er geen God is dan Allah en Mohammed is zijn boodschapper. En je sterft voor dat doel als een shaheed. Je bent een getuige, een martelaar. En een martelaar wordt verheerlijkt. Je familie zal je vieren na je dood.

Als een moslimfundamentalist die woont in het Midden-Oosten moet je worden ingewijd. Je moet in principe je eerste jood doden of je eerste Zionistische gebouw vernietigen. Je moet zonder enige twijfel bewijzen dat je het waard bent. En er zijn zat studenten, tieners, mannen die bereid zijn om een martelaarsdood te sterven, bereid om explosieven te planten. De vacatures voor martelaarschap zijn al gevuld. Er zijn zoveel kandidaten; er zijn niet eens genoeg bommen om de vraag tegemoet te komen. En om aan een van die missies deel te mogen nemen moet je een sterke kandidaat zijn, je moet gewelddadig genoeg zijn, je moet je hebben aangesloten bij elke demonstratie in de straten van Jeruzalem, in Bethlehem, je moet laten zien dat je een grotere missie waard bent. Als je op het punt staat om te sterven of een enorm risico te nemen, strijd je tussen de eisen van je islamitische opvoeding en tussen de werkelijkheid dat je leven je lief is.


4. Uitbreiding


Robert Spencer

De islam begrijpt haar aardse missie om de wet van Allah door geweld uit te breiden over de hele wereld. Nu is dit wel anders dan de religie met geweld verspreiden. Moslims ontkennen vaak verontwaardigd dat de islam, zoals de oude uitdrukking gaat, verspreid werd door het zwaard, en dat er ooit iemand is gedwongen om zich te bekeren tot de islam. Gedwongen bekeringen zijn een constante factor in de islamitische geschiedenis, maar ze worden eigenlijk verboden door de islamitische wet. Het idee in de islam is dat moslims oorlog moeten voeren om de heerschappij van de islamitische wet te garanderen. Niet iedereen zal worden gedwongen om moslim te worden, maar de niet-moslims zullen slechts tweederangs burgers worden. Zij mogen in de maatschappij niet op gelijke voet leven met de moslims, en het is de verantwoordelijkheid van de moslims over de hele wereld om ervoor te vechten om dat soort samenlevingen te stichten.

Sahih Al-Bukhari - Vol 4, Bk 53, Vers 392
Toen we in de moskee waren, kwam de Profeet naar buiten en zei: "Laten we naar de joden gaan". We gingen naar buiten tot we Bait-ul-Midras bereikten. Hij zei tot hen: "Als jullie je bekeren tot de islam, zullen jullie veilig zijn. Jullie moeten weten dat de aarde aan Allah en Zijn boodschapper behoort, en ik wil u verdrijven uit dit land. Dus als iemand van jullie eigendommen bezit, is het hem toegestaan om die nog te verkopen, anders moeten jullie weten dat de aarde aan Allah en Zijn boodschapper behoort.

Bat Ye'or

De moslims zien de uitbreiding van jihad als een oorlog om de ongelovigen te bevrijden uit hun ongeloof en als een voorrecht om hen toe te laten tot de religie van de islam en hun verkeerde geloof te verlaten. Dus jihad wordt gezien als een geschenk dat wordt gegeven aan de ongelovige bevolking om hen te veranderen en te bekeren tot de ware religie: islam.

Sura 8, Vers 67
Het is niets voor een profeet dat hij krijgsgevangenen zou hebben (en ze laat gaan tegen losgeld) totdat hij een grote slachting aanricht (onder zijn vijanden) in het land. U wenst het goede in deze wereld (dat wil zeggen het geld van de losprijs voor het bevrijden van de gevangenen), maar Allah wenst (voor u) het Hiernamaals. En Allah is Almachtig, Alwetend.

Walid Shoebat

In de islamitische denkwijze, in de islamitische sharia, wordt de wereld afgebeeld als twee huizen, het Huis van de Islam of het Huis van de Oorlog. Dus de hele wereld is verdeeld in deze twee huizen. Als je geen moslim bent, val je onder het Huis van Oorlog. In het Westen zouden de islamitische apologeten zeggen, "Nee, dat is niet juist". Het is het Huis van Vrede en het Huis van de Islam. En in feite is dat niet juist, als je kijkt in de Hadith en als je kijkt wat de hoogste wetgeving in het Midden-Oosten ervan zegt, is dat is wat er wordt onderwezen.


Bat Ye'or

Nu ziet de ongelovige bevolking deze oorlog als een genocidale oorlog. Zoals het is beschreven door de islamitische historici van jihad en bijzonder veel christelijke bronnen, is deze oorlog met grote wreedheid gevoerd, hele steden werden afgeslacht, hele bevolkingsgroepen werden gedeporteerd voor de slavernij of afgeslacht.

Sahih Al-Bukhari - Vol 4, Bk 53, Vers 386
Umar [de tweede kalief] stuurde de moslims naar de grote landen om de heidenen te bestrijden. Toen we het land van de vijand bereikten, kwam de vertegenwoordiger van Khosrau [Perzië] naar buiten met veertigduizend strijders, en een tolk stond op en zei: "Laat een van jullie met me praten!". Al-Mughira antwoordde: "Onze Profeet, de Boodschapper van onze Heer, heeft ons bevolen om je bevechten tot je Allah alleen aanbidt of jizya (dwz beschermgeld) zult geven, en onze Profeet heeft ons laten weten dat onze Heer zegt: 'Wie van ons wordt gedood (dat wil zeggen sterft als martelaar), zal naar het paradijs gaan om zo'n luxe leven te leiden zoals hij nog nooit heeft gezien, en wie van ons in leven te blijven, moet je meester worden'."

Bat Ye'or

Er zijn twee grote golven van de jihad geweest. Eerst was er de Arabische golf die begon in de 7e eeuw en die in de loop van slechts één eeuw enorme gebieden had geïslamiseerd, voornamelijk christelijke grondgebied van Portugal tot Armenië, maar ook Perzië. Irak was op dat moment christelijk in het noorden en joods/christelijk in het zuiden.

Eerste golf


634 n.Chr. Slag van Basra (christenen / joden)
635 n.Chr. Damascus veroverd
636 n.Chr. Ctesiphon veroverd
637 n.Chr. Jeruzalem veroverd
641 n.Chr. Alexandrië veroverd
666 n.Chr. Sicilië veroverd
670 n.Chr. Kabul veroverd
698 n.Chr. Carthago veroverd
711 n.Chr. Zuid-Spanje veroverd
720 n.Chr. Narbonne (Zuid-Frankrijk) veroverd
732 n.Chr. Slag bij Poitiers - opmars van de islam gestopt

Tweede golf


1064 n.Chr. Armenië veroverd
1071 n.Chr. Slag bij Manzikert
1331 n.Chr. Nicea veroverd
1453 n.Chr. Constantinopel veroverd
1460 n.Chr. Griekenland veroverd
1389 n.Chr. Slag van Kosovo
1521 n.Chr. Belgrado veroverd
1683 n.Chr. Beleg van Wenen - opmars van de islam gestopt

De tweede golf van islamisering begon in de 11e eeuw met de Turkse stammen. [Het overviel] alle regio's van Oost-Europa; Anatolië, dat toen de zetel was van het christelijke Byzantijnse Rijk (nu Turkije), Griekenland, Servië, Bulgarije, Roemenië. Alle landen rond de Middellandse Zee die vroeger christelijk waren werden het Islamitische Rijk.

Deze Turkse golf duurde van de 11e eeuw tot de 17e eeuw, waar het Ottomaanse leger in 1683 bij de poort van Wenen werd verslagen.


De Kruistochten: 1095-1270 n.Chr.

Serge Trifkovic

De Kruistochten worden tegenwoordig in de Westerse academische wereld en onder de Westerse elite net zo gezien als in de islamitische wereld. Beiden spreken van de Kruistochten als een agressieve oorlog van verovering die het christelijke Europa voerde tegen vreedzame onschuldige moslims. Men kan echter vragen wat die moslims daar überhaupt in het Heilige Land te zoeken hadden. Wat er gebeurde was dat Mohammed en zijn opvolgers een reeks oorlogen van verovering voerden en in één zo'n aanval in 624 na Christus werd het Heilige Land - Palestina, Jeruzalem - veroverd door de moslims. Toen begonnen de Seltsjoeken, de Turken, de wegen te blokkeren voor de christelijke pelgrims naar het Heilige Land, Jeruzalem. Toen hun fysieke veiligheid niet langer gegarandeerd was, handelden de Westerse christenen niet alleen als heroveraars van het Heilige Land dat ooit van hen was, men zou kunnen zeggen dat ze ook terecht handelden als beschermers van hun heilige plaatsen. Bij de moslims is zelfs een defensieve oorlog een veroveringsoorlog. Zij zijn verplicht om de islam te verspreiden, maar in het bijzonder moeten alle landen die ooit moslim geweest zijn worden heroverd, en de jihad is de rechtmatige naam van die oorlog van herovering. Ze konden de Kruisvaardersstaten in Antiochië en Jeruzalem nooit accepteren, omdat ze 'Dar al-Harb' of 'Het Huis van Oorlog' - opnieuw in 'Dar al-Islam' of 'Het Huis van de islam' moesten veranderen. Dit is een eigentijds aspect van het Israëlisch-Palestijnse conflict waar veel Westerlingen zich niet volledig bewust van zijn.

Precies dezelfde denkwijze die Saladin en anderen heeft aangezet om te vechten tegen de Kruisvaarders is nu ook de motivatie voor Hamas. In beide gevallen is het niet alleen een kwestie van de nationalistische wens van Arabieren om Europeanen en joodse kolonisten te verdrijven. Het is ook de koranische verplichting van alle goede moslims om ervoor te zorgen dat een land dat ooit geregeerd werd door moslims weer wordt teruggebracht onder hun heerschappij.

Uit de Britse historicus Hilaire Belloc's The Great Heresies uit 1938:

Het leek me altijd mogelijk, en zelfs waarschijnlijk, dat er een opstanding van de islam zou komen en dat onze zonen of kleinzonen de hervatting zouden meemaken van die enorme strijd tussen de christelijke cultuur en wat al meer dan duizend jaar zijn grootste tegenstander is. [...] Het idee dat de islam opnieuw kan opleven klinkt vergezocht - maar dit is alleen omdat mensen altijd krachtig beïnvloed worden door het recente verleden - men zou kunnen zeggen dat ze erdoor verblind zijn. [...] Maar niet zo heel lang geleden, minder dan honderd jaar voor de Onafhankelijkheidsverklaring, werd Wenen bijna ingenomen en alleen gered door de christelijke leger onder het bevel van de koning van Polen... op een datum die een van de meest bekende in de geschiedenis behoort te zijn:
11 september 1683

Robert Spencer

Op 11 september 1683 werd de belegering van Wenen gebroken. Dat was het hoogtepunt van de uitbreiding van islamitische jihad in Europa. Daarna raakte de islam in verval en de islamitische wereld werd gekoloniseerd en drastisch verzwakt. Het lijkt zeer waarschijnlijk, volgens mij zo goed als zeker, dat Osama Bin Laden in 2001 koos voor de datum 11 september als een signaal dat de aftakeling van de islamitische wereld voorbij was, en dat de jihadisten terug waren, en dat ze weer verder zouden gaan met waar ze mee bezig waren in Wenen in 1683.


Serge Trifkovic

Als we kijken naar de conflicten tussen de islamitische wereld en de niet-islamitische wereld van vandaag, zien we iets heel interessants. Dat zelfs zeer diverse islamitische samenlevingen die niet makkelijk onder één noemer vallen toch iets gemeen hebben, en dat is de tendens dat zij in strijd zijn met hun buren. Als we kijken naar het extreme bereik van de Islam zien we hoe de Indonesische moslims in Oost-Timor een derde van de bevolking van deze voormalige Portugese kolonie, die rooms-katholieken waren, heeft afgeslacht. In het zuiden van de Filippijnen is er de afgelopen jaren geleidelijk een uiterst gewelddadige islamitische opstand gekomen. In Indonesië zelf hadden we religieuze conflicten in de Molukken, waar de christelijke minderheid met uitsterven bedreigd is. We hebben zeer actieve islamitische groeperingen zowel in Thailand als in China, in Xingjian. Op het Indiase subcontinent is de geschiedenis inderdaad tragisch, want dat is waar in de middeleeuwen een holocaust van hindoes plaats vond, iets dat in de Westerse wereld een weinig bekend hoofdstuk is in de geschiedenis van de islam, maar die wel een diep trauma heeft veroorzaakt bij de lokale bevolking, en het is een conflict dat nog steeds speelt in de provincie Kashmir. In Afrika is er de constante oorlog in Soedan die al aan de gang is sinds 1987. Het is moeilijk in te schatten hoe veel levens die heeft gekost, maar hoogstwaarschijnlijk enkele honderdduizenden. Er is voortdurend conflict in Nigeria tussen overheid en de oplevende centrale noordelijke staten die de overheid in toenemende mate onder druk zetten om sharia-wetgeving te accepteren als gezaghebbend in deze provincies. En natuurlijk is er Mauritanië, waar moslims voortdurend vechten tegen de niet-islamitische zuiderlingen. Dan is er natuurlijk de Kaukasus - Tsjetsjenië - en in Europa zelf hebben we het conflict in voormalig Joegoslavië tussen de Bosnische moslims, Serviërs en Kroaten, en het conflict tussen Albanezen, Serviërs en Macedoniërs, en misschien wel over niet al te lange tijd ook het conflict tussen de Albanezen en Grieken. Als we deze conflicten elimineren, van Tsjetsjenië, de Balkan, en Soedan, dan is de wereld een mooie, rustige plek. Als we bij de telling van terroristische aanslagen niet meerekenen welke terroristische daden de afgelopen 5 jaar door moslims zijn uitgevoerd, zouden we tot het besef gekomen dat de oorlog tegen het terrorisme niet noodzakelijk is omdat terreur niet zo'n heel groot probleem meer is.


5. Oorlog is Bedrog

Amerikaanse senator uit Nevada:
Ik heb hier al eerder gesproken over de islam en wat een geweldige religie het is. Ik heb al eerder gezegd en ik herhaal; de primaire artsen van mijn vrouw zijn twee leden van het islamitische geloof: haar internist en de persoon die een operatie heeft uitgevoerd bij haar. Ik ken ze goed, ben in hun huizen geweest, heb gesocialiseerd met hen, over zeer ernstige zaken met ze gesproken, we hebben elkaar geholpen met familieproblemen. Ik ben met hen naar de nieuwe moskee in Las Vegas geweest. Ze zijn geweldige mensen met leuke gezinnen en ik ben gaan beseffen dat de islam een goede religie, het is een goede manier van leven, de mensen hebben goede gezondheidsvoorschriften vanuit hun religie en ze hebben goede spirituele normen en waarden, zoals hun religie dicteert. Het is jammer dat er over de hele wereld een aantal mensen zijn, mensen die de weg kwijt zijn, die misbruik maken van deze zeer mooie religie. Ik geloof niet dat ze deze religie een slechte naam kunnen geven; ik denk dat de kracht van deze religie en de kracht van de mensen in deze religie zullen zegevieren over deze slechte mensen die misbruik maken van deze mooie religie om onschuldige mensen kwaad te doen.

Robert Spencer

De islam is een religie én een politiek systeem dat voorschrijft dat men oorlog moet voeren tegen niet-gelovigen tot ze zich bekeren of onderwerpen. Dit is de rechtvaardiging die terroristen van over de hele wereld gebruiken voor wat ze doen, en die rechtvaardiging is gebaseerd op de kernelementen van de islamitische traditie. Omdat dat het geval is, is het erg moeilijk voor gematigde moslims, vreedzame moslims, om op te staan in de islamitische gemeenschap en te zeggen dat dit geen onderdeel is van de islam. Zoiets doen ze alleen uit de bewuste misleiding die bedoeld is om de Westerlingen te neppen, zoals in overeenstemming is met de islamitische doctrine van 'taqiyya' - religieuze misleiding, of ze doen zoiets omdat ze simpelweg niet op de hoogte zijn van wat de islam eigenlijk inhoudt.

Sahih Al-Bukhari - Vol 4, Bk 52, Vers 269
De Profeet zei: "Oorlog is bedrog."

Abdullah Al-Araby

Liegen is in het algemeen niet toegestaan in de islam. Maar in tegenstelling tot andere religies zijn er bepaalde situaties waarin het aanvaardbaar zou zijn voor een moslim om te liegen, en dat wordt zelfs aangemoedigd. Dit concept heet 'al-taqiyya', wat 'voorbehoud' betekent. Dus een moslim mag liegen om te voorkomen dat hij, zijn groep of de islam schade ondervindt.


Robert Spencer

Wanneer ze onder druk staat mogen ze liggen om de religie beschermen. Dit wordt geleerd in de Koran, hoofdstuk 3, vers 28 en hoofdstuk 16, vers 106.


Abdullah Al-Araby

Er zijn een aantal bepalingen voor het liegen. Een moslim kan liegen voor de zaak van de islam, liegen tegen zijn familie om de vrede te bewaren, dus hij mag liegen tegen zijn vrouw. Een moslim mag liegen tegen zijn medemoslims om vrede te bewaren in de samenleving.

Mohammed zelf beval mensen om te liegen. Er waren mensen die hij opdracht gaf om iemand te gaan vermoorden en ze zeiden tegen hem dat ze dat niet konden doen tenzij ze tegen hem mochten liegen. Hij zei, ok, prima, lieg maar dan.

Het Leven van Mohammed - p 367

"Wie zal mij verlossen van Ibn al-Ashraf?". Mohammed bin Maslama, broer van de Bani Abdu'l-Ashhal, zei: "Ik zal met hem afrekenen voor u, O Apostel van God, ik zal hem doden". Hij zei: "Doe dat als je kunt". "Het enige dat je taak is, is dat je het zult proberen" [zei de Profeet tegen Mohammed bin Maslama]. Hij zei: "O boodschapper van God, we zullen dan leugens moeten vertellen". Hij [de Profeet] antwoordde: "Zeg wat je wilt, want het staat je vrij voor deze zaak".

Serge Trifkovic

De woordvoerders van de islam in de Westerse wereld weet hoe het spel gespeeld wordt. Ze weten hoe ze hun zaak kunnen presenteren op een manier die door de gewone maatschappij niet alleen als acceptabel wordt beschouwd, maar ook redelijk en rechtvaardig. Zij zullen een beroep doen op democratische instellingen en hun mensenrechten, in de volledige wetenschap dat zodra zij zelf de macht hebben, ze die instellingen zullen afschaffen en deze rechten niet zullen geven aan anderen.

Sahih Al-Bukhari - Vol 7, Bk 67, Vers 427
Bij Allah, en als Allah het wil, als ik iets beloof en later iets anders vind dat beter is, dan doe ik wat beter is en breek mijn belofte.

Walid Shoebat - Persoonlijke ervaringen rond het plegen van 'al-taqiyya'

Toen ik vroeger als vertaler werkte aan het Luc College in Chicago, regelden wij evenementen om fondsen te werven voor jihadistische bewegingen, en PLO is een van die organisaties. We hebben voor dit soort evenementen aankondigingen uitgedeeld en opgehangen op de muren van het college. En ik herinner me dat er in het Arabisch in principe de feiten stonden: neem je vrienden mee, want we zijn van plan om fondsen te werven om onze jihadi broeders in Libanon te steunen in de gevechten in Zuid-Libanon tegen Israël. En dan kwam het Engels gedeelte. In het Engels deel stond er standaard dat we van een Midden-Oosters cultureel evenement zouden houden, u bent allen van harte welkom, we zullen lam en baklava serveren...

Dus het Westen begrijpt niet echt hoe groot het sociale bedrog is dat zich afspeelt in elk aspect van het sociale leven, zelfs van gematigde moslims. Als we samen in een groep zijn, zijn onze gesprekken anders. Zodra een Westerling zich in het gesprek zou mengen wordt het gesprek helemaal anders. Het wordt dan aangepast op de Westerse geest.

Ik werkte tijdens de Golfoorlog voor een Amerikaans bedrijf, en als ik op mijn werk zat dromde iedereen rond de tv-toestellen zodra er een scud-raket Riad of iets dergelijks had geraakt, en iedereen zou radeloos zijn, teleurgesteld zijn als een scud in het Amerikaanse kamp landde. En ik zou net als een van mijn Amerikaanse collega's zeggen: "oh dat is tragisch, wat sneu dat er een paar mensen zijn omgekomen". Uit frustratie dat ik niet kon zeggen wat ik echt voelde draaide ik dan op weg naar huis op de snelweg het raampje van mijn auto open en schreeuwde zo hard als ik kon "Allahu akbar, Allahu akbar"!

Dit is de leus die je roept als de vijand wordt gedood, als je wint. Dus als de Irakezen die dag hadden gewonnen, als ze raak hadden geschoten met een scud-raket riep ik "Allahu akbar" op de snelweg waar niemand me kon horen. Als ik thuis kwam in mijn appartement was de rest van het appartementencomplex ook Arabieren uit het Midden-Oosten. We zouden samen in mijn appartement de Golfoorlog volgen via satelliet-tv en we zouden Allah elke keer prijzen dat er een incident was waarbij Amerikanen gedood waren. Maar dat was niet dezelfde houding als je aan kon nemen in een Amerikaanse omgeving. In een Amerikaanse omgeving speelde je het anders, je deed alsof je aan hun kant stond. Dus deze hele nepperij is constant en de waarheid is vaak verborgen voor het Westen.


Bat Ye'or

Het was Edward Said, schrijver van Orientalism, die de grootste bijdrage heeft geleverd aan de vorming van het idee, deze nieuwe versie, van de islam als een religie van vrede en tolerantie. Deze opvattingen zijn nu diep geworteld in alle Westerse universiteiten en in de academische wereld. Hierdoor is de hele geschiedenis van de dhimmitude en jihad verdwenen [uit schoolboeken].


Robert Spencer

Edward Said schreef in zijn boek Orientalism dat kritiek van de Westerlingen op de islamitische wereld racistisch en imperialistisch was. Het wordt verspreid om politiek te overtuigen, om Westerlingen te laten wennen aan het idee dat de moslims in Europa en de VS zullen blijven en dat men niet mag twijfelen aan hun trouw aan het seculiere karakter van de Westerse samenleving. Ze mogen hier niet naar gevraagd worden, ondanks het historisch politieke karakter van de islam, omdat de islam de religie van de vrede is. Dit fabeltje is zo verankerd in het Amerikaanse en Europese publieke debat, dat iedereen die [moslims] vraagt naar [hun trouw] onmiddellijk wordt gebrandmerkt als een racist, een haatzaaier en bevooroordeeld. Bovendien is dit een zeer effectief instrument in een land waar racisme de ergste zonde van allemaal is, om mensen het zwijgen op te leggen in elk effectief debat over hoe zeer islamitische immigranten gehecht zijn aan de sharia en over hun houding ten opzichte van de seculiere systemen waarin ze nu wonen.


6. Meer dan een religie

Woordvoerder van de regering-Bush:
Dit is geen botsing tussen de islam of Arabieren, dit gaat over vrijheid en niet cultuur. Het gaat over samenwerken met islamitische regeringen die vooruit willen in de moderne wereld. Werken met islamitische regeringen die zichzelf zien als een gezicht van vrede, en samenwerken tegen het geweld en de terreur en de mensen die de wereld zijn vooruitgang willen ontzeggen en die de vrede en vrijheid van anderen willen verstoren. Dus dat is waar het voor ons om gaat, wij geloven dat het ware geloof van de islam een religie van vrede is en we zijn van plan om met hen samen te werken in dat opzicht.

Abdullah Al-Araby

De islam moet worden begrepen als meer dan een religie alleen. Het idee dat de islam een spirituele godsdienst is zoals bijvoorbeeld het christendom, is volledig onjuist.


Serge Trifkovic

Het zou onjuist zijn om de islam te beschrijven alleen maar een religie. Sinds zijn vroege begin in Mohammeds leven het is ook een geo-politiek project en een overheidssysteem en een politieke ideologie.


Robert Spencer

De islam vanaf was het begin zowel een religie als een systeem van overheid. De islamitische kalender neemt bijvoorbeeld niet als beginjaar dat jaar dat Mohammed geboren werd of de tijd dat Mohammed zijn eerste openbaring van Allah kreeg, en ik denk dat Westerlingen een van beiden toch zouden verwachten. Jaar 1 is vanaf het moment dat Mohammed een krijgsheer en een staatshoofd werd in Medina. Dit is het begin van de islamitische kalender, omdat de islam volgens de islamitische begrippen een politiek en sociaal systeem is, naast een individueel geloof.


Serge Trifkovic

In de islam is de scheiding tussen de aardse seculiere en de religieuze macht niet alleen onmogelijk, het is zelfs uit den boze. Het kalifaat kan alleen bestaan door de volledige vermenging van alle aspecten van de menselijke activiteit en alle aspecten van het politieke en juridische functies van de staat, de goed georganiseerde staat die is goed is volgens Allah.


Walid Shoebat

Als Westerlingen denken aan religie, of dat nu de islam is, het christendom, het jodendom, het hindoeïsme of het boeddhisme, Westerlingen denken dat het een persoonlijke zaak is; een boeddhist zal naar de tempel gaan en vreedzaam bidden, een jood gaat naar de synagoge en doet zijn 'mitswa', een moslim gaat naar de moskee en betaalt 'zakat', een christen gaat op zondag naar de kerk om te bidden. Ze denken dat het een persoonlijke aangelegenheid is, dat religie persoonlijk is. Dus als ze kijken naar de islam zien ze de islam volgens de manier waarop ze zelf religies begrijpen, en dat is de eerste fout. De islam is geen religie voor persoonlijk gebruik, de islam is de sharia, islam is een vorm van de overheid voor de wereld, en pas daarna een persoonlijke toepassing. Het is niet alleen hoe je bidt en dat je bidt in de richting van Mekka, het is hoe je je kleedt, je kleding in de Arabische cultuur; je spreekt Arabisch, je kunt niet naar de hemel gaan tenzij je bidt in het Arabisch, kunt de Koran niet lezen in het Engels en verwachten dat je door goede daden naar de hemel zal gaan. Je leest de Koran in het Arabisch. Het wordt een imperialistisch systeem waar iedereen nu Arabisch moet spreken, denken in het Arabisch en de religie beoefenen in het Arabisch. Het is een vorm van wetgeving, niet alleen in de manier waarop je eet, maar hoe je trouwt, omgaat met je regering, omgaat met het leger, hoe je omgaat met de jeugd, hoe je omgaat met vrouwen - elk aspect van je leven wordt de islam. Alles is islam.

Sahih Al-Bukhari - Vol 2, Bk 23, Vers 413
De joden brachten een man en een vrouw van hun stam bij de Profeet die zich schuldig hadden gemaakt aan illegale seksuele gemeenschap (overspel). Hij beval dat ze beiden werden gestenigd (tot de dood) bij de plaats naast de moskee waar men begrafenisgebeden uitsprak.

Sahih Al-Bukhari - Vol 7, Bk 62, Vers 88
De profeet tekende het (huwelijkscontract) met Aisha toen ze zes jaar oud was en consumeerde zijn huwelijk met haar toen ze negen jaar oud was en zij bleef bij hem gedurende negen jaren (dat wil zeggen tot zijn dood).

Robert Spencer

De islamitische sharia, de islamitische regering, is op geen enkele wijze verenigbaar met Westerse opvattingen over de mensenrechten en de vrijheid van geweten. Traditionele islam verbiedt bekeren vanuit de islam en verbiedt iedereen om de islam te verlaten. Er is geen uitweg. Het verbiedt moslims en niet-moslims om in de samenleving te leven als gelijken. Het geeft niet-moslims de status van tweederangs burger (dhimmi), verbiedt ze gezag te hebben over moslims en dus om bepaalde banen te kunnen hebben. Het is zelfs in de geschiedenis opgelegd dat hun gebedshuizen (van joden en christenen) niet nieuw gebouwd of gerepareerd mochten worden, waardoor de gemeenschappen in een constante staat van verval bleven.

Sura 5, vers 51
O jullie die geloven! Neemt de joden en de christenen niet tot Auliya (vrienden, beschermers, helpers, enz.), ze zijn alleen maar Auliya van elkaar. En als een van u hen tot Auliya neemt, dan is hij zeker een van hen.

Serge Trifkovic

Het is niet mogelijk voor een niet-moslim om te leven in een islamitische samenleving en een beroep te doen op zijn burgerlijke rechten en mensenrechten die onafhankelijk of gescheiden zijn van de sharia. Van hem wordt verwacht dat hij zich gewillig onderwerpt aan de sharia en als hij zijn dhimmitude accepteert zal hij een beschermd persoon zijn. Een beschermd persoon is iemand die in feite vrijwillig ondergeschikt is aan de islamitische overheersers.

Het Leven van Mohammed - p 368

Wij groetten hem terwijl hij stond te bidden, en hij kwam naar ons, en we vertelden hem dat we Gods vijand hadden gedood. Hij spuugde op de wonden van onze kameraad en zowel hij als wij gingen terug naar onze families.
Onze aanval op Gods vijand bracht grote schrik onder de joden, en er was geen jood in Medina die niet vreesde voor zijn leven.

Walid Shoebat

Mohammed heeft heel duidelijk gezegd, en het staat gedocumenteerd in de Hadith: "Ik heb de opdracht gekregen om te vechten totdat iedereen zegt dat er geen god is dan Allah en Mohammed de boodschapper is van Allah". Dit is hoe de islam verspreid is naar Noord-Afrika, dit is hoe de islam helemaal naar Indonesië verspreid is en dit is hoe de islam verspreid is over het hele Midden-Oosten. Syrië was geen moslimland, Libanon was geen moslimland. Zelfs Saoedi-Arabië was een gemengde maatschappij. Dit is hoe de islam verspreid is door het hele Midden-Oosten: door het zwaard. Dit is waarom je geen synagogen en kerken in Saoedi-Arabië ziet. Het christendom bestaat daar haast niet. Zelfs in het dorp in Bethlehem nemen moslims het over. Er is nog slechts 20% over van de christelijke bevolking. In Libanon verhuizen christelijke Libanezen bij bosjes, Hezbollah is er erg actief. Libanon was ooit een christelijke natie. Nu wordt het plotseling geïslamiseerd, dus de islam is in opmars en dat is het al sinds diens oprichting.


Robert Spencer

Moslims die naar de Verenigde Staten en naar Europa komen met een idee dat de sharia de wet van Allah is, kijken neer op onze vrijheid van godsdienst, en op het feit dat niet-moslims aan de macht zijn en wetten maken die niet zijn gebaseerd op van de wet van Allah maar op basis van consensus en vrije verkiezingen. Ze kijken neer op dat alles als een manifestatie geldt van 'jahelia' of ongeloof - de pre-islamitische periode van onwetendheid, zoals in de geschiedenis van elke land voordat het islamitisch werd. Er is Pakistan, Iran en ga zo maar door, het verwijst naar de periode van hun geschiedenis voordat ze moslimlanden waren als de periode van de 'jahelia'. Ze zullen de Verenigde Staten en Europa ook zien als landen die nu in periodes van jahelia zijn. En veel moslims die in de Verenigde Staten en West-Europa wonen zullen zich inspannen om hier islamitische vormen van overheid te stichten, en daarvan is het doel om islamitische staten te creëren op basis van de gedachte dat seculiere staten en de staat op basis van verkiezingen geen geldige staatsvormen zijn. Je hoeft geen verkiezingen te houden over de wet van Allah, je moet gewoon gehoorzamen aan wat Allah zegt.


7. Het Huis van Oorlog


Robert Spencer

Het allerbelangrijkste van wat het Westen moet weten over de huidige islam is dat het een politiek karakter heeft en dat het niet alleen een religie is. Het is een religie en een geloofssysteem dat oorlog voorschrijft tegen ongelovigen, en als doel de oprichting van een maatschappelijk model heeft dat absoluut onverenigbaar is met de Westerse samenleving. Amerikanen moeten dit beseffen, de Europeanen moeten dit beseffen, omdat de moslims naar hun Westerse landen komen met deze overtuigingen en van plan zijn om die ook uit te voeren. [Die overtuigingen] zijn de motivatie achter de moderne terroristische activiteiten en zijn de doelstellingen van miljoenen moslims in het Westen en over de hele wereld. We moeten dit weten, zodat we onszelf kunnen beschermen. Maar helaas blijven deze dingen grotendeels onbekend als gevolg van politieke correctheid en omdat de media en de overheid onwillig zijn om de oorzaken van het islamitisch terrorisme te erkennen.


Walid Shoebat

Islamitisch fundamentalisme is een slapende terreurcel in Europa en de VS. Een goed voorbeeld is Saladin. Saladin is een grote held in de islam. Saladin was degene die de Kruistochten versloeg. Er was een verdrag dat getekend zou moeten worden tussen de Kruisvaarders en Saladin en het verhaal gaat als volgt: de Arabische bemiddelaar kwam naar Saladin en zei: "Als zij toegeven aan vrede, geef er dan ook aan toe", wat betekent dat men het vers "als de vijand vrede wil dan hebben we vrede" rechtstreeks kan vinden in de Koran. En Saladin antwoordde met een geweldig antwoord, toen hij aan de man vertelde: "Jij bent een Arabier en ik ben een Koerd. Jij moet de Koran beter kennen dan ik. [...] Vergeet niet dat de Koran ook zegt: 'Waarom zouden we toegeven aan vrede als wij de overhand hebben' ". Dus vind je beide verzen in de Koran. Je kunt toegeven aan vrede als je de zwakkere partij bent. Dit is de reden waarom je de term 'hudna' hoort. 'Hudna' is een vredesverdrag, een staakt-het-vuren. In Irak vroeg Sadr om hudna, omdat hij wist dat hij de Amerikanen niet kon verslaan. Je vindt hudna's in verschillende conflicten wanneer de vijand sterker is dan jij. Maar zodra je je macht terugkrijgt, heb je geen excuus om vrede te houden. Dit is de reden waarom het ware gezicht van het islamitisch fundamentalisme in het Westen een masker opheeft dat de islam een vreedzame godsdienst is. Omdat ze wachten op meer islamitische immigranten, wachten tot ze toenemen in aantal, wachten om hun politieke macht te vergroten. Zodra ze dat hebben, herhaalt de geschiedenis zich. Dan ziet men het ware gezicht van het islamitisch fundamentalisme hier in dit land.


Robert Spencer

Het is jammer, maar er is geen onderhandelen met jihadisten. Je kunt het niet op een akkoordje gooien met hen. De islamitische wet is daar heel duidelijk in en dit is wederom een voorbeeld, we moeten de islam serieus nemen! De islamitische wet staat geen verdragen toe. Het houdt geen rekening met onderhandelde voorwaarden tussen islamitische staten en niet-islamitische landen. Er mag voor een tijdelijke periode van maximaal 10 jaar hudna komen, wat algemeen vertaald wordt als wapenstilstand. Om de islamitische krachten zijn krachten te laten bundelen. Maar dat is niet hetzelfde als de vrede zoals wij die kennen. Dat is niet hetzelfde als nooit meer oorlog, dat is slechts een tijdelijke wapenstilstand. In een oorlog die de jihadisten al 14 eeuwen voeren en bereid zijn om nog 14 eeuwen verder te voeren.

Sura 47, Vers 4
Dus als je degenen die niet geloven ontmoet (in strijd, in jihad, de zaak van Allah), hak dan in op hun nek tot je velen van hen hebt gedood en verwond, en bind ze dan stevig vast (dat wil zeggen als gevangenen). [...] Zo draagt Allah je op vast te houden aan de uitvoering van de jihad tegen de ongelovigen tot ze de islam accepteren (dat wil zeggen zijn gered van de straf in het Hellevuur), of ten minste onder je bescherming zijn), maar als het Allah's wil was, had Hijzelf hen zeker kunnen straffen (zonder jou). Maar (hij laat jou vechten), om je te testen, soms samen met anderen. Maar voor degenen die gedood worden op de Weg van Allah, zal Hij hun werken nooit verloren laten gaan.

Serge Trifkovic

Volgens de islamitische denkwijze is de wereld verdeeld in het 'Huis van de Islam', waar de islamitische wet is ingevoerd, waar Allah oppermachtig is, en het 'Huis van de Oorlog', de rest van de wereld. Deze tweedeling doet denken aan andere totalitaire ideologieën, en het meest uitdrukkelijk het communisme. Zowel het communisme als de islam zoeken naar het einde van de geschiedenis in deze wereld.

Het einde van de geschiedenis zou komen wanneer de hele wereld moslim wordt of wanneer de proletarische revolutie de arbeidersklasse over de hele wereld aan de macht brengt, en dat zal het einde betekenen van de staat, geld en het einde van de klassenstrijd. In beide gevallen is het mogelijk om een periode van wapenstilstand te hebben. Het is mogelijk om vreedzame co-existentie te krijgen, maar die vreedzame co-existentie is een tactische zet en geen permanente oplossing.

Sahih Al-Bukhari - Vol 4, Bk 52, vers 196
Allah's Apostel zei: Ik heb de opdracht gekregen om te vechten tegen iedereen totdat ze zeggen dat niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allah.

Robert Spencer

Als we dingen denken zoals, "hadden we ons beleid ten opzichte van Israël maar veranderd" en "hadden we ons beleid ten opzichte van Irak maar veranderd of ons beleid over iets anders maar gewijzigd", "hadden we in 1953 het Mossadegh regime in Iran maar niet verslagen"... Deze ideeën zijn belachelijk. Ze zijn gebaseerd op een fundamenteel misverstand over de motieven en doelstellingen van de jihadisten. Dit is geen conflict dat is begonnen met de oprichting van de staat Israël of een conflict dat is begonnen toen het Amerikaanse leger in Irak aankwam. De wereldwijde jihad gaat al feitelijk ononderbroken door sinds de 7e eeuw. En is alleen afgezwakt in intensiteit en activiteit in die perioden waarin de islamitische wereld te zwak was om jihad na te streven.


Bat Ye'or

De vraag is die we onszelf moeten stellen is: willen we onze joods-christelijke waarden en onze eigen beschaving behouden of willen we/kiezen we om af te gaan op dhimmitude, een vergrote dhimmitude in Europa die over heel Europa zal komen? Dit proces is niet zo dreigend voor de VS, maar het zal Amerika wel in een isolement brengen. Die moet dan in de geopolitiek om leren gaan met een geïslamiseerd dhimmi-Europa. En dit zijn problemen die de Europeanen en Amerikanen nu moeten afwegen om te kiezen voor hun identiteit en hun toekomst - vrijheid of dhimmitude.


Serge Trifkovic

Om zich te verdedigen tegen de aanval van de wereldwijde jihad die we in de komende eeuw zullen krijgen, zou het Westen echt naar zichzelf moeten kijken en eens goed [tegen zichzelf moeten] zeggen: "wat is precies de geografische en culturele ruimte die moet worden verdedigd, en in de naam waarvan?" Het Westen verdedigen in de naam van de ideologie van het multiculturalisme zou onmogelijk zijn. Multiculturalisme en postmodern liberalisme zijn het niet waard om voor te sterven. Ze kunnen mensen niet inspireren om te doen wat hun voorouders hebben gedaan tijdens [de Slag van] Poitiers tijdens de eerste golf [van jihad], en [wat ze deden] bij de poorten van Wenen in 1683 tijdens de tweede golf. Wat wereldwijde jihad al voor zich heeft is de kleinzielige inzet van miljoenen mensen om niet alleen het geloof te verspreiden, maar ook zichzelf beter af te laten worden ten koste van de ongelovigen, dit in eerste instantie door middel van immigratie en later, indien nodig, met andere middelen.


Walid Shoebat

Wat het Westen moet begrijpen over de islam is dat de islam mogelijk net zulke gevaren meebrengt als het nationaalsocialisme en het communisme met zich meebrachten. Net als het nazisme en het communisme leert het islamisme dat het doel de middelen heiligt. Er is geen respect voor de nationale grenzen. En de hele ideologie is om hun manier van denken te bevorderen en hun manier van leven over de hele wereld te promoten. Dat is wat er wordt onderwezen in het Midden-Oosten, dat is wat er uit alle wetgeving in Saoedi-Arabië komt en die in de hele moslimwereld. Islam zal overwinnen en zal blijven veroveren totdat het heeft gewonnen, totdat iedereen in de wereld zegt dat er geen god dan Allah is en Mohammed zijn profeet is.


Serge Trifkovic

We moeten de eigenaardigheid van de islam inzien. Ik zeg dit in de volledige wetenschap dat het sommige Westerlingen zal beledigen, maar in tegenstelling tot de andere [religies], in tegenstelling tot de hindoes, in tegenstelling tot de confucianen, in tegenstelling tot de vijanden van Afrika ten zuiden van de Sahara, hebben de moslims een ingebakken drang om zich uit te breiden en de rest van de wereld te willen bekeren. Niet alleen naar hun religie, maar naar hun wereldvisie en hun wettelijke en morele systeem. Ze zullen dit niet openlijk zeggen als ze een minderheid zijn in de landen waar ze naar toe emigreren, maar we hebben dit keer op keer door de geschiedenis heen gezien. Zodra ze genoeg mensen hebben die nodig zijn om hun wil op te leggen, dan zullen ze dit zeker doen.

Wonderen gebeuren. Ik weet niet of het misschien een nog dodelijkere terroristische aanslag kost die zal fungeren als olie op het vuur, of dat het een geopolitieke confrontatie in het Midden-Oosten zelf kost, waardoor Israël misschien ernstig in gevaar komt, maar ik hoop en vertrouw erop dat een of andere schok een besef zal terugbrengen in de hoofden en harten van de Europeanen dat het noodzaak is om te herrijzen en ons te laten gelden. Voordat het te laat is...


Geproduceerd en geregisseerd door Gregory M. Davis en Bryan Daly. Geproduceerd en gedistribueerd door Quixotic Media, LLC USA 2006




1.8 Het Levende Erfgoed van Jihad-slavernij

Door Andrew G. Bostom

Brontekst:http://www.americanthinker.com/2005/04/the_living_legacy_of_jihad_sla.html

Door een publiek protest in Washington DC op 5 april 2005 kwam het huidige (al eeuwen voortslepende) lot naar boven van de zwarte Mauritanische slaven van Arabische meesters. Tussen 1980 en 2000 was daar sprake van een openhartige volkenmoord door jihad, met inbegrip van de massa-slavernij, die de Arabisch-islamitische regering in Khartoem voerde tegen zwarte christenen en animisten in Zuid-Soedan, en dezelfde overheden gingen door met hun bloedbaden en slavernij van zwarte animistische moslims in Darfur. Deze tragische hedendaagse verschijnselen weerspiegelen het wrede levende erfgoed van jihad-slavernij.


Jihad-slavernij

De vaste koppeling tussen jihad - een permanente, unieke islamitische instelling - en slavernij biedt een zeer gangbare verklaring voor de enorme omvang en de duur van de slavernij binnen de islamitische gebieden en samenlevingen. Deze algemene opmerking geldt ook voor 'gespecialiseerde' vormen van slavernij, met inbegrip van de (inkoop en) aanstelling van eunuchen [gecastreerde mannen; uitspr: ui-NUG-en], slaafsoldaten (vooral kindsoldaten), andere vormen van kinderslavernij, en slavernij in harems. Jihad-slavernij, in zijn vele verschijningsvormen, werd een krachtig instrument voor zowel uitgestrekte islamisering als het onderhoud van islamitische samenlevingen.


Juridische achtergrond en rol in 'islamisering'

Patricia Crone levert in haar recente analyse van het ontstaan en de ontwikkeling van islamitisch-politiek denken een belangrijke schakel tussen de massale gevangenschap en slavernij van niet-moslims tijdens de veldtochten van jihad, en de prominente rol van dwang in deze grote tochten van islamisering. Na een succesvolle jihad, merkt ze op:

zouden mannelijke gevangenen gedood of tot slaaf gemaakt worden, ongeacht hun religieuze overtuiging (want christenen en joden werden niet beschermd door de islamitische wet tot ze zich hadden onderworpen als dhimmi's). Gevangenen konden ook soms de keuze krijgen tussen de islam en de dood, of ze konden uit eigen beweging hun bekering uitspreken om aan de dood te ontsnappen: juristen oordeelden dat hun bekering van religie zou worden aanvaard, ook al waren ze alleen bekeerd uit angst. Vrouwen en kinderen die werden gevangen in de loop van de tochten werden meestal slaven, wederom ongeacht hun geloof. [...] Ook mag het belang van de gevangenen niet worden onderschat. Moslimstrijders namen routinematig een groot aantal slaven mee. Afgezien van degenen die bekeerden om executie te vermijden, werden enkelen vrijgekocht en de rest tot slaaf gemaakt, meestal voor huishoudelijk gebruik. Verspreid onder islamitische huishoudens, werden slaven bijna altijd bekeerd, aangemoedigd of onder druk gezet door hun meesters omdat zij werden gedreven door een behoefte om te binden met anderen, of er langzaam aan wenden om de zaken te zien vanuit het oogpunt van de moslims, zelfs als ze zich daartegen probeerden te verzetten. Hoewel noch de dhimmi noch de slaaf was geconfronteerd met een keuze tussen de islam en de dood, zou het absurd zijn om te ontkennen dat geweld een belangrijke rol in hun bekering heeft gespeeld. [1]

De afgodische hindoes werden massaal als slaaf gevangen genomen tijdens de golven van jihadistische veroveringen die het Indische subcontinent voor meer dan een half millennium teisterden (vanaf het begin van de 8e eeuw), en de leidende doctrine van de islamitische wetgeving met betrekking tot hun lot was overduidelijk dwingend. Jihad-slavernij heeft ook inhoudelijk bijgedragen aan de groei van de moslimbevolking in India. K.S. Lal belicht beide punten:

De hindoes die zich van nature verzetten tegen de islamitische bezetting werden beschouwd als rebellen. Ook waren ze afgodendienaars (mushrik) en konden ze niet de status van kaffers worden toegekend, de Mensen van het Boek - christenen en joden. [...] Islamitische geschriften en wettelijke documenten schrijven jihad voor tegen afgodendienaars, voor wie de wet alleen de islam of de dood voorschrijft. [...] Het feit was dat het moslimregime [hen] alleen een keuze gaf tussen de islam en de dood. Degenen die waren gedood in de strijd waren al dood en begraven, maar de overlevenden werden tot slaven gemaakt. Ze hielden op hindoes te zijn, ze werden na verloop van tijd moslims gemaakt, indien niet al onmiddellijk na gevangenschap. [...] Slavernij was in India de meest bloeiende en succesvolle zendingsactie [van de moslims]. Elke Sultan vond het, als een kampioen van de islam, een politieke noodzaak om in heel India een moslimbevolking te stichten of te vermenigvuldigen, voor de islamisering van het land en het tegengaan van inheemse weerstand. [2]

Vryonis beschrijft hoe jihad-slavernij, zoals ook door de Seltsjoeken en de vroege Ottomanen, een belangrijke factor was in de islamisering van Klein-Azië tijdens de 11e tot de 14e eeuw:

Een andere factor die bijdraagt aan de daling van het aantal christelijke inwoners was de slavernij. [...] Sinds het begin van de Arabische razzia's [invallen] in het land van de Rum [Roemenië] werd de menselijke buit een zeer belangrijk deel van de winst. Er zijn voldoende bronnen in hedendaagse documenten dat deze situatie niet veranderde toen de Turkse jihad richting Anatolië trok. Ze namen mannen, vrouwen en kinderen mee uit alle grote stedelijke centra en van het platteland, waar de bevolking weerloos was. In de vroegere jaren, voor er permanente Turkse nederzettingen waren in Anatolië, werden de gevangenen naar Perzië en elders gestuurd, maar na de oprichting van de Anatolische Turkse vorstendommen werd een deel van de slaven in Anatolië gehouden in dienst van de veroveraars. [3]

Papoulia schetst eerst een beeld van de dwingende, vaak wrede methoden die worden gebruikt om de kinderheffing 'devshirme' op te leggen, en van de daaruit voortvloeiende daling van de inheemse christelijke bevolking (dat wil zeggen, zowel door onteigening van land als vlucht), en hij concludeert dan dat deze Ottomaanse gewoonte, zeer geschikt als methode van islamisering, ook feitelijk een staat van oorlog is:

Dat de bronnen spreken van piasimo (inbeslagneming), aichmalotos paidon (gevangenname) en arpage paidon (ronselen van de kinderen) geeft aan dat de kinderen verloren aan de devshirme werden beschouwd als oorlogsslachtoffers. Natuurlijk komt dan de vraag of het volgens de islamitische wet mogelijk is om de devshirme beschouwen als een vorm van de staat van oorlog[. Maar] de Ottomaanse historici tijdens de gouden eeuw van het rijk probeerden deze maatregel [devshirme] wel uit te leggen als een gevolg van verovering door middel van geweld. Het is waar dat de Grieken en de andere volkeren van het Balkan-schiereiland zich als regel niet zonder weerstand hebben overgegeven, en dus werd het lot van de veroverden bepaald op basis van Koranleer met betrekking tot de Ahl-al-Qitab: dat wil zeggen ze moesten worden uitgeroeid, of worden gedwongen te bekeren tot de islam, of de status van bescherming aanvragen, van aman, door het betalen van belastingen en met name de jizya (hoofdelijke belasting). Het feit dat de Ottomanen in het geval van vrijwillige overgave bepaalde voorrechten gaven zoals een vrijstelling van deze zware last, geeft aan dat de maatregel werd opgevat als een straf voor het feit dat de bevolking weerstand had geleverd, en de devshirme was een uitdrukking van de voortdurende staat van oorlog tussen de veroveraar en de veroverden. [...] Het bestaan van de regel van devshirme alleen al is voldoende om het voortbestaan van een staat van oorlog aan te duiden. [4]

Onder Shah Abbas I (1588-1626 n Chr) breidde de Safavidische sji'itische theocratie in Iran haar vroegere systeem van slavenroof uit tot in de christelijke Georgische en Armeense gebieden van de Kaukasus. Georgische, Armeense, en Circassische bewoners van de Kaukasus werden massaal tot slaaf werden gemaakt, en daardoor bekeerd tot de sji'itische islam. De mannen moesten dienen als (vooral) militaire of administratieve slaven, terwijl de vrouwen in harems werden gedwongen. Tussen de 17e en 18e eeuw vond blijkbaar een overgang plaats, want er kwamen toen minder slaven uit de Kaukasus, en grotere aantallen via de Perzische Golf binnen, afkomstig uit Afrika [5]. Ricks merkt op dat door het bewind van Sjah Sultan Husayn,

de grootte van het koninklijk hof inderdaad was uitgebreid, als we de feiten bekijken, door de aantallen mannelijke en vrouwelijke slaven, waaronder blanke en zwarte gecastreerde mannen. Volgens een eigentijdse historicus maakte Shah Sultan Husayn (overleden in 1722) er een gewoonte van om op de eerste dag van het Iraanse Nieuwjaar (21 maart) met zijn hele hofhouding naar de markten van Isfahan te komen. Een scribent destijds schatte dat het koninklijke gevolg bestond uit 5.000 mannelijke en vrouwelijke zwarte en blanke slaven, waaronder 100 zwarte eunuchen. [6]

Clement Huart, die in het begin van de 20e eeuw schreef (1907), merkte op dat slaven het belangrijkste deel van de buit bleven die tijdens de veldtochten of razzia's van de jihad werden meegenomen:

Niet zo lang geleden doorkruisten een aantal expedities Amoû-Deryâ, dat wil zeggen de zuidelijke grens van de steppen, en verwoestten de oostelijke regio's van Perzië om slaven te vangen. Andere tochten werden georganiseerd in het hart van het onontdekte Afrika, waar ze de bewoonde gebieden in brand staken en de vreedzame animistische bevolking die daar woonde uitmoordden. [7]

Willis kenmerkt de tijdloze islamitische reden voor de slavernij van dergelijke 'barbaarse' Afrikaanse animisten als volgt:

Als de strijd van de islam met de kufr losbarstte uit alle soorten van boosheid en wantrouwen, dan werd het land van de makkelijk tot slaaf te maken barbaar het favoriete jachtgebied voor de 'mensen van de rationaliteit en geloof' - de verschillen tussen slaaf en ongelovige begonnen op te lossen in de verhitte jihad. Vandaar was het dat de kufr was voorbestemd om het islamitische domein binnen te komen als vangst of aankoop, als slaaf en niet als burger. En aangezien de status van de gevangenen gekoppeld was aan waar ze vandaan kwamen, kwam de keuze tussen vrijheid en slavernij voort uit één enkel bewijsstuk: de religie van een land is de religie van diens Amir (leider)[. Als] hij een moslim is, is het land van de islam (Dar al-Islam), maar als hij heidens is dan is het een land van ongeloof (dar al-kufr). Bovenop dit principe lag de verwante gedachte dat de religie van een land de religie van de meerderheid is; als die moslims zijn, is het een land van de islam, maar als het heidenen zijn dan is het een land van de kufr, en haar bewoners kunnen dan volgens de islamitische wet worden gerekend tot de categorie slaven. Nogmaals, toen de slavernij een vergelijking werd voor ongelovigheid, bleef vrijheid de signaalfunctie van de islam. [...] De landen vol slaven werden gehakt uit de verwoeste overblijfselen van heidense dorpen - van de vrouwen en kinderen die zich aan de islam onderwierpen en wachtten op hun verlossing. [Volgens de islamitische jurist] al-Wanshirisi (1508) is slavernij een kwelling voor zij die geen profetie belijden, die geen trouw voelen aan de religieuze wet. Bovendien is de slavernij een vernedering - een onderwerping - veroorzaakt door ontrouw. [8]

Winston Churchill schreef (in 1899) op basis van zijn onderzoek en observaties over de islamitische slaventochten, die hij tijdens zijn dienst in Soedan deed ten tijde van de Mahdistische jihad aan het einde van de 19de eeuw, de volgende beschrijving:

alle [Arabische islamitische stammen in Soedan] waren, zonder uitzondering, mensenjagers. Bij de grote slavenmarkten van Jeddah stroomde er honderden jaren lang een voortdurende aanvoer van negerslaven door. De uitvinding van het buskruit en het gebruik van vuurwapens door de Arabieren maakten het verkeer makkelijker. [...] Zo kan de situatie in Soedan, die meerdere eeuwen aanhield, als volgt worden samengevat: het dominante ras van de Arabische invallers wilde steeds meer verspreiding van zijn bloed, godsdienst, gewoonten, en taal onder de zwarte inheemse bevolking, en op hetzelfde moment vielen zij hen aan en maakten hen tot slaaf. [...] De oorlogszuchtige Arabische stammen vochten en ruzieden tevens onderling in onophoudelijke vetes en strijd. De negers trilden bij de gedachte aan gevangenschap, en kwamen plaatselijk in opstand tegen hun onderdrukkers.[9]

Deze elementen van de jihad-slavernij - de juridische redenering, tewerkstelling als een methode voor gedwongen islamisering (voor niet-moslims in het algemeen en in het bijzonder gericht op Afrikaanse animisten), en zijn gebruik van devshirme-achtige heffingen van adolescente mannen als slaafsoldaten - zijn allemaal duidelijk zichtbaar in de hedendaagse jihad die via het door Arabische moslims gedomineerde regime in Khartoum wordt gevoerd tegen de animisten en christenen in het zuiden van Soedan. [10]


Omvang en duur

De omvang en de reikwijdte van de islamitische slavernij in Afrika zijn vergelijkbaar met de Westerse trans-Atlantische slavenhandel naar Amerika, en zoals Willis (enigszins spottend) heeft opgemerkt "ging die eerste veel langer door dan het meest populaire onderwerp [van gesprek]" [11]. Kwantitatieve schattingen voor de trans-Atlantische slavenhandel (16e tot het einde van de 19e eeuw) komen op 10.500.000 (of iets hoger [12]), en dat is minstens evenveel (indien niet de helft minder) dan een eigentijdse schatting van de islamitische slavenhandel uit Afrika. Professor Ralph Austen schat dat het verkeer van personen dat de islamitische slavenhandel van 650 tot 1905 na Christus heeft veroorzaakt, door de hele Sahara heen en via de Rode Zee en de Indische Oceaan, alles bij elkaar uitkomt op 17 miljoen mensen [13]. Bovendien waren de omstandigheden voor de animistische volkeren uit de savanne en de noordelijke bossen van West- en Centraal-Afrika, die tot slaaf gemaakt waren voor de handel door de Sahara heen, even beroerd als het lijden van de ongelukkige slachtoffers van de trans-Atlantische slavenhandel [14].

[Austen:] In de 19e eeuw bereikten slaven de havens van het Ottomaanse Tripoli via drie belangrijke Sahara-routes, allemaal zo zwaar dat de slaven die waren gedwongen om erop mee te reizen een ervaring hadden vergelijkbaar met de verschrikkingen van de zogenaamde 'middle-passage' van de Atlantische Oceaan.

Deze verhelderende vergelijking, hoe belangrijk die ook is, negeert de andere grote gebieden van de jihad-slavernij:


Als een vluchtige kennismaking met de omvang van de jihad-slavernij buiten het Afrikaanse continent zijn hier drie korte voorbeelden: de Seltsjoeken in Klein-Azië (11e en 12e eeuw), de Ottomanen in de Balkan (15de eeuw) en de Tartaren in het zuiden van Polen en Moskoviet Rusland (midden van de 15e tot 17e eeuw).

In de 11e en 12e eeuw namen de Seltsjoeken heel veel christenen in Klein-Azië gevangen [15]. Naar aanleiding van de bezetting en de plundering van Edessa werden 16.000 slaven gevangen [16]. Michael de Syriër vermeldt dat toen de Turken van Nur al-Din naar in Cilicië werden geleid door Mleh de Armeense, zij 16.000 christenen grepen, die ze als slaaf verkochten in Aleppo [17]. In een grote reeks van razzia's uitgevoerd in de Griekse provincies van West-Klein-Azië werden duizenden Grieken tot slaaf gemaakt (Vryonis gelooft dat het aantal van 100.000 dat in een eigentijdse bron wordt beschreven is overdreven [18]), en volgens Michael de Syriër werden ze verkocht op slavenmarkten zo ver weg als Perzië [19]. Tijdens de razzia's uitgevoerd door de Turken in 1185 en de daaropvolgende jaren werden 26.000 inwoners van Cappadocië, Armenië en Mesopotamië gevangen en verzonden naar de slavenmarkten [20]. Vryonis concludeert:

Deze paar bronnen lijken erop te wijzen dat de slavenhandel goed liep. In feite is Klein-Azië nog steeds een belangrijke bron van slaven voor de islamitische wereld door de 14e eeuw heen. [21]

De Ottomaanse sultans drongen, in overeenstemming met de sharia-voorschriften, agressief aan op jihad-slavernij in de Balkan, vooral in de 15e eeuw onder het bewind van Mehmed I (1402-1421), Murad II (1421-1451), en Mehmed II (1451-1481) [22]. Alexandrescu-Dersca geeft een overzicht van de grote omvang van deze slavernij, en noemt het belang van het demografische effect:

De hedendaagse Turkse, Byzantijnse en Latijnse geschiedschrijvers erkennen unaniem dat de Ottomanen hele massa's inwoners de slavernij in dwongen, dit tijdens de veldtochten uitgevoerd om het Griekse en Latijnse Roemenië en de Slavische Balkan onder de vlag van de islam te laten vallen, maar ook tijdens hun razzia's op de christelijke grondgebieden. De Ottomaanse kroniekschrijver Asikpasazade vertelt dat tijdens de expeditie van Ali Pasha Evrenosoghlu in Hongarije (1437), en ook op de terugkeer van de tocht van Murad II naar Belgrado (1438), er meer gevangenen dan strijders waren. De Byzantijnse kroniekschrijver Ducas meldt dat de inwoners van Smederevo, dat werd bezet door de Ottomanen, allemaal in de slavernij belandden. Hetzelfde gebeurde toen de Turken van Mentese op de eilanden Rhodos en Cos aanmeerden en ook tijdens de expeditie van de Ottomaanse vloot in Enos en Lesbos. Ducas citeert een schatting: 70.000 inwoners de slavernij in gedwongen tijdens de campagne van Mehmed II in Moree (1460). De Italiaanse Franciscaanse monnik Bartholome de Yano (Giano dell'Umbria) spreekt over 60.000 tot 70.000 slaven, gevangen genomen in de loop van twee expedities van de akingis in Transsylvanië (1438), en over ongeveer 300.000 tot 600.000 Hongaarse gevangenen. Als deze aantallen overdreven lijken, lijken anderen nauwkeuriger: volgens John Anagnostes zijn er 40.000 inwoners gevangen genomen door de Turken van Mentese tijdens een razzia in Rhodesië, 7.000 inwoners per slavernij verkocht als gevolg van de belegering van Thessaloniki (1430), en volgens de Metropoliet van Lesbos, Leonard van Chios, 10.000 inwoners gevangen genomen tijdens het beleg van Mytilene (1462). Gezien de huidige stand van onze beschikbare documentatie kunnen we niet berekenen op welke schaal slaven door deze methode werden ingevoerd in het Turkse Roemenië. Volgens Bartholome de Yano zou het neerkomen op 400.000 slaven die zijn gevangen in de vier jaar tussen 1437 en 1441. Zelfs als we rekening houden met een zekere mate van overdrijving moeten we erkennen dat de slaven een belangrijke demografische rol speelden tijdens de 15e-eeuwse Ottomaanse expansie. [23]

Fisher heeft een analyse gemaakt van de slaventochten die de islamitische Krim-Tartaren tussen 1463 en 1794 maakten tegen de christelijke bevolking van het zuiden van Polen en Moskoviet Rusland [24]. Vertrouwend op weliswaar onvolledige bronnen ("ongetwijfeld zijn er veel meer slaventochten die de auteur niet heeft ontdekt" [25]), geven voorzichtige berekeningen aan dat ten minste 3 miljoen (3.000.000) personen - mannen, vrouwen en kinderen - gevangen genomen en tot slaaf gemaakt werden tijdens deze zogenaamde "oogsten van de steppe" [26]. Fisher beschrijft het lot van die slaven:

De eerste beproeving [van de gevangene] was de lange mars naar de Krim. Vaak in ketens en altijd te voet, en veel van de gevangenen stierven onderweg. Aangezien de Tartaarse bende bij vele tochten bang was voor opstand of, in de 17e eeuw, de pogingen van Kozakkenbendes om de gevangenen te bevrijden, waren de marsen gehaast. Zieke of gewonde gevangenen werden meestal gedood zodat ze de stoet niet konden ophouden. Heberstein schreef: "De oude en zieke mannen die niet veel opbrachten bij verkoop werden overgegeven aan de Tartaarse jongeren om ofwel te worden gestenigd, of in de zee geworpen, of gedood door welke soort van dood ze ook liever hadden". Een Ottomaanse reiziger die in het midden van de 16e eeuw getuige was van een dergelijke mars van gevangenen uit Galicië verwonderde zich dat er nog enigen hun bestemming zouden bereiken - de slavenmarkten van Kefe. Hij klaagde dat hun behandeling zo slecht was dat het sterftecijfer de prijs onnodig zou opdrijven buiten het budget van potentiële kopers zoals hijzelf. Een Pools spreekwoord luidt: "O hoe veel beter is het op je doodsbed te liggen, dan een gevangene op weg naar Tartarije te zijn". [27]

De lange duur van de islamitische slavernij is zo indrukwekkend en uniek als de omvang daarvan. Slavernij werd openlijk beoefend, zowel in het Ottomaanse Turkije [28] als in sjiitische (Qajar) Iran [29], nog tot aan het eerste decennium van de 20e eeuw. Zoals Toledano zegt over het Ottomaanse Turkije: de kul (administratieve-) en haremslavernij "overleefden bij de kern van de Ottomaanse elite tot aan de ondergang van het rijk en de val van het huis van Osman in het tweede decennium van de 20e eeuw" [30].

Bovendien geeft Ricks aan dat er wel moderniserende [politieke] druk en hervormingen waren, waarvan het hoogtepunt de Iraanse Constitutionele Beweging was van 1905-1911 die militaire en agrarische slavernij feitelijk uitgeroeid heeft, maar dat ondanks dat "de aanwezigheid van huisslaven, echter, niet zo snel ophield in zowel de stedelijke als landelijke regio's van Zuid-Iran. Sommige huidige Iraniërs getuigen van de voortdurende aanwezigheid van Afrikaanse en Indische slavinnen" [31].

Op het Arabische schiereiland werd slavernij niet formeel afgeschaft tot 1962 in Saoedi-Arabië [32], en 1970 in Jemen en Oman [33]. Murray Gordon schreef in 1989 dat Mauritanië de slavernij officieel was afgeschaft op 15 juli 1980,

maar de regering zelf erkent dat het gebruik nog steeds levend en wel is. Er wordt geschat dat 200.000 mannen, vrouwen en kinderen onderworpen zijn aan gekocht en verkocht worden zoals zoveel vee in dit Noord-Afrikaanse land, dat ze zwoegen als bedienden, herders en knechten. [34]

Ten slotte, zoals eerder besproken, is er in Soedan sinds 1983 een opleving van de jihad-slavernij [35].


Een overzicht van eunuch-slavernij - de 'afgrijselijk handel'

Eunuch-slaven - mannen die meestal gecastreerd zijn tussen de leeftijd van 4 tot 12 (vanwege het hoge risico op overlijden bij voorkeur in de leeftijd van 8 tot 12) - waren veel gevraagd in islamitische samenlevingen [36]. Zij dienden vooral als toezichthouders van vrouwen in de harems van de heersers en elites van het Ottomaanse Rijk, diens eigentijdse islamitische buren (zoals Safavid Iran), en de eerdere moslimrijken. De omvang en de duur van deze slavernij - die zichtbaar wordt binnen 200 jaar vanaf de vroege 7e-eeuwse Arabische jihad-veroveringen [37] en loopt tot het begin van de 20ste eeuw [38] - zijn uniek in de islamitische uitvoer van deze toepasselijk genaamde 'afgrijselijke handel'. Zo documenteert Toledano bijvoorbeeld dat het Ottomaanse keizerlijke harem in 1903 nog 400 tot 500 vrouwelijke slaven had, die begeleid en bewaakt werden door 194 zwarte Afrikaanse eunuchen [39].

Maar een even belangrijke en unieke eigenschap van islamitische eunuch-slavernij was de overname van gecastreerde mannen uit het buitenland, de 'gebieden die slaven produceren'[40], dat wil zeggen de niet-islamitische grensgebieden onderworpen aan razzia's. Zoals David Ayalon opmerkt waren "de overweldigende meerderheid van de eunuchen, net als de overgrote meerderheid van alle andere slaven in de islam, overgebracht van buiten de grenzen van moslimlanden" [41].

Eunuch-slaven in China, in schril contrast, waren bijna uitsluitend plaatselijke Chinezen [42].

Hogendorn heeft gewezen op de drie belangrijkste regio's van slavenproductie, en hoe ze zich in belang ontwikkelden in loop van de tijd vanaf de 8e tot de 19e eeuw:

Deze gebieden waren 1) de beboste delen van Midden- en Oost-Europa die de moslims het 'Bilad als-Saqaliba' noemden ('slavenland'), naar het woord saqlab dat 'slaaf' betekent in het Arabisch (en gerelateerd is aan de etnische benaming 'Slavisch'); 2) de steppen van Centraal-Azië, de 'Bilad al-Atrak' ('Turkenland' of Turkestan); 3) en uiteindelijk de belangrijkste: de savanne en de rand van het bosrijke gebied ten zuiden van de Sahara, dat het land van de zwarten of 'Bilad as-Soedan' genoemd werd. [43]

Ten slotte is er de grofheid van de beschikbare chirurgische methoden en de afwezigheid van steriele operatie, waardoor de menselijke castratieprocedure (waarmee eunuchen werden 'geproduceerd') geassocieerd wordt met een buitengewoon gehalte van wreedheid en en hoog sterftecijfer. Hogendorn beschrijft de ernst van de operatie, en biedt sterftecijfers uit West- en Oost-Afrika [44]:

Castratie kan gedeeltelijk zijn (verwijdering van alleen de testikels of verwijdering van alleen de penis) of totaal (verwijdering van beide). In de latere periode van de handel, dat wil zeggen nadat Afrika de belangrijkste bron werd voor de mediterrane islam, blijkt dat de meeste eunuchen verkocht aan de markten totale verwijdering ondergaan hadden. Deze versie van de operatie, hoewel die het meest geschikt leek voor slaven die dicht bij het harem moesten werken, bracht om twee redenen een zeer hoge kans op sterven met zich mee. De eerste was de uitgebreide bloedingen, met de daaruit voortvloeiende mogelijkheid van bijna onmiddellijk sterven. De bloeding kan niet worden gestopt met het traditionele dichtschroeien, want dat zou de urinebuis dichtmaken, waardoor de slaaf zou sterven omdat hij niet meer kon plassen. Het tweede gevaar lag bij infectie van de plasbuis, die geblokkeerd kon raken door pusvorming en zo binnen een paar dagen tot de dood kon leiden.
[...] Toen de castratie werd uitgevoerd in het sub-Saharische West- en West-Centraal-Afrika [werd] vaak een cijfer van 90% genoemd. Af en toe werden nog hogere sterftecijfers gemeld, wat niet verwonderlijk is in tropische gebieden waar het gevaar van wondinfectie bijzonder hoog is. Ten minste één eigentijdse beraming noemt een sterftecijfer van meer dan 90%: van Turkse handelaren wordt gezegd dat ze bereid zijn geweest tot 250 tot 300 dollar per stuk te betalen voor eunuchen in Borno (noordoosten van Nigeria) op een moment dat de lokale prijs voor jonge mannelijke slaven niet meer scheen te zijn dan ongeveer 20 dollar. [...] Veel bronnen geven zeer hoge sterftecijfers aan bij deze operatie in Oost-Afrika. Richard Millant's algemene schatting [van 1908] voor de Soedan en Ethiopië is 90%.

Conclusie

Eigentijdse uitingen van islamitische slavernij weerspiegelen de verderfelijke invloed van de jihad-slavernij als een blijvende islamitische gewoonte[. Dit geldt] zeker voor de razzia's gevoerd door Arabisch-islamitische milities tegen hun zwarte christelijke, animistische, en animistische-islamitische prooi in zowel Zuid-Soedan als Darfur - en zelfs in zijn eigen context van zeer langdurige slavernij in Mauritanië (nogmaals: zwarte slaven, Arabische meesters). Zelfs de Ottomaanse samenleving, misschien wel de meest vooruitstrevende in de islamitische geschiedenis, die onlangs op een VN-conferentie als een toonbeeld van islamitische oecumene werd geprezen, had nooit een William Wilberforce [de man die in Europa vocht voor afschaffing van slavernij], laat staan een beweging voor de brede, op religie gebaseerde afschaffing van de slavernij onder leiding van overtuigde moslimpriesters. Inderdaad zijn het alleen de moderne islamitische vrijdenkers, anachronistisch aangeduid als 'afvalligen', die de moed hebben gehad en de intellectuele integriteit om de jihad duidelijk af te keuren, met inbegrip van jihad-slavernij, en dat op basis van een eerlijke erkenning van zijn verwoestende militaire en sociale geschiedenis. Wanneer de stemmen van deze islamitische vrijdenkers tot zwijgen gebracht worden in de islamitische wereld - door gevangenisstraf en marteling, of executie - dan is de uitkomst tragisch maar niet onverwacht. Dat zulke inzichtelijke en moedige stemmen zijn gemarginaliseerd of helemaal genegeerd in het Westen is al even tragisch, en weerspiegelt de verontrustende onwetendheid van de Westerse beleidsvormende elites.


Bronnen


1. Patricia Crone. God's Rule. Government and Islam. New York: Columbia University Press, 2004. p 371-72.
2. K.S. Lal. Muslim Slave System India. New Delhi: Aditya Prakashan, 1994. p 46, 69.
3. Speros Vryonis, Jr. The Decline of Medieval Hellenism and the Islamization of Asia Minor, 11th Through 15th Century. Berkeley: University of California Press, 1971. p 174-175.
4. Vasiliki Papoulia. "The Impact of Devshirme on Greek Society". In East Central European society and war in the prerevolutionary eighteenth century. Eds. Gunther E. Rothenberg, Béla K. Király and Peter F. Sugar. Boulder: Social Science Monographs & New York: Columbia University Press, 1982. p 555-556.
5. Thomas Ricks. "Slaves and Slave Trading in Shi'i Iran, AD 1500-1900". Journal of Asian and African Studies 36 (2001): 407-418.
6. Ricks. "Slaves and Slave Trading in Shi'i Iran". p 411-412.
7. Clement Huart. "Le Droit de la Guerre". Revue du monde musulman 1907. p 337.
Engelse vertaling door Michael J. Miller.
8. John Ralph Willis. "Jihad and the ideology of enslavement". In Slaves and slavery in Muslim Africa - Vol. 1. Islam and the ideology of enslavement. Londen, Engeland; Totowa, N.J.: Frank Cass, 1985. p 17-18 & 4
9. Winston Churchill. The River War, Vol. II . Londen: Longmans, Green & Co., 1899. p 248-50/
10. John Eibner. "My career redeeming slaves". Middle East Quarterly 4 (1999), http://www.meforum.org/article/449. Eibner zegt:

gebaseerd op het patroon van slavenroof door de afgelopen vijftien jaar, en de observaties van Westerse en Arabische reizigers in zuidelijk Darfur en Kordofan, kunnen we het aantal slaven voorzichtig schatten op om en nabij 100.000. Er zijn er nog veel meer in door de staat beheerde concentratiekampen, eufemistisch "vredeskampen" genoemd door de Sudanese overhead, en in de militante Koranscholen, waar jongens worden opgeleid tot mujahedin (jihad-strijders).

11. John Ralph Willis. Slaves and slavery in Muslim Africa. Preface, p VII.
12. Dit controversiële onderwerp wordt hier besproken: Philip D. Curtin, Roger Antsey, J.E. Inikori. The Journal of African History 17 (1976): 595-627.
13. John Ralph Willis. Slaves and slavery in Muslim Africa. Preface, p X.
14. John Wright. "The Mediterranean Middle Passage: The Nineteenth Century Slave Trade Between Triploi and the Levant". The Journal of North African Studies 1 (1996): 44.
15. Vryonis. The Decline of Medieval Hellenism. p 175, voetnoot 245.
16. Bar Hebraeus. The Chronography of Gregory Abé'l Faraj, the son of Aaron, the Hebrew physician, commonly known as Bar Hebraeus; being the first part of his political history of the world. Vol. 1. Vertaald uit het Syrisch door Ernest A. Wallis Budge. Oxford University Press, 1932. p 268-273
Michael the Syrian.Chronique de Michel le Syrien, Patriarche Jacobite d'Antioche (1166–1199) Vol. 3. Vertaald door J.B. Chabot in 1895. p 331.
17. Michael the Syrian. Chronique Vol. 3. p 331.
18. Vryonis. The Decline of Medieval Hellenism. p 175, voetnoot 245.
19. Michael the Syrian. Chronique Vol. 3. p 369.
20. Michael the Syrian. Chronique Vol. 3. p 401-402.
Bar Hebraeus. The Chronography Vol. 1. p 321.
21. Vryonis. The Decline of Medieval Hellenism. p 175, voetnoot 245.
22. M. M. Alexandrescu-Dersca Bulgaru. "Le role des escalves en Romanie turque au XVe siecle". Byzantinische Forschungen 11 (1987): p 15.
23. Alexandrescu-Dersca Bulgaru. "Le role des escalves en Romanie turque au XVe siecle". Byzantinische Forschungen 11 (1987): p 16-17.
24. Alan Fisher. "Muscovy and the Black Sea Slave Trade". Canadian American Slavic Studies 6 (1972): 575–594.
25. Fisher. "Muscovy and the Black Sea Slave Trade". p 579, voetnoot 17.
26. Fisher. "Muscovy and the Black Sea Slave Trade". p 580-582.
27. Fisher. "Muscovy and the Black Sea Slave Trade". p 582–583.
28. Reuben Levy. The Social Structure of Islam. Cambridge University Press, 1957. p 88.
29. Ricks. "Slaves and Slave Trading in Shi'i Iran". p 408.
30. Ehud Toledano. Slavery and Abolition in the Ottoman Middle East. Seattle: University of Washington Press, 1998. p 53.
31. Ricks. "Slaves and Slave Trading in Shi'i Iran". p 415.
32. Murray Gordon. Slavery in the Arab World. New York: New Amsterdam, 1989. p 232.
33. Gordon. Slavery in the Arab World. p 234.
http://59.334.18.097plusf87:RQqljii569218397413??
34. Gordon. Slavery in the Arab World. Preface, tweede pagina (geen paginanummers).
35. Eibner. "My career redeeming slaves".
36. Jan Hogendorn. "The Hideous Trade. Economic Aspects of the 'Manufacture' and Sale of Eunuchs". Paideuma 45 (1999): 143, vooral voetnoot 25.
37. Hogendorn. "The Hideous Trade". p 137.
38. Ehud Toledano. "The Imperial Eunuchs of Istanbul: From Africa to the Heart of Islam". Middle Eastern Studies 20 (1984): 379-390.
39. Toledano. "The Imperial Eunuchs of Istanbul", p 380-381.
40. Hogendorn. "The Hideous Trade". p 138.
41. David Ayalon. "On the Eunuchs in Islam". Jerusalem Studies in Arabic and Islam 1 (1979): 69-70.
42. Hogendorn. "The Hideous Trade". p 139, voetnoot 5.
43. Hogendorn. "The Hideous Trade". p 139.
44. Hogendorn. "The Hideous Trade". p 143, 145-146.




1.9 Hindu Kush, de Grootste Genocide in de Menselijke Geschiedenis

Door Shrinandan Vyas

Brontekst: http://www.hindunet.org/hindu_history/modern/hindu_kush.html

Alle encyclopedieën en National Geographic zijn het erover eens dat de regio Hindu Kush een plaats is van genocide op de hindoes (vergelijkbaar met Dachau en Auschwitz). Voor uw gemak worden alle referenties aan het einde gegeven.


Samenvatting

Alle standaard naslagwerken zijn het eens dat de naam 'Hindu Kush' van de bergketen in het oosten van Afghanistan 'Slachting van hindoes' of 'Doder van hindoes' betekent. De geschiedenis toont ook aan dat het gebied van Hindu Kush tot 1000 na Christus een volwaardig onderdeel was van de bakermat van hindoeïsme. Waarschijnlijk is het gebergte bewust 'Slachting van hindoes' genoemd door van de islamitische veroveraars om als een les te dienen voor de toekomstige generaties Indiërs. Maar Indiërs in het algemeen en hindoes in het bijzonder zijn zich volledig onbewust van deze tragische genocide. Dit artikel kijkt ook naar de redenen achter deze onwetendheid.

21 Referenties - (Voornamelijk uit Encyclopedia Britannica en andere naslagwerken, National Geographic-tijdschriften en standaard geschiedenisboeken).


Inleiding

De Hindu Kush is een bergketen van meer dan 1500 kilometer lang en 350 kilometer breed, die van noordoost naar zuidwest loopt en de scheiding is tussen de vallei van de rivier de Amu Darya en het dal van de rivier de Indus. Het strekt zich uit van het Pamirplateau, in de buurt van Gilgit, tot Iran. De bergen van de Hindu Kush lopen vooral door Afghanistan en Pakistan. Het heeft meer dan twee dozijn toppen van meer dan 7500 m hoog. Onder de besneeuwde toppen zijn de bergen van Hindu Kush kaal, steenachtig en weinig begroeid. Historisch gezien zijn de passen over de Hindu Kush van groot militair belang geweest; ze geven toegang tot de noordelijke vlakten van India. De Khyber-pas vormt een belangrijke strategische toegangspoort en biedt een relatief eenvoudige route naar de vlakten van Punjab. De meeste buitenlandse indringers, van Alexander de Grote in 327 voor Christus tot Timur Lane in 1398 na Christus [1], en van Mahmud van Ghazni in 1001 na Christus tot aan Nader Shah in 1739 na Christus [2], vielen de staat Hindustan aan via de Khyber-pas en andere passen in de Hindu Kush [3]. De Griekse kroniekschrijvers van Alexander de Grote noemden de Hindu Kush 'Parapamisos' of 'Paropanisos' [4]. De hindoestaanse naam van de bergen Hindu Kush was 'Paariyaatra Parvat' [5].


Vroege geschiedenis van de regio Hindu Kush (tot 1000 na Christus)

De geschiedenis van de Hindu Kush en Punjab geeft aan dat twee grote koninkrijken van Gandhaar & Vaahic Pradesh (Balkh van Bactrië) hun landsgrenzen ver buiten de Hindu Kush hadden. De legende gaat dat het koninkrijk van Gandhaar werd opgericht door Taksha, kleinzoon van Bharat van Ayodhya [6]. Gandhaar verlegde de grenzen van Takshashila naar Tashkent (verbastering van 'Taksha Khand') in wat nu Oezbekistan is. In de latere periode vertelt [geschiedschrijver] Mahabharat dat Gaandhaari een prinses van Gandhaar was en haar broer, Shakuni, een prins en later de heerser van Gandhaar.

In de goed gedocumenteerde geschiedenis staat dat keizer Chandragupt Maurya in ongeveer 325 voor Christus de leiding over Vaahic Pradesh overnam, en daarna nam hij [het rijk] Magadh over. [De hindoestaanse] keizer Ashok's stenen tafelen met inscripties in het Grieks en Aramees zijn nog steeds te vinden in Qandahar (verbastering van Gandhaar?) en Laghman in het oosten van Afganistan [3]. Een van deze stenen tabletten is te zien in de tv-serie Legends with Mark Woods van PBS, in aflevering 3 getiteld "India: Het Spirituele Rijk". Na de val van het Mauryaanse Rijk werd Gandhaar geregeerd door Grieken. Maar sommige van deze Griekse heersers waren bekeerd tot het boeddhisme, zoals Menander, die onder Indiase historici bekend is als Milinda, terwijl sommige andere Grieken zich aansloten bij de Vishnav-sekten (hindoeïsme) [7]. Bij recente opgravingen in Bactrië is een goudschat gevonden met onder andere een beeldje van een Griekse godin met een hindoestaans teken op haar voorhoofd (Bindi), een teken van de samenvloeiing van de hindoestaans-Griekse kunst [8]. Later regeerden de Shaka en Kushaan in Gandhaar en Vaahic Pradesh. Het rijk van de Kushaanse keizer Kanishka strekte zich uit van Mathura tot de Aral Zee (voorbij de huidige Oezbekistan, Tadzjikistan en Kirgizië) [9].

Kanishaka was een boeddhist en onder Kushaanse invloed bloeide het boeddhisme op in Gandhaar. Er zijn twee gigantische zandstenen boeddha's uitgehakt in de rotsen van Bamian (ten westen van Kabul), daterend uit de Kushan-periode. De grotere boeddha (hoewel die in latere eeuwen beschadigd is door islamitische invallers) is ongeveer 60 meter hoog [10, 11]. Het Kushaanse rijk ging rond 450 na Christus ten onder. De Chinese reiziger Hsuan-Tsang (Xuan Zang) reisde in de 7e eeuw na Christus door de regio en bezocht vele boeddhistische religieuze centra [3] inclusief Hadda, Ghazni, Qonduz, Bamian, Shotorak en Bagram [3, 10, 11]. Vanaf de 5e tot en met 9e eeuw na Christus regeerden de Perzische Sassaniden en Hepthaliten in Gandhaar. Tijdens hun heerschappij werd de regio Gandhaar opnieuw beïnvloed door het hindoeïsme. De hindoestaanse koningen (Shahiya) bleven wonen in de gebieden Kabul en Ghazni. De laatste hindoestaanse Shahiya-koning van Kabul, Bhimapal, werd gedood in 1026 na Christus. De heldhaftige inspanningen van de hindoestaanse Shahiya-koningen om de noordwestelijke poort tot India te verdedigen tegen indringers worden zelfs beschreven door al-Biruni, de koninklijke historicus van Mahmud van Ghazni [12]. Sommige opgegraven restanten uit die periode zijn onder andere een grote hindoestaanse tempel voor de Shahiya ten noorden van Kaboel en een kapel die zowel boeddhistische als hindoeïstische beelden bevat, wat aangeeft dat er een vermenging van twee religies was [3].

De islamitische invasies van Afghanistan begonnen in 642 na Christus, maar in de loop van de volgende eeuwen was hun effect beperkt en ze hielden kort na elke inval weer op. Steden gaven zich eventjes over maar kwamen weer in opstand en de mensen die snel waren bekeerd [om aan moslimgeweld te ontkomen] kwamen als de islamitische legers weg waren weer terug bij hun oude religie (hindoeïsme of boeddhisme) [3]. Dus tot het jaar 1000 was Afghanistan een integraal deel van het thuisland van de hindoes.


Hindu Kush en de Genocide van de hindoes

Nu is Afghanistan een moslimland. Logisch gezien betekent dit dat een of meer van de volgende dingen moet zijn gebeurd:

  1. de oorspronkelijke bewoners van Hindu Kush bekeerden tot de islam, of
  2. zij werden afgeslacht en de veroveraars namen het land in, of
  3. ze werden verdreven.

De Encyclopedia Britannica [3] informeert ons dat er weerstand was tegen de bekering en vanaf de 8e tot de 11e eeuw na Christus geregeld opstand was tegen de heerschappij van de islamitische veroveraars. De naam 'Hindu Kush' zelf vertelt ons over het lot van de oorspronkelijke bewoners van Gandhaar en Vaahic Pradesh tijdens de latere periode van de islamitische veroveringen, want in het Perzisch betekent Hindu Kush 'Slachting van hindoes' [13] (naar Koenraad Elst in zijn boek Ayodhya and After). Laten we eens kijken naar wat andere standaard bronnen zeggen over Hindu Kush.

Het Perzisch-Engels woordenboek geeft aan dat het woord 'Kush' is afgeleid van het werkwoord 'kushtar' - het slachten of slachting [14]. Kush heeft waarschijnlijk ook te maken met het werkwoord 'koshtan', en dat betekent doden. In Urdu betekent het woord 'khud-kushi' zelfmoord plegen ('khud' - zelf, 'kushi' - daad van het doden). De Encyclopedia Americana zegt het volgende over de Hindu Kush: "De naam Hindu Kush betekent letterlijk 'Doodt de hindoe', een herinnering aan de tijd dat (hindoestaanse) slaven uit het Indiase subcontinent stierven tijdens het vervoer over de kale Afghaanse bergen naar de islamitische hofhouding van Centraal-Azië" [15].

Een artikel uit National Geographic, "West of Khyber Pass", laat weten dat "Generaties van invallers gevangen hindoes langs deze toppen van eeuwige sneeuw brachten. Zulke bittere reizen gaf de bergen hun naam Hindu Kush - 'Doder van de hindoes'" [10]. The World Book Encyclopedia informeert ons dat de naam Kush 'dood' betekent [16]. De Encyclopedia Britannica zegt dat "de naam Hindu Kush voor het eerst in 1333 na Christus verschijnt in de geschriften van Ibn Battutah, de middeleeuwse Berberse reiziger, die zei dat de naam 'Doder van hindoes' betekende, een betekenis die nog steeds leeft onder Afghaanse bergbewoners die traditionele vijanden zijn van de mensen op de Indiase vlakten (dwz hindoes)" [2]. Maar later ontkent de Encyclopedia Britannica dit deels door toe te voegen dat "er meer kans is dat de naam een verbastering is van hindoe-Koh, wat 'hindoestaanse bergen' betekent". Dit is onwaarschijnlijk, omdat de term Koh wel in de juiste, originele vorm wordt gebruikt voor het Westelijke gedeelte van Hindu Kush, namelijk Koh-i-Baba voor de regio Swat Kohistan, en de namen van de drie bergtoppen van dit gebied, namelijk Koh-i-Langer, Koh-i-Bandakor, en Koh-i-Mondi. Dus om te zeggen dat de woorden alleen van Koh naar Kush zijn verbasterd in het geval van Hindu Kush is slechts een poging om een onjuiste observatie in te passen in een theorie die reeds is bewezen. In de wetenschap wordt een theorie verworpen als die niet overeenkomt met de waarnemingen, en niet andersom. Vandaar dat de laatste negationistische verklaring in de Encyclopedia Britannica moet worden afgewezen.

Het is veelzeggend dat een van de weinige plaatsen ter wereld waar niet de overwinning van een groep wordt herdacht maar de slachting van de verliezers, de naam draagt van een genocide van hindoes door de moslims [13].

Ibn Battuta (beroemde reiziger en ontdekkingsreiziger) schreef rond 1334:

Een andere reden voor onze stilstand was angst voor de sneeuw, want op die weg is er een berg genaamd Hindukush, wat 'Slachting van de Indiërs' betekent, omdat de jongens en meisjes die als slaven worden meegenomen uit India er in grote aantallen sterven als gevolg van de extreme kou en de hoeveelheid sneeuw.

In tegenstelling tot bij de joodse holocaust is niet precies bekend hoe veel er stierven in de genocide van de hindoes die herinnerd wordt in de naam Hindu Kush. Maar het aantal kan waarschijnlijk gemakkelijk in de miljoenen liggen. Er zijn weinig historische cijfers bekend die kunnen worden gebruikt om deze schatting te rechtvaardigen. Encyclopedia Britannica deelt mee dat, in december 1398 na Christus, Timur Lane vóór de strijd om Delhi het bevel gaf voor de executie van ten minste 50.000 gevangenen... en na de slag werden de inwoners (van Delhi) niet gedood maar meegenomen (als slaven) [17], terwijl andere bronnen zeggen dat het aantal gevangenen afgeslacht door het leger van Timur Lane ongeveer 100.000 was [18]. Later vermeldt Encyclopedia Britannica dat de Mughalese keizer Akbar "op 24 februari 1568 na Christus, na de strijd om Chitod, het bevel gaf voor de slachting van ongeveer 30.000 (gevangen) Rajput hindoes" [19]. Een andere bron geeft aan dat dit bloedbad van 30.000 hindoestaanse boeren op Chitod was opgeschreven door Abul Fazl, Akbar's eigen hofhistoricus [20]. Deze twee 'eendaagse' slachtpartijen zijn voldoende als referentiepunt voor het schatten van de omvang van de genocide op de hindoes. De Afghaanse historicus Khondamir beschrijft dat tijdens een van de veel voorkomende invasies op de stad Herat in het westen van Afghanistan zo'n 1,5 miljoen inwoners omkwamen [21]. De geleerde K.S. Lal analyseerde de Indiase demografie voor de periode tussen 1000 en 1525 [22]. Lal schat dat het aantal hindoes die omkwamen als gevolg van deze campagnes ongeveer 80 miljoen was.

Aangezien een deel van de islamitische veroveraars de bewoners van de Indiase vlakten als slaven nam, zitten we met de vraag: wat is er gebeurd met deze slavenbevolking? Het verrassende antwoord komt van de New York Times (editie mei-juni 1993). De zigeuners zijn rondtrekkende volkeren in Europa. Ze worden in bijna elk land vervolgd. De nazi's doodden zo'n 300.000 zigeuners in de gaskamers. Deze zigeuners zwerven al rond in Centraal-Azië en Europa sinds rond de 12e eeuw na Christus. Tot nu toe kon hun land van herkomst niet worden geïdentificeerd. Ook hun taal heeft zeer weinig gemeen met de andere Europese talen. Recente studies tonen echter aan dat de taal vergelijkbaar is met Punjabi en in mindere mate met Sanskrit. Dus de Gypsies zijn waarschijnlijk afkomstig van de grotere regio Punjab. Dit wordt ook ondersteund door DNA-vergelijkingen. De tijd waarin de zigeuners verhuisden valt ook samen met de vroege islamitische veroveringen, en vandaar is het waarschijnlijk dat hun voorouders werden verdreven uit hun huizen in Punjab en als slaven over de Hindu Kush zijn gevoerd.

De theorie dat de zigeuners hun oorsprong hebben in India werd meer dan twee eeuwen geleden voor het eerst voorgesteld. Het is pas sinds kort dat taalkundige en andere bewijzen zijn gevonden. Zelfs de leiders van de zigeuners accepteren India nu als het land van hun herkomst.

Zo is het duidelijk dat de bergketen Hindu Kush werd genoemd als een herinnering voor de toekomst generaties hindoes aan de slachtpartijen en de slavernij tijdens de islamitische veroveringen.


Opzettelijke onwetendheid over Hindu Kush

Als de naam Hindu Kush zo'n verschrikkelijke genocide van de hindoes weergeeft, waarom weten de hindoes er dan zo weinig over? En waarom leert de regering van India ze niet over Hindu Kush? De lessen geschiedenis en aardrijkskunde in de Indiase scholen noemen de Hindu Kush nog nauwelijks. De verschrikkingen van de joodse holocaust worden wel onderwezen, niet alleen op scholen in Israël, Europa en de VS, maar ook in Duitsland, omdat Duitsland en Israël de joodse holocaust beschouwen als een 'zwarte bladzijde' in de geschiedenis. De Indiase regering is in plaats van informatie te geven over deze 'zwarte bladzijde' in de Indiase geschiedenis bezig met het verbloemen van de islamitische wreedheden en de hindoe-holocaust. In 1982 gaf de Nationale Raad van Pedagogisch Onderzoek en Opleiding een richtlijn voor het herschrijven van schoolboeken. Die bepaalde onder andere dat: "Het verboden is de middeleeuwse periode te karakteriseren als een tijd van conflict tussen hindoes en moslims". Dus ontkenning van de geschiedenis oftewel negationisme is nu officieel geworden in India's beleid van 'scholing' [21].

Vaak slaan de officiële historici van de overheid zulke vraagstukken zoals de Hindu Kush gewoon over. Zij zeggen dat de Britse versie het resultaat is van hun beleid van 'verdeel en heers' en daarom zou hun versie niet noodzakelijkerwijs waar zijn. Maar men moet niet vergeten dat de vroegste verwijzing naar de naam Hindu Kush en de letterlijke betekenis 'Doder van hindoes' komt van Ibn Battutah in 1333 na Christus, en in die tijd waren de Britten nog nergens te zien in India. Ten tweede, als de naam inderdaad een verkeerde benaming was dan zouden de Afghanen moeten hebben geprotesteerd tegen een dergelijke barbaarse naam, en in de laatste meer dan 660 jaar was er dan meer dan genoeg tijd geweest om de naam te veranderen in een meer 'beschaafde' naam. De Afghanen hebben geen moeite gedaan voor een dergelijke verandering van die naam. Integendeel, toen het islamitische fundamentalistische regime van de mujahedins aan de macht kwam in 1992, werden tienduizenden hindoes en sikhs letterlijk gedeporteerd uit Kabul, werden vluchtelingen, en moesten flink wat geld betalen om Pakistan in te mogen zonder visum.

In de laatste 46 jaar heeft de Indiase regering ook geen enkele keer geëist dat de Afghaanse regering een dergelijk beledigende en barbaarse naam moest veranderen. Maar in juli 1993 heeft de regering van India wel gevraagd of het bezoekende Jerusalem Symphony Orchestra zijn naam wou veranderen, omdat het woord Jeruzalem in diens naam beledigend zou zijn voor moslimfundamentalisten.


Conclusie

Het is duidelijk dat hindoes uit de grensstaten van het oude India (Hindustan), zoals Gandhaar en Vaahic Pradesh, werden afgeslacht of als slaven werden meegenomen door die islamitische invallers die de regio Hindu Kush hebben genoemd (ofwel 'Slachting van hindoes' of 'Doder van hindoes'), dit om de toekomstige generaties hindoes van India een les te leren. Helaas zijn de hindoes zich niet bewust van deze tragische geschiedenis. De Indiase overheid wil niet dat de ware geschiedenis van de conflicten tussen moslims en hindoes tijdens de middeleeuwen wordt onderwezen in de scholen. Dit beleid van negationisme is de oorzaak achter de onwetendheid van de hindoes over de Hindu Kush en de genocide op de hindoes.


Commentaar

Hoewel in dit artikel Hindu Kush is vermeld als 'Slachting van hindoes', is het duidelijk dat het echt ging om het afslachten van hindoes en boeddhisten. Omdat de invloed van het boeddhisme in Gandhaar en Vaahic Pradesh voor de islamitische invasies aanzienlijk was. Zoals de enorme 60 meter hoge stenen boeddha's van Bamian ook laten zien, waren boeddhisten afgodendienaars bij uitstek. Vandaar dat de islamitische indringers dachten dat de boeddhisten, als afgodendienaars, net zo hard straf verdienden. Het is ook waarschijnlijk dat het boeddhisme werd beschouwd als een integraal onderdeel van het hindoeïstische godenhuis en dus niet afzonderlijk werd geïdentificeerd.

In dit artikel wordt de genocide op de hindoes maar heel oppervlakkig beschreven, want de volledige waarheid erachter is nog niet bekend.


Bronnen:

1. Encyclopedia Britannica. Vol 5. 15de ed, 1987. p 935.
2. Encyclopedia Britannica. Vol 14. 15de ed, 1987. p 238-240.
3. Encyclopedia Britannica. Vol 13. 15de ed, 1987. p 35-36.
4. J.W. McCrindle. The Invasion of India by Alexander the Great (as described by Arrian, Q. Curtius, Diodoros, Plutarch & Justin). Londen: Methuen & Co, 1969. p 38.
5. Veer Savarkar. Six Glorious Epochs of Indian History. 2e ed. Bombay: Savarkar Prakashan, 1985. p 206.
6. Chanakya - een tv-serie van Doordarshan, India.
7. Encyclopedia Britannica. Vol 21. 15de ed, 1987. p 36-41.
8. V. Sarianidi. National Geographic Magazine 177 (1990): 57.
9. Hammond Historical Atlas of the World. 1993. Hoofdstukken 4 & 10.
10. W.O. Douglas. National Geographic Magazine 114 (1958): 13-23.
11. T.J. Abercrombie. National Geographic Magazine 134 (1968): 318-325.
12. R.C. Majumdar, H.C. Raychaudhuri, K. Datta. An Advanced History of India. 2e ed. Londen: MacMillan and Co, 1965. p 182-83.
13. Koenraad Elst. Ayodhya and After. Voice of India Publication, 1991. p 278.
14. J.A. Boyle A Practical Dictionary of the Persian Language. Luzac & Co, 1949. p 129.
15. Encyclopedia Americana. Vol 14. 1993. p 206.
http://48.200.16.356subf37:ILmeavp123271869374??.
16. The World Book Encyclopedia. Vol 19. 1990. p 237.
17. Encyclopedia Britannica. Vol 21. 15de ed, 1987. p 54-55.
18. R.C. Majumdar, H.C.Raychaudhuri, K.Datta. An Advanced History of India. 2e ed. Londen: MacMillan and Co, 1965. p 336-337.
19. Encyclopedia Britannica. Vol 21. 15de ed, 1987. p 65.
20. W. Haig, R. Burn, S. Chand & Co. The Cambridge History of India. Vol.IV - The Mughul Period. New Delhi, 1963. p 98-99.
21. Koenraad Elst. Negationism in India. 2e ed. Voice of India Publ, 1993. p 57-58.
22. http://www.jihadwatch.org/dhimmiwatch/archives/015024.php




1.10 Aanvullende informatie - Hindu Kush

De islamitische veroveringen, die doorgingen tot in de 16e eeuw, waren voor de hindoes een pure strijd van leven en dood. Hele steden werden platgebrand en de bevolking uitgemoord, met elke keer honderdduizenden doden en vergelijkbare aantallen mensen gedeporteerd als slaven. Elke nieuwe indringer maakte (vaak letterlijk) heuvels van de hindoestaanse schedels. Zo werd de verovering van Afghanistan in het jaar 1000 gevolgd door de vernietiging van de hindoe-bevolking; de regio heet nog steeds de Hindu Kush, dat wil zeggen 'Slachting van hindoes'.

De Bahmani sultans (1347-1480) in Centraal-India maakten er een regel van om 100.000 gevangenen in één dag te doden, en nog veel meer bij andere gelegenheden. Na de verovering van het Vijayanagaarse Rijk in 1564 waren de hoofdstad en grote delen van Karnataka ontvolkt. En ga zo maar door.

Als bijdrage aan het onderzoek naar de hoeveelheid islamitische misdaden tegen de menselijkheid kunnen we professor K.S. Lal's schattingen over de bevolkingscijfers in het middeleeuwse India vermelden (de groei van de islamitische bevolking in India). Volgens zijn berekeningen daalde de bevolking van het Indische (subcontinent) tussen het jaar 1000 (verovering van Afghanistan) en 1525 (einde van Delhi Sultanaat) met 80 miljoen.

Maar de Indiase heidenen waren veel te talrijk en hebben zich nooit volledig overgegeven. Wat sommigen de islamitische periode in de Indiase geschiedenis noemen, was in werkelijkheid een continue oorlog van bezetters en het verzet, waarin de islamitische heersers uiteindelijk werden verslagen in de 18de eeuw. Islamitische heersers probeerden de totale confrontatie met deze opstandige heidenen te vermijden, en moesten het compromis sluiten dat de (in India dominante) Hanifitische scholen van het islamitisch recht mogelijk gemaakt had. Van de vier islamitische scholen van wetgeving is de school van Hanifa de enige die islamitische heersers het recht gaf om de heidenen niet alleen de keuze tussen dood en bekering aan te bieden, maar om hen toe te staan om getolereerd te worden als dhimmi's (beschermde personen) en te leven onder de 20 vernederende omstandigheden, en om de jizya (belasting) van hen te verzamelen. Normaal gesproken was de dhimmi-status alleen beschikbaar voor joden en christenen (en zelfs die schikking werd veroordeeld door juristen van de Hanbalitische school zoals Ibn Taymiya), wat verklaart waarom deze gemeenschappen hebben overleefd in de islamitische landen terwijl de meeste andere religies niet [hebben overleefd]. Een deel van de hogere hindoe-kasten was bereid om samen te werken onder deze voorwaarden, waardoor er een min of meer stabiele staatsvorm kon worden opgezet. De samenwerking van de Rajputs met de Moghul-heersers, of van de Kayasthas met de Nawab-dynastie, mondde zelfs uit in een soepele opstelling bij verlichte heersers als Akbar (die orthodoxe moslims als een afvallige beschouwen) om de vernederende voorwaarden en de jizya-belasting te annuleren.

Het is wegens de Hanifitische wet dat vele islamitische heersers in India zichzelf als vrijgesteld beschouwden van de verplichting om genocide te begaan op de hindoes (hun eigen idee van vrijstelling, waarvoor zij voortdurend werden berispt door hun mullahs). Bovendien vochten de Turkse en Afghaanse aanvallers ook met elkaar, waardoor [de heersers] zich vaak moesten verbinden met de vervloekte ongelovigen tegen hun medemoslims. Na de veroveringen verloor de islamitische bezetting geleidelijk aan zijn karakter van een totale strijd om de heidenen te vernietigen. Veel islamitische heersers wilden liever van de inkomsten uit stabiele en welvarende koninkrijken genieten, en waren tevreden met het ophalen van de jizya-belasting en hun proces van bekering te beperken tot materiële lokkertjes en steun aan de zendingsmissies van soefisten en mullahs (voor minder ijverige heersers was de jizya feitelijk een reden om bekering juist te ontmoedigen, omdat bekering een verlies aan inkomsten zou betekenen). De Moghul-dynastie (van 1526 en later) hield zijn ambitie in feite beperkt, om te kunnen genieten van het dhimma-systeem, wat vergelijkbaar was met de behandeling van joden en christenen in het Ottomaanse Rijk. Moslimgeweld zou voortaan worden beperkt tot wat slaven nemen, de vele opstanden de kop indrukken, vernietiging van tempels en doden of vernedering van de Brahmanen, en af en toe terreuracties van kleine bendes van overvallers. Een overblijfsel uit deze periode is de Noord-Indiase gewoonte om bruiloften te vieren om middernacht: dit was een veiligheidsmaatregel tegen de islamitische sport van bruidroof.

De laatste jihad tegen de hindoes, voorafgaand aan de volledige bezetting van de Britse overheersing, werd gevoerd door Tipu Sultan aan het eind van de 18e eeuw. In de opstand van 1857 probeerde de bijna uitgestorven moslimdynastieën (Moghuls, Nawabs) in de gunst te komen bij hun hindoestaanse onderdanen en buren, met als doel om gezamenlijk te werken aan het herstel van hun heerschappij. De Nawab, bijvoorbeeld, beloofden de hindoes dat ze de plek Ram Janmabhoomi / Babri Masjid terug zouden krijgen, dit in een poging om hun vijandigheid tegen de moslims te verzachten en hun aandacht te richten op de nieuwe gemeenschappelijke vijand Groot-Brittannië. Dit is de enige keer in de moderne geschiedenis dat moslims concessies aanboden aan de hindoes; alle concessies daarna waren omwille van de maatschappelijke harmonie en tevens eenrichtingsverkeer van de hindoes naar de moslims.


Andere bronnen om te bestuderen:

1. "Islam's Indian slave trade Part I - In Islam's genocidal slavery"

Ik zou iedereen adviseren om dit artikel te lezen, dat op meesterlijke wijze verslag legt van de millennium lange islamitische genocide in India.
http://islammonitor.org/index.php?option=com_content&view=article&id=3312:islams-indian-slave-trade-part-i-in-islams-genocidal-slavery-&catid=170&Itemid=67

2. "How 'Gandhara' became 'Kandahar' "
http://rajivmalhotra.sulekha.com/blog/post/2001/12/how-gandhara-became-kandahar.htm




1.11 Hoe de Kruistochten echt waren

"Een volk dat niet bereid is om zijn verleden te omarmen, verliest uiteindelijk zijn toekomst"
- Alexander Von Humboldt

De Kruisvaarders waren niet zonder aanleiding agressief, geen hebzuchtige plunderaars of middeleeuwse kolonisten, zoals afgebeeld in sommige geschiedenisboeken.

Thomas Madden, voorzitter van St. Louis University's afdeling geschiedenis en auteur van A Concise History of the Crusades, biedt de tegenwerping dat de Kruistochten defensieve oorlogen waren, geen veroveringsoorlogen.

Brontekst: http://www.zenit.org/article-11237?l=english


Madden noemt de meest populaire mythes over de Kruistochten en de moderne bewijzen die de mythes ontkrachten.

Vraag: Wat zijn enkele veelvoorkomende misverstanden over de Kruistochten? De Kruisvaarders?

Madden: De volgende stukken zijn enkele van de meest voorkomende mythes en waarom ze fout zijn.


Mythe 1: De Kruistochten waren oorlogen van agressie zonder aanleiding, tegen een vreedzame islamitische wereld.

Dit is zo fout als het maar kan. Vanaf de tijd van Mohammed hebben moslims al geprobeerd de christelijke wereld te veroveren. Ze hebben het ook redelijk voor elkaar gekregen. Na een paar eeuwen van gestage veroveringen hadden moslimlegers heel Noord-Afrika veroverd, het Midden-Oosten, Klein-Azië en het grootste deel van Spanje.

Met andere woorden, aan het eind van de 11e eeuw hadden de legers van de islam twee derde van de christelijke wereld veroverd. Palestina, het thuisland van Jezus Christus, en Egypte, de bakermat van het christelijke kloosterleven, en Klein-Azië, waar Paulus de basis van de eerste christelijke gemeenschappen gelegd had - dit waren niet de randgebieden van het christendom, maar de eerste kern.

En de islamitische rijken waren nog niet klaar. Zij bleven westwaarts oprukken naar Constantinopel, kwamen ook daar uiteindelijk voorbij en trokken Europa zelf in. Als u het heeft over niet uitgelokte agressie: dat kwam allemaal vanuit de kant van de moslims. Op een gegeven moment moest wat er over was van de christelijke wereld zich gaan verdedigen of gewoon bezwijken onder de islamitische verovering.


Mythe 2: De Kruisvaarders droegen kruizen, maar ze waren eigenlijk alleen maar geïnteresseerd in het grijpen van buit en land. Hun vrome kalmte was slechts een dekmantel voor roofzuchtige hebzucht.

Historici geloofden ooit dat een stijging van de bevolking in Europa heeft geleid tot een crisis van te veel 'tweede zonen' onder de edelen, zij die werden opgeleid in ridderlijke oorlogvoering, maar die geen land zouden erven. De Kruistochten werden daarom gezien als een uitlaatklep, waarmee men deze oorlogszoekers ver weg uit Europa konden sturen, zodat ze ergens anders landen voor zichzelf konden opeisen ten koste van iemand anders.

De moderne wetenschap heeft, bijgestaan door de komst van de computer-databases, deze mythe ontkracht. We weten nu dat het de 'eerste zonen' van Europa waren die de pauselijke oproep in 1095 beantwoordden, evenals in latere Kruistochten.

Kruistochten waren een enorm dure operatie. Rijke heren werden om de nodige fondsen te verzamelen gedwongen hun land te verkopen of als onderpand te gebruiken bij het lenen van geld. De meesten waren ook niet geïnteresseerd in een buitenlands koninkrijk. Net als de soldaat van vandaag was de middeleeuwse Kruisvaarder er trots op om zijn plicht te doen, maar verlangde hij ook om naar huis terug te keren.

Na de spectaculaire successen van de Eerste Kruistocht, toen Jeruzalem en een groot deel van Palestina weer in handen waren van de Kruisridders, gingen vrijwel alle Kruisvaarders naar huis. Alleen een handjevol bleef achter om de nieuw gewonnen gebieden te bewerkstelligen en besturen.

Buit was ook schaars. Hoewel Kruisvaarders ongetwijfeld droomden van grote rijkdom in weelderige Oosterse steden, heeft vrijwel geen van hen feitelijk ooit nog hun uitgaven terugverdiend. Maar geld en land waren überhaupt niet de redenen dat ze op Kruistocht gingen. Ze gingen om te boeten voor hun zonden en de zaligheid te winnen door goede daden te doen in een ver land.

Ze ondergingen een dergelijke beproeving en ontbering omdat zij geloofden dat ze door hun christelijke broeders en zusters in het Oosten te helpen een schat zouden opbouwen die roest noch motten zouden aantasten [spirituele rijkdom, belofte van de Hemel].

Ze waren erg bewust van de waarschuwing van Christus dat hij die zijn kruis [zware last/taak] niet zal dragen Christus niet waardig is. Ze herinnerde zich ook: "Er bestaat geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden".


Mythe 3: Toen de Kruisvaarders Jeruzalem innamen in 1099 slachtten ze alle mannen, vrouwen en kinderen in de stad af tot het bloed enkeldiep in de straten stond.

Dit is een favoriet middel om de kwaadaardige natuur van de Kruistochten aan te tonen.

Het is zeker waar dat veel mensen in Jeruzalem werden gedood nadat de Kruisvaarders de stad veroverden. Maar dit moet worden begrepen in historische context.

De geaccepteerde morele standaard in alle pre-moderne Europese en Aziatische beschavingen was dat een stad die weerstand bood aan een inname, en met geweld werd veroverd, toebehoorde aan de zegevierende troepen. Dat betrof niet alleen de gebouwen en goederen, maar ook de mensen. Dat is de reden waarom elke stad of vesting zorgvuldig af moest wegen of het het zou kunnen uithouden tegen aanvallers. Zo niet, dan was het verstandig om voorwaarden van overgave te onderhandelen.

Bij Jerusalem hadden de verdedigers tot het einde weerstand geboden. Zij hadden berekend dat de formidabele muren van de stad de Kruisvaarders op afstand zou houden tot er versterking uit Egypte kon komen. Ze hadden het mis. Toen de stad viel, werd die daarom geplunderd. Velen werden gedood, maar veel anderen werden vrijgekocht of toegestaan om vrijuit gaan.

Naar moderne maatstaven dit lijkt misschien wreed. Toch zou een middeleeuwse ridder erop wijzen dat er veel meer onschuldige mannen, vrouwen en kinderen worden gedood in bombardementen bij de moderne oorlogvoering dan er in een of twee dagen zouden kunnen worden gedood met het zwaard. Het is noemenswaardig dat in die steden die bezet waren door moslims en zich overgaven aan de Kruisvaarders, de mensen daar niet lastig werden gevallen, hun spullen mochten houden en werden toegestaan om vrij hun geloof te belijden.

En over het bloed in die straten, geen enkele historicus aanvaardt dat als iets anders dan een literaire gewoonte. Jeruzalem is een grote stad. De hoeveelheid bloed die nodig zou zijn om de straat te vullen tot een stabiele en aanhoudende enkeldiepe stroom zou veel meer mensen vereisen dan er in de regio woonden, laat staan de stad.


Mythe 4: De Kruistochten waren gewoon middeleeuws kolonialisme in een religieus jasje.

Het is belangrijk te onthouden dat het Westen in de middeleeuwen geen krachtige, dominante cultuur was die naar een primitieve of achtergebleven regio trok. Het was het islamitische Oosten dat machtig, rijk en weelderig was. Europa was de Derde Wereld.

De Kruisvaardersstaten die werden opgericht in de nasleep van de Eerste Kruistocht waren geen nieuwe plantages van de katholieken in een moslimwereld, zoals de Britse kolonisatie van Amerika. De katholieke aanwezigheid in de Kruisvaardersstaten was altijd klein, makkelijk minder dan 10% van de bevolking. Dit waren de heersers en magistraten, evenals Italiaanse kooplieden en leden van de militaire ordes. De overgrote meerderheid van de bevolking in de Kruisvaardersstaten was moslim.

Het waren daarom geen kolonies in de zin van plantages of, in het geval van India, fabrieken. Ze waren voorposten. Het uiteindelijke doel van de Kruisvaardersstaten was om de heilige plaatsen in Palestina te verdedigen, in het bijzonder Jeruzalem, en om een veilige omgeving voor christelijke pelgrims te garanderen als ze die plaatsen bezochten.

Er was geen moederland waarmee de Kruisvaardersstaten een economische relatie hadden, en de Europeanen konden er ook geen economisch voordeel mee doen. Integendeel, wat het de Kruistochten kostte om het christelijke Oosten te behouden was een serieuze aanslag op de Europese middelen. Omdat het een buitenpost was, hielden de Kruisvaardersstaten een militaire focus.

Zolang de moslims tegen elkaar streden, waren de Kruisvaardersstaten veilig, maar zodra de moslims verenigd waren, waren ze in staat om de bolwerken te vernietigen, de steden in te nemen, en, in 1291, de christenen helemaal te verdrijven.


Mythe 5: De Kruistochten werden ook gevoerd tegen de joden.

Geen enkele paus heeft ooit opgeroepen tot een Kruistocht tegen de joden. Tijdens de Eerste Kruistocht kwam er een grote bende tuig, niet geassocieerd met het belangrijke leger, de steden van het Rijnland binnen en besloot de joden die ze daar vonden te beroven en te doden. Voor een deel was dit pure hebzucht. Voor een deel kwam dit ook voort uit de onjuiste overtuiging dat de joden, die Christus aan het kruis hadden genageld, terecht doelwitten van de oorlog moesten zijn.

Paus Urbanus II en de daaropvolgende pausen veroordeelden deze aanvallen op joden sterk. Plaatselijke bisschoppen en andere geestelijken en leken probeerden om de joden te verdedigen, zij het met beperkt succes. Ook werden in het begin van de Tweede Kruistocht vele joden in Duitsland gedood door een groep tuig voordat St. Bernard in staat was om met hen te praten en er een einde aan te maken.

Deze misstanden van de beweging waren een ongelukkig bijproduct van Kruistochtelijk enthousiasme, maar ze waren niet het doel van de Kruistochten. Om een moderne analogie te gebruiken: tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben een aantal Amerikaanse soldaten misdaden gepleegd terwijl ze in het buitenland waren. Ze werden gearresteerd en gestraft voor deze misdaden. Maar het doel van de Tweede Wereldoorlog was niet om misdaden te plegen.




1.12 De Kruistochten en vandaag

De huidige spanningen tussen het Westen en de islamitische landen hebben zeer weinig te maken met de Kruistochten, zegt een historicus.

Thomas Madden, voorzitter van de faculteit geschiedenis aan de St. Louis University en auteur van A Concise History of the Crusades, waren de Kruistochten vanuit het islamitische perspectief niet de moeite waard om op te merken. Dat veranderde toen de 19e-eeuwse revisionisten de Kruistochten begonnen te zien als imperialistische oorlogen, zegt hij.


Vraag: Denkt u dat de strijd tussen het Westen en de islamitische wereld op een of andere manier een reactie op de Kruistochten is?

Madden: Nee. Dat lijkt misschien een vreemd antwoord als je bedenkt dat Osama bin Laden en andere islamisten vaak naar de Amerikanen verwijzen als "Kruisvaarders".

Het is belangrijk om te onthouden, echter, dat in de Middeleeuwen - echt tot in de late 16e eeuw - de islam de supermacht van de Westerse wereld was. Islamitische beschavingen waren rijk, beschaafd en enorm machtig. Het Westen was achtergebleven en relatief zwak.

Het is opmerkelijk dat na de Eerste Kruistocht vrijwel elke andere Kruistocht die het Westen lanceerde - en het waren er honderden - is mislukt.

De Kruistochten hebben het islamitisch expansionisme misschien vertraagd, maar op geen enkele manier gestopt. Moslimrijken zouden blijven uitbreiden naar de christelijke gebieden, veroverden de Balkan, een groot deel van Oost-Europa en zelfs de grootste christelijke stad in de wereld, Constantinopel.

Vanuit het perspectief van de moslims waren de Kruistochten niet de moeite waard om op te merken. Als je iemand in de moslimwereld in de 18e eeuw over de Kruistochten had gevraagd, zou hij of zij er niets over hebben geweten. Ze waren belangrijk voor de Europeanen omdat ze enorme inspanningen waren die zijn mislukt.

Maar tijdens de 19e eeuw, toen de Europeanen het Midden-Oosten begonnen te veroveren en koloniseren, begonnen veel historici - in het bijzonder nationalistische of koningsgezinde Franse schrijvers - de Kruistochten te zien als de eerste poging van Europa om de vruchten van de Westerse beschaving in te brengen in de achterlijke islamitische wereld. Met andere woorden, de Kruistochten veranderden in imperialistische oorlogen.

Die verhalen werden onderwezen in de koloniale scholen en werden de aanvaarde mening in het Midden-Oosten en daarbuiten. In de 20e eeuw viel het imperialisme uit de gratie. Islamisten en sommige Arabische nationalisten namen vervolgens de koloniale blik op de Kruistochten over, en beweerden dat het Westen verantwoordelijk was voor hun ellende omdat ze het al sinds de Kruistochten hadden gemunt op moslims.

Er wordt vaak gezegd dat de mensen in het Midden-Oosten een lang geheugen hebben; dat is ook waar. Maar in het geval van de Kruistochten hebben ze een teruggewonnen geheugen: een die voor hen was verzonnen door hun Europese veroveraars.

Vraag: Zijn er overeenkomsten tussen de Kruistochten en de oorlog tegen terreur vandaag?

Madden: Afgezien van het feit dat de soldaten in beide oorlogen willen dienen in iets dat groter is dan zijzelf dat hen dierbaar is, en dat ze graag naar huis terug willen keren als het voorbij is, zie ik geen andere overeenkomsten tussen de middeleeuwse Kruistochten en de oorlog tegen terreur. De beweegredenen in een seculiere samenleving na de Verlichting zijn zeer verschillend van die in de middeleeuwse wereld.

Vraag: Hoe zijn de Kruistochten anders dan de islamitische jihad, of andere oorlogen rondom religie?

Madden: Het fundamentele doel van jihad is om Dar al-Islam uit te breiden - het Huis van de Islam - naar de Dar al-Harb - het Huis van de Oorlog. Met andere woorden, jihad is expansionistisch, en erop gericht om niet-moslims te veroveren en onder islamitische heerschappij te brengen.

Degenen die vervolgens worden veroverd krijgen een eenvoudige keuze. Voor degenen die geen Mensen van het Boek zijn - met andere woorden, degenen die geen christenen of joden zijn - de keuze om tot de islam te bekeren of te sterven. Voor de Mensen van het Boek is er de keuze tussen de islamitische heerschappij, de dhimmitude en de islamitische wet accepteren, of te sterven. De uitbreiding van de islam werd daarom direct gekoppeld aan de militaire successen van de jihad.

De Kruistochten waren iets heel anders. Vanaf het begin af aan heeft het christendom altijd gedwongen bekering van welke aard ook verboden. Bekering door het zwaard was dus niet mogelijk onder het christendom. In tegenstelling tot bij jihad was het doel van de Kruistochten niet om de christelijke wereld uit te breiden, noch om het christendom uit te breiden door middel van gedwongen bekeringen.

In plaats daarvan waren de Kruistochten een directe en verlate reactie op eeuwen van islamitische veroveringen in christelijke landen. De onmiddellijke aanleiding voor de eerste Kruistocht was de Turkse verovering van geheel Klein-Azië tussen ongeveer 1060 en 1080.

De Eerste Kruistocht werd in 1095 door paus Urbanus II uitgeroepen, als reactie op een dringend verzoek om hulp van de Byzantijnse keizer in Constantinopel. Urbanus riep de ridders van het christendom op om hun Oostelijke broeders ten hulp te komen.

Klein-Azië was ooit christelijk...

Een deel van het Byzantijnse Rijk was eerst geëvangeliseerd door Sint Paulus. Sint Peter was de eerste bisschop van Antiochië. Paulus heeft zijn beroemde brief aan de christenen van Efeze geschreven. Het credo van de kerk werd bewaard in Nicea. Al deze dingen gebeurden in Klein-Azië.

De Byzantijnse keizer smeekte de christenen in het Westen om hulp bij het heroveren van deze landen en het verdrijven van de Turken. De Kruistochten waren die steun. Hun doel was echter niet alleen om Klein-Azië opnieuw te veroveren, maar ook om andere voorheen christelijke landen die waren verloren aan de islamitische jihads te heroveren. Dit was onder andere het Heilige Land.

Kort samengevat is dus het grote verschil tussen Kruistocht en jihad dat de eerste een verdediging was tegen de laatste. De hele geschiedenis van de Oosterse Kruistochten is een van een tegenreactie op islamitische agressie.

Vraag: Hebben de Kruisvaarders enig succes gehad in het bekeren van de islamitische wereld?

Madden: Ik zou willen opmerken dat een aantal Franciscanen in de 13e eeuw een zendmissie in het Midden-Oosten begon om moslims te bekeren. Het was niet succesvol, vooral omdat de islamitische wet bekering tot een andere religie een doodzonde maakt.

Deze poging stond echter los van de Kruistochten, die helemaal niets te maken hadden met bekering. En het was met vreedzame overreding.

Vraag: Hoe heeft het christendom zijn nederlaag in de Kruistochten verklaard? Werden de Kruisvaarders verslagen?

Madden: Op dezelfde manier als de joden van het Oude Testament deden. God weerhield zijn volk de overwinning omdat ze zondig waren. Dit leidde tot een grootschalige beweging van vroomheid in Europa, waarvan het doel was om de christelijke samenleving te zuiveren in elk opzicht.

Vraag: Heeft paus Johannes Paulus II zich in feite verontschuldigd voor de Kruistochten? Heeft hij die eigenlijk veroordeeld?

Madden: Dit is een vreemde mythe, gezien het feit dat de paus sterk werd verweten dat hij geen directe verontschuldigen maakte voor de Kruistochten toen hij vergiffenis vroeg van iedereen die ten onrechte was geschaad door de christenen.

Onze Heilige Vader heeft ze niet veroordeeld, noch heeft hij verontschuldigingen gemaakt. Hij verontschuldigde zich voor de zonden van de katholieken. Meer recent werd op grote schaal gemeld dat Johannes Paulus II zijn excuses had aangeboden aan de patriarch van Constantinopel voor de verovering van de Kruisvaarders op Constantinopel in 1204.

In werkelijkheid, echter, heeft de paus slechts herhaald wat zijn voorganger paus Innocentius III [1198-1216] heeft gezegd. Ook dat was een tragische misstap en Innocentius had er alles aan gedaan wat hij kon om het te voorkomen. Hij verontschuldigde zich voor de zonden van katholieken die deelnamen aan de Kruistochten. Maar hij heeft nooit verontschuldigen gemaakt voor de Kruistochten zelf of zelfs de uitkomst van de Kruistochten.


Bronnen:
http://www.catholic.org/featured/headline.php?ID=1417
http://www.zenit.org/article-11237?l=english




1.13 De factoren die hebben geleid tot de Kruistochten

Door Lucio Mascarenhas (voorheen "Prakash"), Bombay, India

Brontekst: http://www.geocities.com/prakashjm45/crusades.html


Het is een historisch feit dat de islam is begonnen als een openlijk militante en agressieve cultus in hart en nieren, en ook zo blijft. Het was de islam die, zonder welke aanleiding dan ook, zijn christelijke buren heeft aangevallen, hun land veroverde en de rest genocide en slavernij aandeed.

Laat mij een lijstje maken van de christelijke landen en volkeren die de islam aangetast heeft: Romeins Arabië, Arabia Felix, Israël (Palestina), Jordanië, Irak (Chaldea, Assyrië en Hadiabene), Syrië (Aram), Libanon (Phoenicië), Turkije (Bythinië, Cappadocië, Cilicië, Galatië, Caria, Pontus, enz.), Thracië, Egypte (de Kopten), Soedan (Nubië en Axum), Libië (Libië, Cyrenaica en Tripolitanië), Tunesië (Romeins Nieuw-Afrika, Vetera & Carthago), Algerije (Romeins Afrika, Numidië & Gètulia), Marokko (Romeinse Mauretanië), Spanje (Romeins Iberië), Portugal (Lusitanië), Zuid-Frankrijk ("De moslims werden eindelijk verslagen door Karel Martel in Tours, in 732, slechts honderd jaar na de dood van Mohammed"), Zuid-Italië (Sicilië & Neapolitanië), Malta (Melita), Armenië (Hayastan), Georgië, Azerbeidzjan (Romeins Albanië, niet modern Albanië want dat was Romeins Illyrica), enz.

De vele naties van Iran waren zoroastrisch, samen met de Koerden, Sogdiërs (Tadzjieken) en de volkeren van Ariana. Sommige zoroasten ontsnapt aan de islamitische verovering en genocide in India, en werden het volk van de Perzen. Vandaag de dag kijken zelfs de fanatiek islamitische Iraniërs met afschuw en walging terug op die originele overwinning en slachting als de grofste barbarij (Naqba), en ze verachten het.

De Turken, net als de vele Indisch gezinde landen van Centraal-Azië en West-India (Pakistan & Afghanistan), waren eerst boeddhisten en hindoes. Nogmaals, we hebben hier hetzelfde verhaal van agressie zonder aanleiding, imperialisme, kolonialisme, barbarij. De Turken werden gedwongen om moslim te worden, en gingen toen diezelfde onmenselijkheden op anderen plegen.

Al deze landen werden onderworpen aan het islamitische imperialisme, de genocide, etnische zuiveringen, kolonialisme en demografische oorlogvoering om islamitische meerderheden te creëren.

De islamitische veroveringen - echt een toonbeeld van Naqba (catastrofe), begonnen met de stichting van de islam in de 6e eeuw. De Kruistochten begonnen daarentegen pas in de 11e eeuw, onder paus Urbanus II (Otto von Lagery), die ze in november 1095 in Clermont, Frankrijk, inwijdde en verkondigde als Gods Wil.

De Kruistochten waren dus chronologisch later dan de islamitische agressie en waren een reactie daarop, en in het bijzonder op onmiddellijke en ernstige uitlokking.

De directe aanleiding voor de Eerste Kruistocht was de islamitische mishandeling van christelijke pelgrims naar Israël - naar Jeruzalem en de plaatsen verbonden met de Here Jezus Christus, samen met pogingen om christenen de toegang tot deze plaatsen te weigeren.




1.14 De Moderne Nasleep van de Kruistochten

Interview met Robert Spencer

Volgens een deskundige zorgen de Kruistochten vandaag de dag waarschijnlijk voor meer verwoesting dan ze ooit hebben gedaan in de drie eeuwen waarin de meeste werden uitgevochten.

Robert Spencer, auteur van Politically Incorrect Guide to Islam (and the Crusades), zegt dat die schade niet gaat over verloren levens en vernielde eigendommen, maar een meer subtiele vernietiging is. Spencer vertelde hoe verkeerde ideeën over de Kruistochten tegenwoordig door extremisten worden gebruikt om vijandigheid tegen het Westen te zaaien.

Vraag: De Kruistochten worden vaak afgeschilderd als een militair offensieve onderneming. Waren ze dat ook?

Spencer: Nee. Paus Urbanus II, die opriep tot de eerste Kruistocht op het Concilie van Clermont in 1095, riep mensen op tot een defensieve actie - een die er veel eerder had moeten komen.

Zoals hij verklaarde moest er een Kruistocht komen omdat zonder enige defensieve actie "de gelovigen van God op veel grotere schaal aangevallen zullen worden" door de Turken en andere islamitische krachten.

"Want, zoals de meeste van jullie hebben gehoord, hebben de Turken en Arabieren hen aangevallen en het grondgebied van Roemenië [het Griekse rijk] veroverd tot wel aan de kust van de Middellandse Zee en de Hellespont, die de Arm van Sint Joris wordt genoemd", zei paus Urbanus II in zijn toespraak. "Ze hebben meer en meer van het land van die christenen bezet, en hebben ze overwonnen in zeven veldslagen. Ze hebben velen gedood en gevangen genomen, en hebben de kerken vernietigd en het rijk verwoest."

"Als je hen dus nog langer straffeloos laat doorgaan, zullen de gelovigen van God op nog grotere schaal aangevallen worden door hen".

Hij had gelijk. De jihad had vanaf de 7e eeuw tot de tijd van paus Urbanus meer dan de helft van het gebied van het christendom veroverd en geïslamiseerd. En daarop kwam geen reactie uit de christelijke wereld, tot de Kruistochten.

Vraag: Wat zijn enkele populaire misvattingen over de Kruistochten?

Spencer: Een van de meest voorkomende is het idee dat de Kruistochten een niet-uitgelokte aanval waren van Europa tegen de islamitische wereld.

In feite was de verovering van Jeruzalem in 638 het begin van eeuwenlange islamitische agressie, en christenen in het Heilige Land leden onder steeds verder escalerende vervolging.

In het begin van de 8e eeuw werden 60 christelijke pelgrims uit Amorium gekruisigd; rond dezelfde tijd liet de islamitische gouverneur van Caesarea een groep pelgrims uit Iconium arresteren en liet ze allemaal executeren als spionnen - met uitzondering van een klein aantal die zich bekeerden tot de islam.

Moslims eisten ook geld van pelgrims, en dreigden de Kerk van de Verrijzenis te plunderen als ze niet betaalden.

Later in de 8e eeuw verbood een islamitische heerser het kruis af te beelden in Jeruzalem. Hij verhoogde ook de belasting op niet-moslims die christenen moesten betalen - de jizya - en verbood christenen om deel te nemen aan religieus onderwijs van hun eigen kinderen en geloofsgenoten.

Vroeg in de 9e eeuw werden de vervolgingen zo erg dat grote aantallen christenen naar Constantinopel en ander christelijke steden vluchtten. In 937 gingen de moslims in Jeruzalem op Palmzondag op rooftocht, en plunderden en vernietigden de Kerk van Golgotha en de Kerk van de Verrijzenis.

In 1004 gaf de Fatimidische kalief, Abu Ali al-Mansur al-Hakim, een bevel voor de vernietiging van kerken, het verbranden van kruizen, en de inbeslagname van kerkelijke goederen. In de komende 10 jaar werden 30.000 kerken verwoest, en een enorm aantal christenen bekeerde zich tot de islam alleen maar om hun leven te redden.

In 1009 beviel al-Hakim dat de Kerk van het Heilige Graf in Jeruzalem moest worden vernietigd, samen met verscheidene andere kerken, waaronder de Kerk van de Verrijzenis. In 1056 verdreven de moslims 300 christenen uit Jeruzalem en verboden Europese christenen de toegang tot de herbouwde Kerk van het Heilige Graf.

Toen de Seltsjoekse Turken in 1077 Jeruzalem innamen, beloofde de Seltsjoekse emir Atsiz bin Uwaq dat hij de inwoners niets zou doen, maar zodra zijn mannen de stad binnen waren, vermoordden ze 3000 mensen.

Een andere veel voorkomende misvatting is dat de Kruistochten werden uitgevochten om moslims met geweld te bekeren tot het christendom. De rapporten over de oproep van Paus Urbanus bij de Concilie van Claremont reppen geen woord over een opdracht aan de Kruisvaarders om moslims te bekeren.

Het was niet tot meer dan 100 jaar na de Eerste Kruistocht, in de 13e eeuw, dat Europese christenen een eerste georganiseerde poging deden om moslims te bekeren tot het christendom: toen de Franciscanen zendingswerk begonnen te doen onder de moslims in landen die in handen waren van de Kruisvaarders. Deze inspanning is grotendeels mislukt.

Nog een andere misvatting gaat erover dat de Kruisvaarders Jeruzalem bloedig zouden hebben geplunderd in 1099.

De verovering van Jeruzalem wordt vaak afgeschilderd als uniek in de middeleeuwse geschiedenis, en als de oorzaak van islamitisch wantrouwen jegens het Westen. Het zou juister zijn te zeggen dat het het begin was van een millennium aan anti-Westerse sentimenten en anti-Westerse propaganda.

De plundering van Jeruzalem door de Kruisvaarders was een afschuwelijke misdaad - met name in het licht van de religieuze en morele principes die zij hadden beloofd te houden. Maar voor de militaire normen van die tijd was het niet echt iets ongewoons.

In die tijd was het een algemeen aanvaard principe van oorlogvoering dat als een belegerde stad zich verzette, die zou kunnen worden geplunderd, terwijl ze als zij zich niet verzetten gespaard zouden blijven. Er zijn vele bronnen die aantonen dat islamitische legers regelmatig op precies dezelfde manier handelden als ze een stad veroverden.

Op soortgelijke acties wijzen is geen excuus voor het gedrag van de Kruisvaarders. De ene gruweldaad is geen excuus voor de andere. Maar het illustreert wel dat de Kruisvaarders in Jeruzalem niet meer deden dan andere legers van die tijd - aangezien alle staten dezelfde begrippen van beleg en verzet hadden.

In 1148 heeft islamitische bevelhebber Nur ed-Din niet geaarzeld om iedere christen in Aleppo te laten doden. In 1268, toen de jihad-strijders van de Mamelukse sultan Baybars Antiochië terugwonnen op de Kruisvaarders, was Baybars boos toen hij hoorde dat de leider van de Kruisvaarders niet in de stad aanwezig was - dus schreef hij hem een brief waarin hij opschepte over zijn slachtpartijen van christenen.

Het meest beruchte van allemaal is waarschijnlijk hoe de jihad Constantinopel binnenviel op 29 mei 1453, waar ze, volgens de historicus Steven Runciman, "iedereen doodden die ze op straat konden vinden: ongeacht of het mannen, vrouwen of kinderen waren".

Tot slot, het is een misvatting dat paus Johannes Paulus II zich verontschuldigde voor de Kruistochten. Dat deed hij niet.

Er is geen twijfel mogelijk dat veel mensen geloven dat paus Johannes Paulus II zich verontschuldigde voor de Kruistochten. Toen hij stierf herinnerde de Washington Post zijn lezers dat "paus Johannes Paulus II tijdens zijn lange bewind zijn excuses heeft aangeboden aan de moslims voor de Kruistochten, aan de joden voor antisemitisme, aan orthodoxe christenen voor de plundering van Constantinopel, aan de Italianen voor de banden van het Vaticaan met de maffia en aan wetenschappers voor de vervolging van Galileo".

Maar Johannes Paulus II verontschuldigde zich nooit echt voor de Kruistochten. Wat er nog het meeste op leek was op 12 maart 2000, de 'Dag van Pardon'.

Tijdens zijn homilie zei hij: "We kunnen niet anders dan erkennen dat sommige van onze broeders ontrouw zijn geweest aan het evangelie, vooral tijdens het tweede millennium. Laten we vergeving vragen voor de afsplitsingen die zich hebben voorgedaan onder de christenen, voor het geweld dat sommigen hebben gebruikt in de dienst van de waarheid en voor de wantrouwige en vijandige houding die zij soms aangenomen hebben tegenover aanhangers van andere godsdiensten".

Dit is nauwelijks een duidelijke verontschuldiging voor de Kruistochten.

Vraag: Hoe hebben de moslims de Kruistochten toen en nu ervaren?

Spencer: Eeuwenlang, toen het Ottomaanse Rijk nog bloeide, waren de Kruistochten niet zo'n punt in de islamitische wereld. Zij waren immers alleen een mislukking voor de Westerlingen.

Maar tijdens het uiteenvallen van de militaire macht en de eenheid van de islamitische wereld, en de daarmee gepaard gaande opkomst van het Westen, zijn ze uitgegroeid tot een brandpunt van de islamitische wrok tegen Westerse inmenging en uitbuiting.

Vraag: In hoeverre worden de verkeerde ideeën over de Kruistochten gebruikt door extremisten om vijandigheid tegen het Westen te zaaien?

Spencer: De Kruistochten zorgen vandaag de dag waarschijnlijk voor meer verwoesting dan ze ooit hebben gedaan in de drie eeuwen waarin de meeste werden uitgevochten - maar die schade gaat niet over verloren levens en vernielde eigendommen, maar is een meer subtiele vernietiging.

De Kruistochten zijn een doodzonde geworden, niet alleen volgens de katholieke kerk, maar ook de Westerse wereld in het algemeen.

Ze zijn bewijsstuk A voor het argument dat de huidige strijd tussen de islamitische wereld en de Westerse, post-christelijke beschaving uiteindelijk de schuld is van het Westen, dat moslims heeft uitgelokt, uitgebuit en mishandeld sinds de eerste Frankische strijders Jeruzalem binnen kwamen.

Osama bin Laden sprak niet over zijn organisatie als Al-Qaeda, maar als een 'World Islamic Front for Jihad against Jews and Crusaders', en riep in een fatwa uit voor "Jihad tegen joden en Kruisvaarders".

Een dergelijk gebruik is wijdverbreid. Op 8 november 2002 - kort voor het begin van de oorlog in Irak die Saddam Hoessein ten val bracht - preekte Sheikh Bakr Abed Al-Razzaq Al-Samaraai in de Bagdadse Moeder aller Slagen-moskee over "deze moeilijke uren, waarin de islamitische natie ervaart, een uur waarin het oog in oog staat met het probleem [van de machten] van ongeloof van de ongelovigen, joden, Kruisvaarders, Amerikanen en Britten".

Ook toen islamitische jihadisten in december 2004 het Amerikaanse consulaat in Jeddah, Saoedi-Arabië, bombardeerden, legden ze uit dat de aanval onderdeel was van een breder plan om terug te slaan op "Kruisvaarders": "Deze operatie maakt deel uit van een aantal activiteiten die worden georganiseerd en gepland door Al-Qaeda in het kader van de strijd tegen de Kruisvaarders en de joden, maar ook als onderdeel van het plan de ongelovigen te dwingen om het Arabische schiereiland te verlaten", zeiden de jihadisten in een verklaring.

Zij zeiden ook dat jihad-strijders "erin geslaagd zijn om een van de grote kastelen van de Kruisvaarders op het Arabische schiereiland binnen te dringen en om het Amerikaanse consulaat in Jeddah binnen te dringen, van waaruit ze het land konden beheersen en besturen".

Tegenover dit soort dingen moeten Westerlingen zich niet schamen voor de Kruistochten. Het is tijd om te zeggen, "GENOEG", en onze kinderen te leren om trots te zijn op hun eigen erfgoed.

Ze moeten weten dat ze een cultuur en een geschiedenis hebben waarvoor zij dankbaar kunnen en moeten zijn, dat ze niet de kinderen en kleinkinderen zijn van onderdrukkers en schurken, en dat hun huis en familie de moeite waard zijn om te verdedigen tegen degenen die ze willen afpakken en die bereid zijn om te doden om dat te doen.


Bron: http://www.ewtn.com/library/CHISTORY/zaftcrus.HTM




1.15 Geschiedenis van het Islamitische Ottomaanse Turkse Rijk

Door Hay Brountsk


Geschiedenis van het Islamitische Ottomaanse Turkse Rijk I (1299-1876)

1. Opkomst van de Ottomanen

Tegen het jaar 1300 zag een verzwakt Byzantium de meeste van haar Anatolische provincies verloren gaan aan een tiental Seltsjoekse vorstendommen van de ghazis [krijgsheren].

Osman [zoon van de ghazi Ertugul] kwam aan de macht in 1281, en in 1299 verklaarde hij zich onafhankelijk van de Seltsjoeken en stichtte het Ottomaanse [Osmaanse Rijk. Een aantal hoogtepunten uit diens geschiedenis zijn:]

- Vlag van het Ottomaanse Rijk 1299-1453
- Vlag van de Osmanli 1326-1517
- Verovering van Bursa - 1326
- Slag van Plocnik - 1386
- Ottomaanse Strijdvlag
- Slag van Kosovo - 1389
- Constantinopel - 1452
- Verovering van Constantinopel - 1453
- Ottomaanse Vlag - 1453 - 1844
- Slag van Chaldiran - 1514
- Sultan Suleiman I - 1520-1566
- Slag bij Mohács - 1526
- Slag van Preveza - 1538
- Slag bij Lepanto - 1571
- Verovering van Yerevan - 1635
- Verovering van Bagdad - 1639
- Tweede beleg van Wenen - 1683

De Ottomaanse samenleving bestond uit vele etnische groepen: Grieks, Armeens, Assyrisch, Arabisch, joods, Koerdisch, Perzisch, Georgisch, Bulgaars, Servisch, Hongaars, Kroatisch, Roemeens, Albanees, enz. De Turk was hierin de heersende en meerwaardige klasse boven alle anderen. Het Sultanaat, overheidssectoren, viziers, pasja's, rechters, en de militaire orde moest Turks en islamitisch zijn. De janitsaren waren de ruggengraat van het leger. De leden hiervan waren jongens die met geweld uit christelijke gezinnen waren gehaald, bekeerd en opgevoed waren als Turken. De Ottomanen haalden hun vrouwen en haremmeisjes traditioneel uit christelijke gezinnen.

Niet-moslims moesten een andere kleur [kleding] dragen, ze mochten geen paard berijden, geen wapens dragen. Christenen en joden werden 'kafir' of 'gyavur' genoemd (ongelovige). De wet van het land was de islamitische sharia.


2. Tijdperk van stagnatie (1683-1808)

Na de nederlaag in 1683 [bij de Slag om Wenen] ging het Ottomaanse Rijk door een periode van verval, waarin het vele gebieden verloor. Er kwamen nieuwe krachten aan de horizon: Oostenrijk, Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland. Peter de Grote van Rusland versloeg de Ottomanen in 1723 en veroverde Dorbent, Baku, en Noord-Atrpatakan (Azerbeidzjan) van de Turken en Perzen. In de beslissende Russisch-Turkse oorlog van 1768-1774 bracht keizerin Catherine II Zuid-Oekraïne, de noordelijke Kaukasus, en de Krim binnen de grenzen van het Russische Rijk. De Turken probeerden de verloren gebieden terug te winnen, maar een verenigd Russisch-Oostenrijkse kracht versloeg hen in 1791 en 1792, en nam Transsylvanië, Bessarabië en Hongarije in.

Napoleon viel Egypte binnen in 1798 en nam de controle over christelijk Malta en christelijk Palestina over. Groot-Brittannië vocht echter tegen Frankrijk om de Ottomanen te verdedigen. Napoleon trok zich terug, de Turken kregen Egypte terug, en Groot-Brittannië werd beloond met Malta.

Na een kort gevecht met Groot-Brittannië in 1807 zetten de woedende janitsaren de sultan Selim III af voor zijn neef Mustafa IV. Mustafa werd na een jaar afgezet voor zijn broer Mahmud II. Vervolgens begon elke sultan zijn broers te vermoorden. De Ottomanen verloren zo meer gebieden uit hun afbrokkelende rijk. Tijdens de reeks oorlogen tussen 1806 en 1812 verpletterden de Russen de Ottomanen, die het Verdrag van Boekarest moesten ondertekenen. Één dag na het Verdrag viel Napoleon Rusland aan.

Na de Tweede Servische Opstand in 1815 kreeg Servië onafhankelijkheid van het Ottomaanse Rijk dankzij helden als Karadorde Petrovic en Milos Obrenovic.

Onder invloed van de geschriften van en wegens de moord op de Griekse schrijver Rigas Feraios begon er in 1821 een Griekse onafhankelijkheidsoorlog die bijna tien jaar duurde. De Grieken hadden grote moeite om zich te ontdoen van de Ottomaanse Turkse tirannie en werden pas officieel onafhankelijk in 1832.

Bij de Slag van Navarino sloot de sultan de Hellespont [zeeweg] af voor de Russische schepen en schond daarmee het Akkerman-verdrag [waardoor er wederom oorlog uitbrak].

Na de Russisch-Perzische en [achtste] Russisch-Turkse oorlogen van 1828-1829, moesten de Ottomanen de Russische soevereiniteit over Georgië en Oost-Armenië erkennen.

Zo kwam het Ottomaanse Rijk vanaf rond 1830 bekend te staan als de 'zieke man van Europa' [het verloor steeds zijn gebieden].


3. Drie hervormingsgezinde sultans (1808-1876)

Ondanks de politiek en militair noodlottige jaren, had sultan Mahmud II de moed om een reeks fundamentele hervormingen door te voeren in het Ottomaanse Rijk. Zijn vizier, Mustafa Pasha, nam het initiatief bij de hervatting van de hervormingen, maar hij werd gedood door de janitsaren. Mahmud schafte het janitsarenkorps in 1826 af en voorzag in een modern Ottomaanse leger, dat hij de Nizam-i Cedid (Nieuwe Orde) noemde.

In 1831 opende sultan Mahmud het eerste openbare ziekenhuis, en in 1833 introduceerde hij een breed aantal hervormingen in de juridische, educatieve, wetenschappelijke en andere beleidsterreinen, wat samenkwam in een beleid genaamd de 'Tanzimat' (hervormingen). Sultan Mahmud verbood de gouverneurs en vakifs om te frauderen en de pasja's en agas om mensen naar believen te doden, en hij plaatste de geschillencommissies van juridische- en eigendomszaken onder staatsbestuur. Hij stierf in 1839.

Sultan Abdulmejid ging door met de hervormingen van zijn vader door het systeem van de islamitische sharia te vervangen door een burgerlijk systeem van strafrecht naar Europees model en een banksysteem. Hij stichtte de eerste moderne universiteiten en academies, schafte een aantal oneerlijke belastingen op niet-moslims af, en maakte diverse wetten voor een beter beheer van de overheidsdiensten.

In 1854 voerden Groot-Brittannië en Frankrijk samen met de Ottomanen een oorlog tegen Rusland in de Krim. De geallieerde troepen versloegen Rusland en legden zware voorwaarden vast in het Verdrag van Parijs, ondertekend in 1856. Aan het einde van de Krimoorlog van 1856 beloofde sultan Abdulmejid in de beleidsplannen van de Hatt-i Humayun: veelbelovende gelijkheid in het onderwijs, de aanstelling van staatslieden en ieders rechtspositie ongeacht hun geloof. De grootste verandering was dat de Ottomaanse staat het begrip 'minderheden' accepteerde. Islamitische overheidsorganisaties (burgerlijke en militaire scholen) begonnen niet-islamitische burgers te accepteren. Het principe van officiële landstaal (alle documentatie gedaan in het Turks) werd gebroken, en het Rijk werd een meertalig systeem. Patriarchaten begonnen met rechtspraak op landelijk niveau. Sultan Abdulmejid overleed in 1861 op de jonge leeftijd van 39.

Sultan Abdulaziz ging door met de hervormingsgezinde werken van zijn broer. Hij keurde de Armeense nationale grondwet goed in 1863, en gaf hen daarmee het recht om zelf educatieve, culturele, burgerlijke, sociale, liefdadigheids- en religieuze zaken te regelen. In 1871-76 kreeg sultan Abdulaziz te maken met verzet van islamitische conservatieve en fanatieke groeperingen die de terugkeer van de sharia eisten en de heerschappij van de islam. Zijn hervormingsgezinde viziers, Fuad en Ali Pashas, stierven in 1869 en 1871. De reactie van de conservatieven was de opkomst van de liberale partij, onder leiding van Midhat Pasha. Als gevolg van het daaruit voortvloeiende innerlijke conflict werd sultan Abdulaziz afgezet en vermoord in 1876.

Na de Frans-Duitse oorlog van 1870-71 kwam in heel Europa het nationalisme op. Het wakkerde de gevoelens van onafhankelijkheid op onder zijn onderdanen, zelfs onder Turken. De Rijken in Europa stevenden af op oorlog.

De drie hervormende sultans hadden er hard aan gewerkt om al hun onderdanen te verenigen onder het idee van 'Ottomanisme', met het oog op het uiteenvallende Rijk te behouden. Zij verwierpen het idee van 'Turksheid', zoals historici E. Chelebi en I.M. D'Ohson getuigen. Als gevolg van de Russisch-Turkse oorlogen en het groeiende plaatselijke nationalisme begonnen de heersende Ottomanen zichzelf als de 'Turken' te omschrijven. Abdulmejid's zoon, Murad V, regeerde maar 93 dagen in 1876. Hij werd afgezet vanwege beschuldigingen dat hij geestesziek was. Hij werd voor de rest van zijn leven onder huisarrest geplaatst en stierf in 1904.


Geschiedenis van het Ottomaanse Turkse Rijk II (1876-1909)

4. De Armeniërs in het Ottomaanse Rijk

De Armeniërs in het Ottomaanse Rijk leefden voornamelijk op wat al duizend jaren hun voorouderlijk geboorteland was, wat onder het systeem zogenaamd de 'Zes Oosterlijke Vilayets' heetten. Ze waren ook sterk opeengepakt in Cilicië en de grote steden van het Ottomaanse Turkije, waar veel van hen belangrijke functies kregen in de financiële wereld en het bedrijfsleven. In overeenstemming met het dhimmi-systeem werden Armeniërs, net als christenen en joden die leefden onder de islamitische wetten, beperkte vrijheden gegarandeerd zoals het recht om hun geloof te houden, maar in feite werden ze behandeld als tweederangs burgers. Het was hen verboden om wapens te dragen en om paard te rijden, hun kinderen waren dienstplichtig onder het devshirme-systeem (ze moesten hun jongens opgeven die dan met geweld werden bekeerd tot moslims en opgevoed als Turken), ze konden hun huizen niet hoger bouwen dan een moslim lang was, en mochten moslims niet storen door het luiden van kerkklokken. Hun getuigenis tegen moslims werd niet geaccepteerd in de rechtbanken, ongeacht de misdaad. Het overtreden van het dhimmi-systeem zou uitdraaien op straffen die werden uitgevoerd door de autoriteiten, en het varieerde van het betalen van boetes tot de executie van de 'misdadiger'.

In de 19e eeuw leidden frustraties over deze beperkingen veel van de minderheden ertoe om te protesteren voor meer vrijheid. In 1839 voerden de Ottomanen de Tanzimat-hervormingen in om de situatie te verbeteren, maar ze waren meestal niet effectief. Terwijl verschillende bevolkingsgroepen van de Balkan door hun frustratie over de heersende omstandigheden vaak in opstand waren gekomen tegen de Ottomaanse heerschappij, bleven Armeniërs in deze jaren rustig, en kregen ze de titel 'millet-i sadika' of 'de trouwe groep'.

Tussen rond 1860 en net na 1870 begonnen de Armeniërs, bij de hervormingswetten van sultan Abdulmejid, te vragen om een betere behandeling van de Ottomaanse regering, en ze verzamelden handtekeningen van boeren uit Oost-Anatolië. De Armeense Gemeenschappelijke Raad deed een verzoek aan de regering om hun situatie in de steden te verbeteren: er was dagelijks gedwongen inbeslagname van hun land, gedwongen bekering van vrouwen en kinderen, brandstichting, afpersing van beschermgeld, verkrachting en moord. Andere problemen waren onregelmatigheden tijdens de belastinginning, crimineel gedrag van overheidsfunctionarissen en de weigering om christenen te aanvaarden als getuigen in een strafproces. Ondanks de gestelde hervormingen behandelden de lokale Turken, Koerden en andere moslims hun christelijke buren nog als voorheen.


5. De Rode Sultan (1876-1909)

Op dit cruciale moment besteeg Abdul Hamid II de troon, en werd de 34e Sultan. Hij was tiranniek, liederlijk, wantrouwend en meedogenloos. Hij nam een land over met een lege schatkist en een leeg bankwezen. Omdat de macht in handen lag van Midhat Pasha en de 'Nieuwe Ottomanen' (een progressieve beweging) beloofde Abdul Hamid Midhat een grondwet naar het Europese model. Hij voerde de eerste grondwet van het Ottomaanse Turkije in in 1876, aan de vooravond van een internationale conferentie over het vraagstuk van de hervormingen in de Balkan. In januari 1877, aan het einde van de conferentie, ontsloeg hij Midhat Pasha als grootvizier en schafte het Parlement af. Op zijn bevel werd Midhat Pasha in 1884 verbannen en vermoord. Abdul Hamid was van mening dat de politieke structuren van de Westerse normen niet van toepassing waren op de eeuwenoude Ottomaanse politieke cultuur. Om zijn schatkist aan te vullen legde hij een zware belastingdruk op aan zijn onderdanen, in het bijzonder de christenen.

Bosnië kwam in 1875 in opstand tegen de belasting en Bulgarije volgde in 1876 om vrij te worden van de Ottomanen. De Turken slachtten meedogenloos meer dan 12.000 mannen, vrouwen en kinderen af in Bulgarije en duizenden meer over de hele Balkan. Het Verdrag van Kucuk Kaynarca van 1774 gaf Rusland het recht om in te grijpen tijdens deze Ottomaanse acties, om de christelijke onderdanen van de sultan te beschermen. De Britse regering verdedigde de Ottomaanse acties juist, en een woedend Rusland verklaarde hen de oorlog.

De oorlog van 1877-78 vond plaats in de Balkan en op fronten in de Kaukasus. De Russen, samen met andere vrijwillige autochtone militanten, maakten de Ottomanen af in een verpletterende nederlaag. De overwinningen van het Russische leger waren dankzij kundige generaals uit de Balkan en Armeense generaals in het leger van de tsaar, zoals onder andere Mikhail Loris-Melikov en Ivan Lazarev. In maart 1878, en onder druk van Groot-Brittannië, ging Rusland een regeling aan volgens het Verdrag van San Stefano, waarin het Ottomaanse Rijk de onafhankelijkheid van Roemenië, Servië en Montenegro erkende, en de autonomie van Bulgarije. Artikel 16 bepaalde dat de Russen de Armeense provincies zouden verlaten zodra de sultan de verbeteringen en hervormingen had aangebracht die de lokale bevolking had geëist in de provincies bewoond door Armeniërs, en zodra hij hun veiligheid tegen de Koerden en Circassiërs kon garanderen. Wegens commerciële en politieke belangen stonden Groot-Brittannië, destijds onder leiding van Disraeli, en de Oostenrijkers erop dat een nieuw verdrag zou worden opgesteld in juni van dat jaar, op een bijeenkomst van de machten in Berlijn.

Op het Congres van Berlijn kregen Roemenië, Servië en Montenegro hun onafhankelijkheid. Autonoom Bulgarije werd sterk verkleind en het Oostenrijks-Hongaarse Rijk werd uitgebreid met Bosnië-Herzegovina. Een Armeense groep afgezanten, onder leiding van bisschop Mkrtich Khrimian, werd naar het Congres gestuurd met een formeel verzoek om de uitvoering van de hervormingen voor de Armeniërs. Bismarcks Duitsland stuurde de delegatie weg en weigerde hen een plaats op de agenda. Groot-Brittannië had stiekem afgesproken met het Ottomaanse Rijk dat zij het Rijk militair zouden beschermen tegen Rusland en in ruil daarvoor Cyprus zouden ontvangen. Disraeli keerde artikel 16 om tot 61, waardoor twee Armeense provincies terug kwamen bij het rijk zonder dat er Russen of Europeanen ter bescherming van de Armeniërs waren. Zo werd het aan dezelfde misbruikende sultan overgelaten om de 'garantie' van hun veiligheid te zijn tegen voortdurende schending van mensenrechten door de moslims.

Na de Russisch-Turkse oorlog werd de behandeling van de meer dan 2,5 miljoen Armeniërs door de Ottomaanse regering een internationale kwestie. Ondanks de beloften van de hervorming van de Ottomaanse regering op het Congres van Berlijn werd de situatie juist erger. Niet alleen Rusland maar ook de andere Europese machten zouden de Armeense hervormingen overzien. Een boze Abdul Hamid zorgde ervoor dat de situatie van de Armeniërs erger werd. Nu werd het gevaarlijk om ook maar als een Armeniër te worden herkend in het Rijk. Omdat de structuur van bondgenootschap werd afgebroken, en als gevolg van de voortdurende vervolgingen, begonnen Armeniërs hun positie in de wereld te heroverwegen. In deze analyse werden de Armeense onderdanen van het Rijk beïnvloed door de Armeense diaspora en voorbeelden uit de Balkan.

Jaren gingen voorbij, en de mensen verlangden gewoon naar hervormingen, konden slechts dromen van een normale administratie onder de Ottomaanse heerschappij... "Alleen al het noemen van het woord 'hervorming' irriteerde hem (Abdul Hamid), en wakkerde zijn criminele instincten aan", schrijft historicus Osman Nuri. Kleine Armeense organisaties begonnen met het afdrukken van nieuwsbrieven en bulletins om het Armeense volk in te lichten over hun rechten en mogelijkheden om zichzelf te beschermen. Later kwamen de eerste grote organisatie, de Armenakan Partij in 1885, en de Huntchak Partij in 1887. In 1890 werd de Armeense Revolutionaire Federatie (Dashnaksutyun) werd opgericht in Tbilisi. De leden bewapenden zich in groepen 'fedayees' [militante clans] om de mensen te beschermen tegen de Ottomaanse onderdrukking en slachtpartijen in de Armeense provincies. Armeniërs begonnen openlijk te roepen om de hervormingen waarvan was beloofd dat ze die zouden krijgen. Zij protesteerden in 1892 en 1893 op Merzifon en Tokat, en dat werd neergeslagen met geweld en harde methoden. Abdul Hamid verklaarde dat er "zonder Armeniërs geen Armeens probleem meer zou zijn".

In 1894 overspoelden systematische pogroms elk district van Turks Armenië: massale slachting van de Armeniërs, gedwongen bekering van dorpen, de plundering en het platbranden van honderden plaastjes, het wegnemen van hun bezittingen. Sultan Abdul Hamid bereidde een speciale aanvalsmacht van Koerden voor, en noemde ze 'Hamidieh'. Samen met het Ottomaanse leger doodden ze mannen, vrouwen en kinderen zonder onderscheid. Zijn eerste secretaris schreef in zijn memoires over Abdul Hamid dat hij besloot om een beleid van hardheid en terreur tegen de Armeniërs na te streven, en om te slagen in dit opzicht koos hij de methode van hen een economische klap toe te dienen. Hij beval [de Turken] om alle handel of bespreking met Armeniërs absoluut te vermijden, en hen zo een beslissende slag toe te brengen als wraak. Meer dan 300.000 Armeniërs werden vermoord tussen 1894 en 1896. In Sasun leverden de Armeniërs verzet tegen de slachtpartijen. Maar ze bezweken uiteindelijk aan overmacht. Een groep van Dashnak-vrijwilligers bestormden de Ottomaanse Bank in 1896, om de Europeanen te waarschuwen. Hamid liet 6000 Armeniërs in Istanbul afslachten.

In 1897 verklaarde Abdul Hamid dat de Armeense kwestie over was. Alle Armeense revolutionairen waren ofwel gedood of ontsnapt naar Rusland. De Ottomaanse regering sloot Armeense gemeenschappen en beperkte alle Armeense politieke bewegingen. De vorming van de Armeense revolutionaire groeperingen begon ongeveer rond het einde van de Russisch-Turkse oorlog van 1878 en werd sterker met de eerste introductie van artikel 166 van het Ottomaanse Wetboek van Strafrecht, en de inval van de kathedraal in Erzerum. Artikel 166 was bedoeld om wapenbezit te reguleren, maar het werd gebruikt om het wapenbezit van de Armeniërs te beperken. Er werden wel lokale Koerdische stammen bewapend om de weerloze Armeense bevolking aan te vallen.

In 1905 deed een lid van de ARF [Dashnaktuyun] pogingen om Abdul Hamid vermoorden, maar die ontsnapte aan de dood door geluk. Hij versoepelde wel de Armeense vervolgingen als gevolg.

De 'Jonge Turken'-revolutie van 1908 draaide de schorsing van het Ottomaanse parlement in 1878 weer terug, wat het begin betekende van de Tweede Constitutionele Era. Armeniërs riepen de revolutie uit. Hamid herstelde de Grondwet in juli [1908]. In april 1909 probeerden hij en zijn islamistische krachten een tegencoup te plegen. Hij kwam niet meer aan de macht, maar meer dan 30.000 Armeniërs werden in Adana vermoord door opstandige legereenheden, religieuze studenten en geestelijken die vroegen om de sharia. Hamid werd uiteindelijk afgezet in april 1909, na 33 jaar van tirannieke heerschappij. Zijn 65 jaar oude broer Resat Mehmet werd sultan Mehmed V, en was slechts een marionet en het gezicht van de nieuwe regering.


6. De 20e eeuw (1909-nu)

a. De vroege 20e eeuw (1923-1934)

Volgens het Verdrag van Lausanne moesten er naar schatting 200.000 Grieken in Turkije blijven na de inwonersuitwisseling in 1923. De Armeniërs bleken na de genocide te zijn teruggebracht van 2,5 miljoen mensen tot ongeveer 150.000. Turkije verklaarde dat geen enkele Armeniër die ontsnapt was ooit mocht terugkeren (naar wat nu de Republiek Armenië is).

Mustafa Kemal werd de eerste voorzitter van de republiek [Turkije] en introduceerde vervolgens vele ingrijpende hervormingen in de politieke, sociale, juridische, educatieve en economische sectoren. Kemal riep zijn collega-Turken op om er als Europeanen uit te zien en ook zo te handelen. Op 28 oktober 1927 kwam de eerste volkstelling uit op ongeveer 13,6 miljoen Turken, met een alfabetiseringsgraad van 9%. Op 1 november 1928 werd er een nieuw Turks alfabet aanvaard, gebaseerd op het Latijnse alfabet. Na 10 maanden werden de Koerdische, Arabische en Perzische talen verboden, vervangen door alleen de Turks.

Met de komst van de Liberale Republikeinse Partij sloten jihadistische groepen zich aan bij de liberalen. Ze werden onderdrukt met grootse en bloedige methoden. De liberale partij werd ontbonden op 17 november 1930 en Turkije werd een dictatuur tot 1945.

De Koerden kregen hun onafhankelijkheid in 1927. Op 17 september 1930 onderdrukten de Turken de opstand met 66.000 troepen en 100 vliegtuigen. De belangrijkste Koerdische opstand in het moderne Turkije was in 1937-1938, gebaseerd op het centraal gelegen land Kizilbash [van de bevolkingsgroep de] Dersim. De Turkse leger mobiliseerde 50.000 troepen om die opstand te onderdrukken. Turkse troepen arresteerden ten minste 40.000 Dersimlis, die werden gedeporteerd en vermoord na deze nederlaag. Zuidoost-Anatolië raakte in oorlogstoestand en werd onderworpen aan militaire bezetting. Naast de vernietiging van de dorpen en massale deportaties, moedigde de Turkse regering Albanezen en Assyriërs aan om zich te vestigen in het Koerdische gebied, om de etnische samenstelling van het land te wijzigen.

Tijdens WW2 legde Turkije jizya, een verhoogde heffing, op aan alle christenen en joden in het land (Grieken en Armeniërs). De jizya werd zelfs opgelegd aan de Dönmeh (bekeerlingen tot de islam). Degenen die niet betaalden werden veroordeeld tot dwangarbeid in de steengroeven van Askale, nabij Erzurum. Zij deden dit om de economie 'weer Turks te maken'. Met de strenge [belasting genaamd] 'varlik vergisi' in 1942 anticipeerde Turkije op de val van Stalingrad en concentreerde het zijn troepen op de Kaukasische grens. Turkije pakte alle christelijke mannen tussen de 18 en 45 jaar op, en bestelde 3 grote crematoriumovens uit Duitsland... Tussen 25 juni en 7 juli 1943 bezocht de Turkse officierencommissie, onder leiding van generaal Cemil Cahit Toydemir, op uitnodiging van Hitler het Oostfront en de kusten van het Engelse Kanaal. Generaal H. Erkilet, Generaal Ali Fuat Erden en Hitler bespraken op Wolfsschanze verschillende [oorlogs]strategieën.

Toen Duitsland bijna was verslagen, verklaarde Turkije hen de oorlog aan de kant van de geallieerden op 23 februari 1945, als een ceremonieel gebaar, om een charter-lid van de Verenigde Naties te kunnen worden in 1945.


b. Het Westen en de NAVO (1945-1954)

Na de oorlog probeerde de Sovjet-Unie het Verdrag van Kars met Turkije te annuleren en delen van Noordwest-Armenië terug te geven. Deze pogingen werden gestopt door tussenkomst van Winston Churchill en Harry S. Truman.

De nauwe relatie [tussen Turkije en] de Verenigde Staten begon met de Tweede Conferentie van Caïro van 4 tot 6 december 1943 en de overeenkomst van 12 juli 1947 die de Truman Doctrine invoerde. Na 1945 wilde de VS Griekenland en Turkije steunen met economische en militaire hulp, als compensatie voor de Sovjet-overheersing over Oost-Europa, en om te voorkomen dat ze ten prooi zouden vallen aan de Sovjet-sfeer. De actie leverde Turkije meer dan 100 miljoen dollar op aan hulp.

Op 25 juni 1950 brak de Korea-oorlog uit. Ondanks kritiek van de bevolking in Turkije trok het leger samen met andere 16 landen ten oorlog tegen Noord-Korea. Turkije nam alleen deel aan deze campagne om lidmaatschap van de NAVO te krijgen, waar Turkije zich bij aansloot in 1952.


c. Pogroms, coup en deportaties van christenen (1955-1961)

Op 6 en 7 september 1955 brak er een pogrom uit die in de eerste plaats gericht was op Istanbuls 100.000 man sterke Griekse minderheid. Ook joden en Armeniërs die in de stad woonden en hun bedrijven daar hadden werden doelwitten van de pogrom. Een Turkse bende, waarvan de meeste mensen eerder met vrachtwagens de stad in waren gescheept, viel de Griekse gemeenschap in Istanbul negen uur lang aan. Er werden scheppen, houwelen, breekijzers, ijzeren staven en benzine gebruikt. 4000 privé-taxi's werden gevorderd om de daders te vervoeren. Tientallen Grieken (waaronder twee orthodoxe priesters) en ten minste één Armeense stierven tijdens de pogrom als gevolg van mishandeling en brandstichtingen. Tweeëndertig Grieken raakten zwaar gewond. Vele Griekse vrouwen werden verkracht, een aantal mannen werden gedwongen besneden door de menigte. 4348 Griekse bedrijven, 110 hotels, 27 apotheken, 23 scholen, 21 fabrieken, 73 kerken en meer dan duizend Griekse huizen werden zwaar beschadigd of vernietigd. De menigte riepen "Dood aan de Gavours", "Slacht de Griekse verraders af", en "Weg met Europa" [nadruk van Breivik].

De rel stopte om middernacht door de tussenkomst van het Turkse leger en er werd een noodtoestand uitgeroepen. Ooggetuigen meldden echter dat legerofficieren en politieagenten eerder hadden deelgenomen aan de rooftochten en in veel gevallen de relschoppers hadden aangespoord.

Na een botsing over de 'scheiding van kerk en staat' tussen Republikeinse Volkspartij Inönü en diens tegenstanders (president Celal Bayar en premier Adnan Menderes), en als gevolg de groeiende invloed van de islamisten in de natie, leidde Generaal Cemal Gürsel op 27 mei 1960 een militaire staatsgreep om president Celal Bayar en premier Adnan Menderes af te zetten. Ze werden beschuldigd van hoogverraad, misbruik van publieke middelen en intrekking van de grondwet.

De advocaat van Zorlu [een diplomaat die aan de kant van de president stond] zei in het proces van Yassiada dat er voor de pogrom een menigte van 300.000 mensen werd geronseld in een straal van 40 mijl (60 km) rondom de stad. Menderes en twee anderen werden veroordeeld tot de dood door opknoping.

De Griekse gemeenschap in Istanbul werd binnen twee dagen gedeporteerd en slonk van 100.000 personen in 1955 tot slechts 48.000 in 1965. Armeniërs en joden werden ook Turkije uitgegooid.


d. Verdeel en heers (1961-1974)

De volkstelling van 1960 in Cyprus toonde aan dat er 77% Griekse Cyprioten waren, 18% Turkse Cyprioten en 5% met een andere etniciteiten.

Cyprus werd op 16 augustus 1960 uitgeroepen tot een onafhankelijke staat, met Aartsbisschop Makarios als president en een grondwet met een Griekse en een Turkse vice-voorzitter, ondanks [de Turkse] minderheidsstatus op het eiland. Turks-Cyprioten zagen zichzelf als Turken die leefden op Cyprus in plaats van Turkse Cyprioten. Zij ontwikkelden het concept van Taksim, de verdeling van Cyprus in een Grieks-Cypriotisch gebied, en een Turks-Cypriotisch gebied.

Er werden twee verdragen opgesteld tussen Griekenland, Turkije en het Verenigd Koninkrijk: die van Zürich en die van Londen, die beiden complex en eigenaardig waren[. Ze gaven namelijk] de Turks-Cypriotische gemeenschap oneerlijk veel politieke rechten gezien hun aantallen, en ook permanente beperkingen op Enosis en Taksim.

In 1965 won de Justice Party van Suleiman Demirel met een absolute meerderheid, die nog toenam in 1969, waardoor er een toenemende polarisatie kwam tussen de Justice Party aan de rechterkant en de Republikeinse Volkspartij van Ismet Inönü en Bulent Ecevit aan de linkerkant.

Alparslan Turkes, een lid van de Turkse tak van het NAVO-leger bekend als Gladio, richtte in 1969 de rechtse Nationalistische Beweging Partij (MHP) op, waarvan de jongerenorganisaties bekend werden als de Grijze Wolven (fascisten).

Op 12 maart 1971 dreigde het Turkse leger in te grijpen, en dwong het de regering van Demirel tot aftreden. De coup van 1971 leidde tot toenemend geweld tussen ultranationalisten en communisten in de steden van Turkije, wat zorgde voor meer dan 5000 doden door de geheime dienst van Turkije.

In juli 1974 leidde de ontevredenheid onder rechtse Griekse nationalisten over de Enosis (vereniging) met Griekenland tot een staatsgreep tegen president Makarios. De staatsgreep werd gesponsord door de militaire regering van Griekenland en gebeurde onder leiding van Cypriotische officieren.

Op 20 juli 1974 lanceerde Turkije toen een lucht- en zee-invasie van Cyprus. Grote aantallen Griekse Cyprioten verloren hun leven in de gebieden overspoeld door Turkse troepen, en 170.000 Grieks-Cyprioten werden uit hun huis gezet en gedwongen naar het zuiden te verhuizen. Steden werden aangevallen met napalm en weer verloren grote aantallen Griekse Cyprioten hun leven. Kerken werden vernietigd, ontheiligd of omgezet in hotels. Turkije ving duizenden soldaten en doodde hen. Tot vandaag de dag worden er nog steeds 1534 Grieks-Cyprioten vermist, en zijn er meer dan 150.000 Grieks-Cypriotische vluchtelingen.

Turkije begon toen een andere actie en verscheepte meer dan 150.000 Turken van het vasteland van Turkije naar Cyprus om daar te gaan wonen. De Turkse Cyprioten riepen op 15 november 1983 een aparte staat uit, de Turkse Republiek Noord-Cyprus (TRNC), onder leiding van Rauf Denktas, maar die werd alleen door Turkije erkend.

Turkije heeft nu 37% van Cyprus in bezit, ook al waren er slechts 18% Turken op Cyprus in 1960. De helft van de hoofdstad Nicosia blijft bezet.


e. Minderheden niet toegestaan (1975-1990)

Koerdisch nationalisme had een opleving in de jaren 1970 toen Turkije te druk bezig was met botsingen tussen Links en Rechts. De marxistische PKK werd gevormd en vroeg om een Koerdische staat onder leiding van haar voorzitter, Abdullah Öcalan. Koerden maakten bijna 20% van de Turkse bevolking uit. Het Turkse leger onderdrukte de Koerden gewelddadig, doodde duizenden Koerdische burgers zonder onderscheid. Na de massamoord op Alevieten in 1978 in Kahramanmaras werd daar de krijgswet uitgeroepen.

Op 12 september 1980 kwam er nog een staatsgreep onder leiding van generaal Kenan Evren, Chef van de Generale Staf, en die was succesvol.

De wereld zweeg over de Armeense genocide, en dus wilden de marxistisch-leninistische groepen zoals ASALA de Turkse diplomaten doden om Turkije bewust te maken van haar bloedige verleden en van de ontkende Armeense kwesties. In 1983 probeerden de 'Justice Commandos' van de Armeense genocide de Turkse ambassade in Lissabon over te nemen, maar het mislukte. De vijf mannen ontsnapten aan hun arrestatie door het gebouw op te blazen na de vrijlating van het personeel.

Tussen 1983 en 1991 waren Koerdische muziek, dans en cultuur verboden in Turkije, het was verboden om iets uit te geven, te publiceren of uit te zenden in een andere taal dan Turks. Armeniërs in Turkije werden dagelijks doelwit van intimidatie en vervolging.

Het Turkse leger beging ook daden van extreem geweld in de strijd 'terrorisme'. Honderdduizenden mannen, vrouwen en kinderen werden van de vroege jaren '80 tot begin jaren '90 gedood of systematisch gemarteld in de gevangenissen. Maar in 1990-91 zou de wereld voor altijd veranderen.


f. Val van het IJzeren Gordijn (1991-1994)

Met de ineenstorting van de Sovjet-Unie in 1991 was Armenië vrij. De Armeniërs in Karabach wilden zich al tientallen jaren met Armenië verenigen en besloten om voor hun zaak te protesteren. Zelfs vóór de onafhankelijkheid had het Sovjet-Azerbeidzjan (94% moslim waarvan de meerderheid Turks) de stem van de Armeniërs onderdrukt met pogroms op straat, en slachtpartijen in Sumgait in 1988 en Baku in 1990. De wrede methoden van de Azeri om de Armeniërs te onderdrukken zetten de Armeniërs uit Karabach ertoe aan om te stemmen voor de onafhankelijkheid van Azerbeidzjan, waarop die laatste in 1992 reageerde met totale oorlog, gesteund en geholpen door Turkije. Toen ze zich het verleden herinnerden begonnen de Armeniërs terug te vechten, zelfs toen er een tekort aan voedsel en mankracht was in Armenië, en Azerbeidzjan vaak burgerdoelen bombardeerde met militaire vliegtuigen. Karabach kwam in de aanval en scoorde belangrijke overwinningen in de late jaren '92 en '93. Azerbeidzjan nodigde toen Afghaanse, Tsjetsjeense en andere vrijwillige mujahedeen [moslimstrijders] uit.

In het kader van de serie Armeense overwinningen dreigde de Turkse premier Tansu Ciller Armenië binnen te vallen met duizenden Turkse troepen. Rusland waarschuwde Turkije en weerde ze af door hun opmars te stoppen. [De president van Azerbeidzjan] Aliev probeerde met elke mogelijke methode de verloren gebieden terug te winnen, maar het mocht niet baten. Na zes jaar strijd in een uitgeput Azerbeidzjan vroeg hij ten slotte in 1994 een wapenstilstand. Turkije en Azerbeidzjan blokkerden Armenië vervolgens. Daarnaast nam Azerbeidzjan 'wraak' door de Armeense begraafplaats in Julfa (Naxichevan) weg te halen en Armeense kerken te ontheiligen.

De huidige situatie van Armenië is als volgt (2008, feitenboek van de CIA): Armenië is in de eerste plaats een land waaruit vrouwen en meisjes aan de Verenigde Arabische Emiraten en Turkije worden geleverd voor de commerciële seksuele uitbuiting, Armeense mannen en vrouwen worden verhandeld aan Turkije en Rusland voor dwangarbeid. [commentaar van Brountsk:] De EU en de VS hebben weinig of geen bereidheid getoond om Armenië op welke manier dan ook te ondersteunen. Ze blijven de laatste overlevenden van het Byzantijnse christendom, en grotendeels genegeerd door de christelijke wereld.


g. Europese Unie? (1995-2007)

Op 14 april 1987 diende Turkije zijn aanvraag in voor de formele toetreding tot de Europese Gemeenschap. Het werd geweigerd, wegens de economische en politieke situatie van Turkije, de slechte relaties met Griekenland en het conflict met Cyprus.

De verkiezingen van 1995 brachten een kortstondige coalitie tussen Yilmaz en Ciller aan de macht. In 1997 pleegde het leger een vierde staatsgreep door een dreigbrief te sturen aan de regering van Erbakan met het verzoek dat hij ontslag nam en zijn religieuze partij zou verbieden.

Een serie van economische schokken leidden tot nieuwe verkiezingen in 2002, waardoor de religieuze Gerechtigheids- en OntwikkelingsPartij van Recep Tayyip Erdogan aan de macht kwam, en die introduceerde een reeks nieuwe hervormingen.


Status per vandaag:

Turkije beperkt de religieuze rechten van christenen en bekeerlingen. Daarmee wordt indirect moord op hen gestimuleerd. Miljoenen Koerden, Assyriërs, Alevies, Yezidies en andere minderheden hebben geen status. Vrouwen worden in Turkije vaak onderworpen aan 'eer'wraak en discriminatie op het werk.

Turkije heeft 37% van Cyprus in bezit, de helft van haar hoofdstad Nicosia, en het weigert de Republiek Cyprus te erkennen.

Zoek de Turkse geschiedenis maar op en vergelijk ...

Wat kunnen we verwachten van een land dat zijn intellectuelen en journalisten vermoord omdat ze één bepaald woord noemen: 'genocide'. En niet te vergeten dat ze de moordenaars eren. Wat kunnen we verwachten van een land dat grenzen stelt aan vrije meningsuiting, dat mensen beboet en in gevangenissen stopt, zoals auteurs, persmedewerkers, en denkers die durven te denken en zo 'de Turkse identiteit beledigen', en dat alle minderheden als 'Turken' beschouwt. Gezien de eeuwen van onbeschaamde moorden en schendingen, kan Turkije zich aanpassen om bij de Europese Unie te komen? Of is het nog steeds 'de zieke man van Europa'?

Alle parlementsleden op EU- en nationaal niveau die het EU-lidmaatschap voor Turkije ondersteunen moeten maar eens afreizen naar het Turkse platteland, daar een trui met een kruis erop dragen, en zie hoe lang het duurt voordat voordat ze worden geslagen of vermoord. Dan zullen ze eens zien hoe 'tolerant' Turkse moslims zijn...

Ik zal meer vertellen over de huidige situatie in Turkije in een andere sectie.


Bronnen:

1. B. Munnich. Are the Turks European?. Institute for Armenian Studies, 2007.
2. Alan Palmer. The Decline and Fall of the Ottoman Empire. Barnes and Noble, 1994.
3. K. Yazejian. Abdul Hamid II, The Red Sultan. Beirut, 1980.
4. George A. Bournoutian. A History of the Armenian People: Pre-history to 1500 A.D.. Mazda Publishers, 1994.
5. Haykakan Harts Hanragitaran (Encyclopedie van de Armeense Kwestie). Yerevan, 1996.
6. P. Yeghyaian. Seljuk, Tatar, Turkish History.
7. Peter Balakian. The Burning Tigris: The Armenian Genocide and America's Response. HarperCollins, 2003.
8. Carter Vaughn Findley. The Turks in World History. Oxford University Press, 2004.
9. Erik J. Zürcher. Turkey: A Modern History. Heruitgave. I.B. Tauris, 2004.

Geschiedenis van het Ottomaanse Turkse Rijk I (1299-1876)
http://www.youtube.com/watch?v=dj4OkZgxTPE&feature=related

Geschiedenis van het Ottomaanse Turkse Rijk II (1876-1909)
http://www.youtube.com/watch?v=95ff3hxzOHo

Geschiedenis van de Turkse Republiek 1923-2007
http://www.youtube.com/watch?v=76vor_I5RMk

Geschiedenis van de Turkse Republiek 1961-2007
http://www.youtube.com/watch?v=eVGxIECjJMs




1.16 Jus primae Noctis - Geïnstitutionaliseerde verkrachting van christenen onder het Ottomaanse Rijk

Jus primae noctis of droit du Seigneur was het recht om met een huwbare (jonge en seksueel aantrekkelijke) onderdaan te slapen voordat ze aan haar man werd gegeven[. Dit is het 'recht'] waaronder een landheer de eerste nacht met de bruid van een pas getrouwde lijfeigene mocht slapen, hoewel dit kon worden voorkomen door het betalen van een boete.

Deze wet werd opgelegd door de Ottomaanse heersers en op grote schaal toegepast in landen onder de Ottomaanse heerschappij (provincies van het Ottomaanse Rijk waren Griekenland, Bulgarije, Servië, Bosnië) tot het einde van de 19e eeuw.

Het schilderij "Dressing/Adornment of the Bride", geschilderd door Paja Jovanovic, toont een bruid die zich voorbereidt op de huwelijksnacht. De eerste nacht gaat ze doorbrengen met haar landheer. Landheren (beg, aga) waren meestal Turken, maar er waren veel lokale edelen bekeerd tot de islam om hun privileges te redden toen de regio werd overwonnen door het Ottomaanse Rijk.

Het recht werd gebruikt op de bruid van een feodale lijfeigene of dienaar, elke dhimmi. Zij waren christenen en het recht werd niet gebruikt op islamitische bruiden.

Op de dag voor haar huwelijk zou de jonge christelijke bruid worden bezocht door een vertegenwoordiger van de heer (beg, aga). Diens vertegenwoordiger ging meestal langs met een cordon van soldaten. De vertegenwoordiger nam de bruid voor een dag en een nacht mee naar het huis van de landheer, die haar herhaaldelijk verkrachtte, en hij bracht haar in de vroege ochtend op haar trouwdag weer naar huis.

Een interessant detail op het schilderij is dat alle afgebeelde vrouwen zijn gekleed in traditionele oosterse kleding (Turkse stijl). Onder de Ottomanen waren kledingstijlen beïnvloed door de islamitische traditie. Alle vrouwen op de foto, op een aan de rechterkant na, hebben hun haar bedekt met een sjaal (ook wel shamija of mahram) volgens de islamitische gewoonte.

Vrouwen droegen een 'dimije', (die lijken op wijde broeken) van dun en vaak met gouddraad geweven zijde brokaat, die het vrouwelijke figuur benadrukt.

Joegoslavische posterijen gaven in 1998 een viertal postzegels uit gewijd aan de nationale douanediensten. Het plaatje op de postzegel van 6,00 dinar is het schilderij "Dressing / Adornment of the Bride" van Paja Jovanovic.


Bron:
http://www.geocities.com/Eureka/Park/7313/primae_noctis_jus.htm
[niet meer actief: het artikel staat nog wel hier.]


Jus primae Noctis - Details

De historische acceptatie van verkrachting heeft misschien invloed gehad op het aantal verkrachtingen in de oorlogen van de afgelopen tien jaar in voormalig Joegoslavië. Er waren echter andere historische factoren die het gebruik ervan bevorderden en die zich leenden voor propaganda om mensen ertoe aan te zetten in Bosnië-Herzegovina en Servië. Onder de Ottomaanse heerschappij, waarbinnen een groot deel van Servië autonomie kreeg in 1830, maar waarin Bosnië-Herzegovina [onderworpen] moest blijven tot 1878, hadden de Serviërs en Kroaten een achtergestelde positie.

Een belangrijke oorzaak voor de haat [van Serviërs en Kroaten] was dat moslimmannen de vrouwen van Servische en andere christelijke minderheid gebruikten of misbruikten, en dit werd met name gedaan door Ottomaanse ambtenaren en de adel. De polygamie en het concubinaat van moslimmannen, in het bijzonder Ottomaanse ambtenaren en edelen of 'begs', had tot resultaat dat ze vrouwen en bedgenoten namen van onder de christelijke bevolking en ook de moslims, en vaak werden deze vrouwen afgedankt wanneer ze niet langer gewenst waren. De onzekerheid van deze vrouwen had tot gevolg dat ze relatief weinig kinderen hadden, toevlucht namen tot abortus, kindermoord en andere anticonceptiemaatregelen (Stoianovich 1994, p 159).

Het andere misbruik was door 'eerste nacht' regelingen, meer in het algemeen bekend als de jus primae noctis (recht op de eerste nacht) of droit de seigneur (het recht van de leenheer), waardoor de janitsaren die een landgoed hadden, of de lokale landheren, het recht hadden op de maagdelijkheid van alle bruiden onder Servische en andere lijfeigenen. Deze regelingen worden nog herinnerd door het volk, maar niet bevestigd door literaire bronnen. Ze werden genoemd door Bosnisch-Servische oud-politicus Biljana Plavsic in 1993, in een poging om te beweren dat verkrachting de oorlogsstrategie was van de moslims en Kroaten. [Plavsic] merkte op dat het "tijdens de Ottomaanse periode heel normaal voor de islamitische notabelen was om de jus primae noctis te genieten met christelijke vrouwen" (Cohen 1998, p 222). Levinsohn citeert uitgever Petar Zdazdic uit Belgrado die zei dat er een traditie was dat de Servische lijfeigene of boer rond het huis moest lopen met zijn schoenen in zijn handen terwijl een Ottomaanse ambtenaar of landheer naar het huis kwam om geslachtsgemeenschap te hebben met zijn vrouw (1994, p 274). In de vroege fase van de Ottomaanse bezetting mochten de janitsaren, die de belangrijke boerenbedrijven en landgoederen bestuurden evenals de kern van het leger vormden, niet trouwen tot ze terugkeerden van hun dienst aan het rijk. De eerste nacht en vergelijkbare regelingen waren misschien belangrijk als vervanging voor het huwelijk.

Maar de landheren werden steeds meer een erfelijke klasse. In Bosnië moest men zo'n driehonderd jaar geleden Serviërs ervan overtuigen om van Montenegro naar hun land te komen om als slaven of pachters te werken. Islamitische boeren hadden er steeds meer voor gekozen om hun eigen land te kopen en het als keuteboeren te bewerken in plaats van lijfeigenen te zijn, maar deze optie hadden de christenen in Bosnië-Herzegovina niet tot na 1830. Vandaar dat deze regelingen van eerste nacht en concubinaat voor de Servische en Kroatische kmet of vrouwen van lijfeigenen minder vaak voorkwamen in de latere fasen van de Ottomaanse overheersing. Ook was de adel niet meer dan 5 tot 10 procent van de moslimbevolking - er waren 4000 families wiens land herverdeeld werd in de landhervorming van 1919. Vandaar dat slechts een klein deel van de moslimbevolking toegang had tot orthodoxe en christelijke vrouwen waar dit gebruikelijk was, zeker niet de meerderheid. In Kosovo was, voorafgaand aan de eerste Balkanoorlog van 1912, de meerderheid van de Serviërs in feite lijfeigenen die op het land werkten voor de Albanese clanleiders of Turkse landheren, maar het is niet bekend welke invloed dit had op diens toegang tot hun vrouwen.

Regelingen waarbij een gemeenschap, of althans de bevoorrechte klasse, toegang heeft tot de vrouwen van een andere zijn controversieel. Enkele jaren geleden werd een Griekse film uitgezonden op de Australian Special Broadcasting Service, en daarin werd afgebeeld hoe, een paar decennia voordat de Grieken onafhankelijk werden in 1830, de Griekse bruiden en vrouwen die lijfeigenen waren bij een boerenhoeve misbruikt werden door de Ottomaanse landheer en een familielid van hem dat toevallig op bezoek was. Een film uit de jaren '50 die op SBS werd uitgezonden geeft dit ook aan, maar het misbruik werd niet verder uitgelegd dan de toekomstige bruid haar maagdelijkheid ontnemen, en de pacht van het land werd gezien als een vorm van bruidsschat gegeven in ruil voor de verleende seksuele diensten.


Bron:
http://auspsa.anu.edu.au/proceedings/2001/Politics_and_Gender_Papers.htm




1.17 Jihadistische genocide van christenen in het Ottomaanse Rijk en Turkije - De Armeense, Griekse en Assyrische genocides

Op 7 juni 2006 heeft Stephen Pound, lid van het Britse Lagerhuis, het geval van de Ottomaanse Grieken verbonden met de Armeniërs en Assyriërs, door te stellen dat "er in 1923 reeds 3,5 miljoen van de oorspronkelijke christelijke bevolking van Assyriërs, Armeniërs en Grieken die leefden in het Ottomaanse Rijk waren vermoord, doodgehongerd of afgeslacht - of verbannen".

Ik zal deze drie genocides kort bespreken.


Armeense genocide - 1915-1918 - meer dan 1,5 miljoen doden

De genocide op de Armeniërs was een jihad. Er namen geen rayahs (niet-islamitische dhimmi's onder Ottomaanse heerschappij) aan deel. Ondanks de afkeuring van de vele islamitische Turken en Arabieren, en hun weigering om mee te doen aan deze misdaad, werden deze moordpartijen uitsluitend begaan door moslims en zij alleen profiteerden van de buit: de eigendommen van de slachtoffers, hun huizen en land, werden toegekend aan de Muhajirun, en zij kregen ook de vrouwen en kinderen als slaven. De executie van de mannelijke kinderen boven de twaalf jaar was in overeenstemming met de geboden van de jihad en voldeed aan de leeftijdsgrens vastgesteld voor de betaling van de jizya. De vier stadia van de volkenmoord - deportatie, slavernij, gedwongen bekering, en bloedbad - weerspiegelen de historische omstandigheden van de jihad die al vanaf de 7e eeuw waren uitgevoerd in de Dar-al-Harb. Er zijn kronieken van veel verschillende bronnen, met name van islamitische auteurs, die gedetailleerde beschrijvingen geven van de georganiseerde moordpartijen of deportatie van gevangenen, wier lijden in gedwongen marsen achter de legers sterk overeenkomt met de Armeense ervaring in de 20e eeuw. Zoals in alle jihads waren de moskeeën een centraal verzamelpunt waar de mullahs en overheidslieden opriepen tot jihad. Het aantal massamoorden, systematische verkrachtingen, plunderingen en onderwerpingen bereikten daarom een natuurlijk hoogtepunt op iedere vrijdag, als iedereen zich volledig gemotiveerd voelde na de wekelijkse peptalk.

De Armeense genocide, de eerste genocide van de 20e eeuw, gebeurde toen 2 miljoen Armeniërs die in Turkije leefden werden weggevaagd uit hun historische thuisland door gedwongen deportaties en massamoorden.

3000 jaar lang was er een bloeiende Armeense gemeenschap geweest in het uitgestrekte gebied van het Midden-Oosten begrensd door de Zwarte, de Middellandse en de Kaspische Zee. Het gebied, bekend als Klein-Azië, ligt op het kruispunt van drie continenten: Europa, Azië en Afrika. Grootmachten kwamen en gingen door de vele eeuwen heen, en het Armeense thuisland werd op verschillende momenten geregeerd door Perzen, Grieken, Romeinen, Byzantijnen, Arabieren en Mongolen.

Ondanks de herhaalde invasies en bezettingen wankelde de Armeense trots en culturele identiteit nooit. De met sneeuw bedekte top van de berg Ararat werd haar kenmerk en tegen 600 voor Christus ontsproot Armenië als een natie. Bij de komst van het christendom werd Armenië de eerste natie die het accepteerde als de staatsgodsdienst. Een gouden tijdperk van vrede en welvaart volgde, met de uitvinding van een afzonderlijk alfabet, de bloei van literatuur, kunst, handel, en een unieke stijl van architectuur. Tegen de 10de eeuw hadden de Armeniërs een nieuwe hoofdstad gevestigd in Ani, liefkozend de 'stad van duizend-en-één kerken' genoemd.

In de 11e eeuw kwam de eerste Turkse invasie van het Armeense thuisland. Zo begon een paar honderd jaar heerschappij door islamitische Turken. In de 16e eeuw ging Armenië op in het grote en machtige Ottomaanse Rijk. Op zijn hoogtepunt omvatte dit Turkse rijk een groot deel van Zuidoost-Europa, Noord-Afrika, en bijna het hele Midden-Oosten.

Maar rond 1800 raakte het eens zo machtige Ottomaanse Rijk ernstig in verval. Eeuwenlang had het technologische en economische vooruitgang afgewezen, terwijl de landen van Europa de innovatie hadden omarmd en industriële reuzen werden. Turkse legers waren ooit zo goed als onoverwinnelijk. Nu verloren ze slag na slag tegen de moderne Europese legers.

Toen het rijk geleidelijk uiteen viel, bereikten de voorheen onderworpen volkeren, waaronder de Grieken, Serviërs en Roemenen, hun langverwachte onafhankelijkheid. Alleen de Armeniërs en de Arabieren van het Midden-Oosten bleven hangen in het achtergestelde en bijna failliete rijk, nu onder het autocratische bewind van de sultan Abdul Hamid.

Rond 1890 begonnen jonge Armeniërs aan te dringen op politieke hervormingen, waarbij werd opgeroepen tot een constitutionele regering, het recht om te stemmen en een einde te maken aan discriminerende praktijken zoals 'jizya' - speciale belastingen geheven uitsluitend tegen hen, omdat ze christenen waren. De tirannieke sultan reageerde op hun protesten met brute vervolgingen. Tussen 1894 en 1896 werden meer dan 100.000 inwoners van de Armeense dorpen uitgemoord tijdens wijdverspreide pogroms uitgevoerd door speciale regimenten van de sultan.

Maar de sultans dagen waren geteld. In juli 1908 dwongen hervormingsgezinde Turkse nationalisten die bekend staan als de 'Jonge Turken' de sultan om een constitutionele regering toe te staan en fundamentele rechten te waarborgen. De Jonge Turken waren ambitieuze jonge officieren in het Turkse leger, die hoopten de gestage achteruitgang van hun land te stoppen.

De Armeniërs in Turkije waren erg blij met deze plotselinge ommekeer en de vooruitzichten voor een betere toekomst. Zowel Turken als de Armeniërs woonden jubelend openbare bijeenkomsten bij met spandoeken waarin ze riepen om vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid.

Hun hoop werd echter verpletterd toen drie van de Jonge Turken de volledige controle over de overheid namen door middel van een staatsgreep in 1913. Dit triumviraat van Jonge Turken, bestaande uit Mehmed Talaat, Ismail Enver en Ahmed Djemal kregen toen dictatoriale macht en verzonnen hun eigen ambitieuze plannen voor de toekomst van Turkije. Ze wilden alle Turkse volkeren in de hele regio verenigen, de grenzen van Turkije uitbreiden naar het oosten over de Kaukasus tot helemaal in Centraal-Azië. Dit zou een nieuw Turks rijk te creëren, het 'grote en eeuwige land' genoemd Turan, met één taal, en de islam als de enige religie.

Turkije
1913 - 2 miljoen Armeniërs (10% van de totale bevolking)
Totale bevolking 20 miljoen.

Maar er was een groot probleem. Het traditionele historische thuisland van Armenië stond hun plannen om naar het oosten uit te breiden letterlijk in de weg. En op die grond leefde een grote populatie van de christelijke Armeniërs, in totaal zo'n twee miljoen personen, die samen ongeveer 10 procent van de totale bevolking van Turkije uitmaakten.

Het pas ontdekte 'Turanisme' van de Jonge Turken kwam tegelijkertijd met een drastische opleving van islamitische fundamentalistische woede in heel Turkije. Christelijke Armeniërs werden opnieuw gebrandmerkt als ongelovigen (niet-gelovig aan de islam). Jonge islamitische extremisten leidden anti-Armeense demonstraties die soms leidden tot geweld. Tijdens een dergelijke uitbraak in 1909 werden 200 dorpen geplunderd en meer dan 30.000 mensen vermoord in de regio Cilicië aan de Middellandse Zee. In heel Turkije bleven er in de jaren daarna ongeremde sporadische plaatselijke aanvallen tegen de Armeniërs.

Er waren ook grote culturele verschillen tussen Armeniërs en Turken. De Armeniërs waren altijd een van de best opgeleide gemeenschappen binnen het oude Turkse Rijk. Armeniërs waren de professionals in de samenleving; de zakenlieden, advocaten, artsen en vaklieden. En zij stonden meer open voor nieuwe wetenschappelijke, politieke en sociale ideeën uit het Westen (Europa en Amerika). Kinderen van rijke Armeniërs ging naar Parijs, Genève of zelfs naar Amerika om hun opleiding af te ronden.

De meerderheid van de Turken, daarentegen, waren ongeletterde boeren en kleine middenstanders. De leiders van het Ottomaanse Rijk hechtten van oudsher weinig waarde aan onderwijs en in hun oude rijk was er niet één enkel instituut voor hoger onderwijs te vinden. De verschillende autocratische en despotische heersers in de geschiedenis van het rijk hadden boven alles loyaliteit en blinde gehoorzaamheid gewaardeerd. Hun ongeschoolde onderdanen hadden nog nooit gehoord van democratie of liberalisme en hadden dus geen behoefte aan politieke hervormingen. Maar dit was niet het geval bij de hoger opgeleide Armeniërs, die politieke en sociale hervormingen zochten die hun levens zouden verbeteren en die van andere minderheden in Turkije.

De Jonge Turken besloten om de deugden van het eenvoudige Turkse boerenbestaan te verheerlijken, dit ten koste van de Armeniërs en om de trouw van de boeren te winnen. Ze benutten de religieuze, culturele, economische en politieke verschillen tussen Turken en Armeniërs, zodat de gemiddelde Turk de Armeniërs ging beschouwen als vreemdelingen onder hen.

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak in 1914 vochten de leiders van het Jonge Turken-regime aan de kant van de Centrale Machten (Duitsland en Oostenrijk-Hongarije). Het uitbreken van de oorlog zou de perfecte gelegenheid zijn om de 'Armeense kwestie' voor eens en voor altijd op te lossen. De aandacht van de wereld was gericht op de slagvelden van Frankrijk en België, waar de jonge mannen van Europa al snel bij bosjes stierven, bij honderdduizenden. Het Oostfront zou uiteindelijk onder meer de grens tussen Turkije en Rusland bevatten. En in oorlogstijd zouden ongebruikelijke maatregelen tegen de burgerbevolking niet al te ongewoon lijken.

Als voorbereiding op de komende actie ontwapenden de Turken de hele Armeense bevolking onder het voorwendsel dat die mensen van nature sympathiek waren tegenover christelijk Rusland. Elk geweer en pistool werd met geweld in beslag genomen, met zware straffen voor iedereen die zijn wapens niet inleverde. Heel wat Armeense mannen kochten toen eigenlijk wapens van de lokale Turken of Koerden (nomadische islamitische stammen) tegen zeer hoge prijzen, zodat ze iets zouden hebben om in te leveren.

In die tijd waren ongeveer 40.000 Armeense mannen werkzaam in het Turkse leger. In de herfst en winter van 1914 werden al hun wapens in beslag genomen en zij werden overgeplaatst naar bataljons van dwangarbeid, voor het aanleggen van wegen of als menselijke lastdieren. Onder die wrede werkomstandigheden leden ze een zeer hoog sterftecijfer. Degenen die overleefden zouden spoedig zonder meer worden neergeschoten. Want de tijd was gekomen om tegen de Armeniërs te gaan vechten.

De beslissing om de gehele bevolking te vernietigen kwam rechtstreeks van het heersende triumviraat van de ultra-nationalistische Jonge Turken. De feitelijke orders voor de exterminatie werden overgedragen in gecodeerde telegrammen aan alle provinciegouverneurs in heel Turkije. Gewapende razzia's begonnen op de avond van 24 april 1915, toen 300 Armeense politieke leiders, docenten, schrijvers, geestelijken en hoge ambtenaren in Constantinopel (het huidige Istanbul) uit hun huizen werden gehaald, kort gevangen gezet en gemarteld werden, en daarna werden opgehangen of neergeschoten.

Vervolgens kwamen er de massale arrestaties van Armeense mannen in het hele land, uitgevoerd door de Turkse soldaten, politieagenten en bendes Turkse vrijwilligers. De mannen werden in kleine groepjes aan elkaar gebonden met touwen en vervolgens naar de rand van hun stad gevoerd, en daar doodgeschoten of neergestoken door doodseskaders. De plaatselijke Turken en Koerden, gewapend met messen en stokken, deden vaak mee aan deze moorden.

Daarna was het de beurt van de Armeense vrouwen, kinderen en ouderen. Op zeer korte termijn werden ze bevolen om een paar spullen te pakken en hun huis te verlaten, omdat ze zogenaamd naar een veilige zone gebracht zouden worden voor hun eigen veiligheid. Maar ze werden eigenlijk op dodenmarsen naar het zuiden gestuurd, in de richting van de Syrische woestijn.

Islamitische Turken die zich meteen alle eigendommen toe-eigenden bezetten al snel het grootste deel van de huizen en dorpen achtergelaten door de opgetrommelde Armeniërs. In veel gevallen 'spaarden' de plaatselijke Turken de jonge Armeense kinderen wiens families waren weggehaald de deportatie. De kinderen werden gedwongen om het christendom te verwerpen en moslims te worden, en ze kregen toen nieuwe Turkse namen. Voor Armeense jongens betekende de gedwongen bekering dat ze de pijnlijke besnijdenis moesten ondergaan zoals vereist door islamitisch gebruiken.

Turkse gendarmes begeleidden de individuele karavanen die bestonden uit duizenden gedeporteerde Armeniërs. Deze bewakers stonden toe dat rondtrekkende overheidsbrigades van geharde criminelen, die bekend staan als de 'Speciale Organisatie', de weerloze mensen aanvielen en iedereen mochten doden als ze wilden. Ze hebben ook Koerdische bandieten aangemoedigd om de karavanen te overvallen en alles te stelen wat ze wilden. Daarnaast hebben de Speciale Organisatie en Koerdische bandieten zich schuldig gemaakt aan een enorme hoeveelheid seksueel misbruik en verkrachting van meisjes en jonge vrouwen die ze te pakken konden krijgen. Het merendeel van de aantrekkelijke jonge vrouwen werden ontvoerd voor een leven van onvrijwillige diensten.

De doodsmarsen tijdens de Armeense genocide, waarbij meer dan een miljoen Armeniërs omkwamen, gingen over honderden kilometers en duurden maanden. Er werden bewust omwegen door de bergen en wildernis gekozen om de beproeving te verlengen en de karavanen weg te houden van de Turkse dorpen.

Voedselvoorraden die de mensen hadden meegenomen waren al snel op, en ze werden meestal verder voedsel of water geweigerd. Iedereen die stopte om te rusten of achter de karavaan kwam te lopen werd genadeloos geslagen totdat ze weer in de rij liepen. Als ze niet konden doorlopen, werden ze doodgeschoten. Een veel voorkomende praktijk was alle mensen in de karavaan te dwingen om al hun kleding uit te trekken en ze de mars naakt te laten hervatten in de brandende zon, tot ze door uitputting en uitdroging dood neer vielen langs de kant van de weg.

Naar schatting is 75 procent van de Armeniërs op deze marsen omgekomen, vooral kinderen en ouderen. Degenen die de beproeving overleefden werden bijeengedreven in de woestijn zonder een druppel water. Ze werden van de bergen afgeworpen, levend verbrand of verdronken in rivieren.

Tijdens de Armeense genocide werd het Turkse platteland bezaaid met rottende lijken. Op een gegeven moment reageerde Mehmed Talaat op dit probleem door een gecodeerde boodschap te sturen naar alle provinciale leiders: "Ik heb vernomen dat er in bepaalde gebieden nog steeds onbegraven lijken te zien zijn. Ik vraag u om de strengste instructies door te geven zodat de lijken en overblijfselen in uw gebieden worden begraven".

Maar zijn instructies werden over het algemeen genegeerd. Degenen die betrokken waren bij de massamoord toonden weinig interesse om te stoppen en graven te graven. De langs de weg liggende lijken en uitgehongerde gedeporteerden waren een schokkende aanblik voor de buitenlanders die werkzaam waren in Turkije. Ooggetuigen waren onder andere diplomaten van de Duitse regering, Amerikaanse zendelingen en Amerikaanse diplomaten gestationeerd in het land.

Tijdens de Armeense genocide werden de christelijke missionarissen vaak met de dood bedreigd en waren niet in staat om de mensen te helpen. Diplomaten uit de nog neutrale Verenigde Staten communiceerden hun ongezouten mening over de lopende overheidsbeleiden. De Amerikaanse ambassadeur in Turkije, Henry Morgenthau, meldde aan Washington: "Toen de Turkse autoriteiten de orders voor deze deportaties gaven, gaven zij eigenlijk het doodvonnis voor een heel ras".

De geallieerden (Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland) reageerden op het nieuws van de slachtingen door Turkije te waarschuwen: "De geallieerde regeringen hebben publiekelijk aangekondigd [...] dat ze alle leden van de Ottomaanse regering, ook die ambtenaren die erbij zijn betrokken, persoonlijk verantwoordelijk houden voor dergelijke zaken".

De waarschuwing had geen effect. Kranten in het Westen, waaronder de New York Times, publiceerden rapporten over de voortdurende deportaties met de krantenkoppen: "Armeniërs de woestijn ingestuurd om te sterven" - "Turken beschuldigd van plan om hele bevolking uit te roeien" (18 augustus 1915) - "Miljoen Armeniërs gedood of verbannen" - "Amerikaans Comite voor Hulp zegt: Aantal slachtoffers van Turken neemt gestaag toe" - "Beleid van uitroeiing" (15 december 1915).

Voor sommige Armeniërs kwam er tijdelijke genade toen Russische troepen langs het oostfront aanvielen en hun weg baanden naar het centrum van Turkije. Maar de troepen trokken zich in 1917 terug vanwege de Russische Revolutie. De Armeense overlevenden trokken met hen mee en vestigden zich bij hun collega-Armeniërs die reeds woonden in provincies van het voormalige Russische Rijk. Er waren in totaal ongeveer 500.000 Armeniërs verzameld in deze regio.

In mei 1918 vielen de Turkse legers dit gebied aan voor de uitbreiding van Turkije naar het oosten de Kaukasus in, en ook om de vernietiging van de Armeniërs te hervatten en af te maken. Er zijn waarschijnlijk maar liefst 100.000 Armeniërs slachtoffer geworden van de oprukkende Turkse troepen.

Maar de Armeniërs zijn erin geslaagd om wapens te krijgen en om terug te vechten, en uiteindelijk om de Turkse invasie af te weren in de slag bij Sardarabad, waardoor ze de overige bevolking zelf redden van totale uitroeiing zonder hulp van de buitenwereld. Na die overwinning riepen de Armeense leiders de oprichting van de onafhankelijke Republiek Armenië uit.

De Eerste Wereldoorlog eindigde in november 1918, met een nederlaag voor Duitsland en de Centrale Machten, waaronder Turkije. Kort voor de oorlog was afgelopen trok het triumviraat van de Jonge Turken - Talaat, Enver en Djemal - zich abrupt terug uit de regering en zij vluchtten naar Duitsland, waar ze asiel aangeboden hadden gekregen.

In de maanden die volgden kwamen er herhaaldelijk verzoeken van de nieuwe gematigde regering van Turkije en de geallieerden dat Duitsland de Jonge Turken zou uitleveren aan hun thuisland om terecht te staan. Maar al deze verzoeken werden afgewezen. Als gevolg hiervan namen Armeense activisten het heft in eigen handen, zochten de Jonge Turken op en vermoordden ze samen met twee andere aanstichters van de massamoord.

Ondertussen kwamen er vertegenwoordigers van de jonge Republiek Armenië naar de Vredesconferentie van Parijs in de hoop dat de geallieerden hen hun historische land, dat in beslag was genomen door Turkije, terug zouden geven. De Europese Bondgenoten reageerden op hun verzoek door de Verenigde Staten te vragen om de voogdij van de nieuwe Republiek op zich te nemen. Maar president Woodrow Wilson's poging om Armenië een officieel Amerikaans protectoraat te maken werd in mei 1920 afgewezen door het Amerikaanse Congres.

Maar Wilson wilde Armenië niet opgeven. Als resultaat van zijn onderhandelingen werd op 10 augustus 1920 het Verdrag van Sèvres ondertekend door de geallieerden, de Republiek Armenië, en de nieuwe gematigde leiders van Turkije. Het verdrag erkende een onafhankelijke Armeense staat in een gebied dat een groot deel van hun voormalige historische thuisland besloeg.

Maar het Turkse nationalisme stak opnieuw de kop op. De gematigde Turkse leiders die het verdrag ondertekend hadden werden verdreven ten gunste van een nieuwe nationalistische leider, Mustafa Kemal, die botweg weigerde om het verdrag te accepteren en zelfs het gebied in kwestie opnieuw bezette en vervolgens elke overlevende Armeniër uitzette, waaronder duizenden weeskinderen.

Geen enkele geallieerde macht kwam de Armeense Republiek ten hulp en het stortte in. Slechts een klein deel van de oostelijke provincie van het historische Armenië overleefde doordat het deel ging uitmaken van de Sovjet-Unie.

Na de succesvolle vernietiging van de mensen van het historische Armenië tijdens de Armeense genocide, sloopten de Turken de resten van het Armeense culturele erfgoed, zoals onder andere onschatbare meesterwerken van oude architectuur, oude bibliotheken en archieven. De Turken maakten zelfs hele steden met de grond gelijk, zoals het ooit zo bloeiende Kharpert, Van en de oude hoofdstad in Ani, om alle sporen van de 3000 jaar oude beschaving uit te wissen.

In verwijzing naar de Armeense genocide nam de jonge Duitse politicus Adolf Hitler nauwe notie van de halfslachtige reactie van 's werelds grootste bevoegdheden op het lot van de Armeniërs. Toen hij absolute macht in Duitsland had bereikt, besloot Hitler in 1939 om Polen te veroveren en zei tegen zijn generaals: "Zo heb ik voorlopig alleen mijn 'Totenkopf-eenheden' [SS] naar het Oosten gezonden met de orders om zonder medelijden of genade alle mannen, vrouwen en kinderen van Poolse afkomst of taal te doden. Alleen op die manier zullen we de Lebensraum krijgen die we nodig hebben. Want wie heeft het tegenwoordig nog over de Armeniërs?".

Bron:
http://www.unitedhumanrights.org/Genocide/armenian_genocide.htm


Armeense genocide - Citaten

Door Hay Brountsk

Bron: http://www.youtube.com/watch?v=tx1M82JsbbQ

Turkse citaten:

Talat Pasha: 1 juni 1915 - "Turkije maakt gebruik van de oorlog om zijn interne vijanden grondig op te ruimen (gründlich aufzuraumen), dat wil zeggen, de autochtone christenen, zonder daarbij gestoord te worden door buitenlandse interventie".

"Wat wil je in vredesnaam? De kwestie is al afgerond. Er zijn geen Armeniërs meer".

Jemal Pasha: "800.000 Armeense 'gedeporteerden' werden eigenlijk gedood [en] door de schuldigen aansprakelijk te stellen probeert de overheid het bloedige verleden te reinigen".

"Ik schaam me voor mijn land".

Enver Pasha: 19 mei 1916 - "Het Ottomaanse Rijk moet worden ontdaan van de Armeniërs en de Libanezen. We hebben die eersten vernietigd door het zwaard; wij zullen die laatsten vernietigen door hongersnood".

"Je hebt je sterk vergist. We hebben dit land absoluut onder onze controle. Ik heb geen zin om de schuld af te wentelen op onze ondergeschikten en ik ben volledig bereid om zelf de verantwoordelijkheid te nemen voor alles wat heeft plaatsgevonden".

Prins Abdul Mecid: "Ik verwijs naar die vreselijke slachtpartijen. Zij zijn de grootste schande die ons land en ras ooit heeft onteerd. Ze waren volledig het werk van Talat en Enver. Ik hoorde pas een paar dagen voordat ze begonnen, dat ze dat van plan waren".

"Ik ging naar Istanbul en eiste Enver te spreken. Ik vroeg hem of het waar was dat ze van plan waren de slachtingen te hervatten die onze schaamte en schande waren onder Abdul Hamid. Het enige antwoord dat ik van hem kon krijgen was: 'Het is al besloten: Dit staat er op het programma' ".

Damad Ferid Pasha beschreef de behandeling van de Armeniërs als: "Een misdaad die de hele mensheid verafschuwde".

Mustafa Arif: 13 dec 1918 - "Er hebben zeker een paar Armeniërs onze vijand geholpen en bijgestaan, en een paar Armeense ambtenaren hebben misdaden gepleegd tegen de Turkse natie. [...] Het is de plicht van een regering om om te gaan met de schuldigen. Helaas hebben onze leiders in oorlogstijd, doordrenkt met een geest van barbaarsheid, de wet van deportatie uitgevoerd op een wijze die waarschijnlijk nog gewelddadiger is dan de neigingen van de meest bloeddorstige bandieten. Ze besloten om de Armeniërs uit te roeien, en hebben ze laten uitroeien".

Mustafa Kemal 'Atatürk': 1 aug 1926 - "Deze overgeblevenen van de vroegere Jonge Turken-partij, die we hadden moeten aanklagen uit naam van de miljoenen christelijke onderdanen die genadeloos massaal uit hun huizen verdreven en afgeslacht werden, die blijven onrustig onder de Republikeinse heerschappij".


Duitse Citaten:

Hans Freiherr von Wangenheim: 17 juni 1915 - "Deze deportatie van de Armeniërs uit hun huizen in de dorpjes van Oost-Anatolië, en hun vestiging in andere regio's, worden wreed uitgevoerd. [Het wordt] duidelijk dat de deportatie van de Armeniërs niet alleen voortvloeit uit militaire noodzaak, vertelde de Minister van Binnenlandse Zaken, Mehmed Talaat, eerlijk tegen Doctor Mortsman, die nu werkzaam is in de ambassade van het rijk. Talat zei: 'Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft in het kader van de wereldoorlog voornemens gemaakt om het hele land te reinigen van interne vijanden, de lokale christenen, zodat het buitenland hen niet zal belemmeren hierin door hun diplomatieke inmenging. Deze maatregel zal de belangen van alle bondgenoten van Turkije dienen, met name de Duitsers' ".

Graaf Wolff-Metternich: 10 juli 1916 - "In haar poging om door te gaan met hun missie om de Armeense kwestie op te lossen, door de vernietiging van het Armeense ras, heeft de Turkse regering geweigerd om zich te laten afschrikken door onze afgezanten, of door die van de Amerikaanse ambassade, noch door de afgevaardigde van de paus, noch door de bedreigingen van de geallieerden, noch de eerbied voor de publieke opinie in het Westen die voor de helft van de wereld spreekt".

Adolf Hitler: 2 aug 1939 - "Zo heb ik voorlopig alleen mijn 'Totenkopf-eenheden' [SS] naar het Oosten gezonden met de orders om zonder medelijden of genade alle mannen, vrouwen en kinderen van Poolse afkomst of taal te doden. Alleen op die manier zullen we de Lebensraum krijgen die we nodig hebben. Want wie heeft het tegenwoordig nog over de uitroeiing van de Armeniërs?''


Britse Citaten:

Viscount James Bryce: 6 okt 1915 - "De bloedbaden zijn het resultaat van een beleid dat, voor zover kan worden nagegaan, al geruime tijd bedacht was door de bende gewetenloze avonturiers die nu de regering van het Turkse Rijk in handen hebben. Ze hebben geaarzeld om het in de praktijk te brengen tot ze dachten dat het gunstige moment was aangebroken, en dat moment lijkt deze maand april te zijn gekomen".

Viscount James Bryce: 11 mei 1918 - "Het Armeense bloedbad was de grootste misdaad in deze oorlog, en door niet op te treden tegen Turkije stond men het feitelijk toe. [Als men] weigert om de Turkse horror hardhandig aan te pakken, betekent dit dat al het gepraat over het garanderen van de toekomstige wereldvrede ondeugdzame onzin is".

Lord Robert Cecil: 16 nov 1915 - "Ik denk dat men zou kunnen zeggen, zonder de minste vrees voor overdrijving, dat er geen verschrikkelijkere misdaad is gepleegd in de geschiedenis van de wereld. Dit is een misdrijf met bijzonder lang voorbedachte rade. Het was een lang doordacht, bewust beleid voor de vernietiging en uitroeiing van het bestaan van de Armeniërs in Turkije. Het werd systematisch uitgevoerd. Het werd vanuit de regering bevolen".

Winston Churchill - "In 1915 is de Turkse regering begonnen met en heeft het meedogenloos bevolen tot het beruchte algemene bloedbad en de deportatie van Armeniërs in Klein-Azië. Er is geen twijfel over mogelijk dat deze misdaad werd gepland en uitgevoerd om politieke redenen".


Amerikaanse Citaten:

Henry Morgenthau Sr: 1 jan 1919 - "Toen de Turkse autoriteiten de orders voor deze deportaties gaven, gaven zij eigenlijk het doodvonnis voor een heel ras. Ze begrepen dit goed en in hun gesprekken met mij maakten ze geen enkele poging om dit feit te verbergen. Ik ben ervan overtuigd dat er in de hele geschiedenis van de mensheid niet zo'n gruwelijk hoofdstuk als deze is. De grote bloedbaden en vervolgingen van het verleden lijken bijna verwaarloosbaar in vergelijking met het lijden van het Armeense volk in 1915".

Ronald Reagan: 22 apr 1981 - "Net als de genocide op de Armeniërs daarvoor, en de genocide van de Cambodjanen daarna, mogen we de lessen van de Holocaust nooit vergeten".


Russische Citaten:

S.D. Sazonov - "Ik heb al eerder geschreven over het ongekende lijden van deze ongelukkige natie. Onder de gunstige heerschappij van het geallieerde Duitsland waren de Turken blijkbaar van plan om hun jarenlange droom te vervullen om de Armeniërs uit te roeien die zich niet onderwierpen aan de invloed van de moslims en zo de belemmering vormden voor de plannen van Duitsland om het Turkse Rijk economisch en politiek te onderwerpen".

Diplomaat Smirnov uit Cairo: 25 juni 1915 - "Er worden herhaaldelijk, voortdurend wreedheden begaan tegen de Armeniërs in Syrië en aangrenzende dorpjes: schendingen van mensenrechten, bloedbaden en heel vaak massale slachting van de bevolking van de Armeense dorpen; gezinnen zijn wreed gescheiden, vrouwen zijn gescheiden van echtgenoten, kinderen gescheiden van hun ouders, en allen van hen zijn verbannen in verschillende richtingen. Vooral de Armeense geestelijken zijn wreed vervolgd, de priesters worden achtervolgd, gemarteld, hun nagels worden uitgetrokken".


Israëlische Citaten:

Yossi Beilin: 27 apr 1994 - "Het was geen oorlog. Het was zeer zeker een bloedbad en genocide, iets wat de wereld niet moet vergeten. [...] We zullen altijd elke poging om deze geschiedenis uit te wissen, zelfs als die politiek voordelig is, tegenhouden".


Andere Citaten:

Valery Brusov: 1916 - "De Turken gingen door met hun vorige beleid. Ze zouden niet aarzelen om de massale en meest vreselijke slachtpartijen te begaan die zelfs Timur Lane niet zou durven begaan".

Prof. Stanley Cohen: 1 dec 1995 - "Het dichtstbijzijnde succesvolle voorbeeld (van collectieve ontkenning) in de moderne tijd is de al 80 jaar durende officiële ontkenning door de opeenvolgende Turkse regeringen van de genocide tegen de Armeniërs in 1915-17, waarbij 1,5 miljoen mensen hun leven verloren. Deze ontkenning wordt ondersteund door opzettelijke propaganda, leugens en doofpotten, het vervalsen van documenten, onderdrukken van archieven, en het omkopen van wetenschappers".

Prof. Colin Tatz: 1 jan 1996 - "De Turkse ontkenning (van de Armeense genocide) is waarschijnlijk het belangrijkste voorbeeld van historische perversie. Met een mix van academische verfijning en diplomatieke gewelddadigheid waaraan wij van de Macquarie University zijn onderworpen, hebben de Turken zowel het menselijk geheugen als de geschiedenis proberen te wissen".

Orhan Pamuk: feb 2005 - "Één miljoen Armeniërs werden gedood in deze landen en niemand behalve ik durft erover te praten".

Diplomaat Adam Schiff: 2007 - "De erfenis van de Armeense genocide is verweven in de stof van Amerika. Dus laten we genocide dan ook genocide noemen. Laten we niet de doelbewuste moord op 1,5 miljoen mensen minimaliseren. Laten wij een morele overwinning hebben die als een lichtend voorbeeld voor alle volken kan schijnen".


De moslimwereld, net als de VS en Engeland, erkent deze gruweldaden niet als genocide

Hoewel er veel academische erkenning van de Armeense genocide is, wordt dit lang niet altijd opgepikt door overheden en de media.

Ondanks Turkse ontkenningen en chantage wordt de Armeense genocide unaniem bevestigd door de International Association of Genocide Scholars en aanvaard door elk land dat morele verantwoordelijkheid belangrijker vindt dan politiek gewin.

Zelfs vandaag de dag hebben de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Turkije en de rest van de islamitische wereld geweigerd om de Armeense genocide te erkennen.

Uiteraard zullen moslimlanden zelden kleinschalige of door de staat opgelegde jihad veroordelen, maar het is heel duidelijk wat voor soort nobelheid, loyaliteit en ethiek de Britse en Amerikaanse regering waarderen en continu hebben gewaardeerd gedurende de 19e eeuw (namelijk alleen die gedreven door eigenbelang).

Het moet echter worden opgemerkt dat het Amerikaanse volk via hun vertegenwoordigers op het niveau van de staat wel veel meer moeite hebben gedaan om dit te veroordelen als genocide (40 van de 50 staten).


Griekse jihadistische genocide 1914-1923

In de jaren 1914-1923 was de aandacht van de internationale gemeenschap gericht op de onrust en nasleep van de Eerste Wereldoorlog, terwijl de inheemse Griekse minderheid van het Ottomaanse Rijk, de voorloper van de Republiek Turkije, werd onderworpen aan een centraal georganiseerd, al lang uitgedokterd en systematisch overheidsbeleid van vernietiging. Deze genocide, georkestreerd om een onomkeerbaar einde te maken aan het bestaan van de hele Griekse bevolking van Turkije, werd uitgevoerd door twee opeenvolgende regeringen; het Comité voor Eenheid en Vooruitgang, beter bekend als de Jonge Turken, en de nationalistische Kemalisten onder leiding van Mustafa Kemal 'Atatürk'. [Er volgde] een dodelijke combinatie van interne deportaties met dodenmarsen, gedwongen bekeringen tot de islam, marteling, verminking, verkrachting, slavernij en moordpartijen uitgevoerd door Ottomaans Turkije, [wat] resulteerde in de dood van een miljoen Ottomaanse Grieken. De International Association of Genocide Scholars, een organisatie van 's werelds belangrijkste experts op het gebied van genocide, hebben de Ottomaanse Griekse genocide erkend.

Veel van de slachtoffers werden al in 1895 bij bosjes afgeslacht (veel eerder dan de Eerste Wereldoorlog) en tot 1955 (ver na de Tweede Wereldoorlog). De huidige schatting is dat er zo'n 1,4 miljoen Griekse kinderen, mannen en vrouwen van alle leeftijden werden gedood in die periode.

Op dezelfde plaatsen, en vaak op hetzelfde moment, martelden en doodden de Turken miljoenen Armeniërs en Assyriërs van alle leeftijden. Het feit dat de drie landen slachtoffers waren van hetzelfde jihadistische exterminatiebeleid is nog een ander bewijs voor elk van de drie Genocides. Het was geen 'oorlog', was het geen 'opstand'. Het was een gepland beleid van uitroeiing [1] [2].

Dr. William C. King's artikel "1.500.000 Greek Christians Massacred or Deported by Turks", gepubliceerd in King's Complete History of the World War (1922), gaat dieper in op de genocidale ervaringen van de Ottomaanse Grieken tot 1918.

Het artikel [3]:

1.500.000 Griekse Christenen Afgeslacht of Gedeporteerd door de Turken

Systematische Poging om het Griekse Ras te Elimineren Geïnspireerd door Heidens Duitsland

Onder de vleugel van heidens Duitsland hebben de onuitsprekelijke Turken geprobeerd om de grote en bloeiende Griekse christelijke bevolking te vernietigen die al sinds mensenheugenis langs de kust van Klein-Azië en de Marmoraanse kust in Thracië hebben gewoond.

De mohammedanen (moslims) sleepten deze christenen uit hun voorouderlijke huizen, namen al hun bezittingen in beslag, en deporteerden ze afwisselend naar het binnenland van Klein-Azië binnen de Turkse grenzen, of over het brandende woestijnzand naar het verre Mesopotamië. Er wordt geschat dat 1,5 miljoen Grieken zo werden gedeporteerd naar afgelegen streken, waar ze bij bosjes stierven van de honger en aan ziektes.

Op deze vreselijke tocht zijn er zeker 700.000 mensen omgekomen. De overlevenden bevonden zich zonder onderdak of voedsel in een vreemd land en waren onderworpen geweest aan elke vernedering en marteling die de afschuwelijke Turken, en hun heidense Duitse bondgenoten, konden bedenken. Die Grieken die ermee instemden het christendom af te zweren en te bekeren tot het geloof van de islam, werden gespaard [King's nadruk]; de rest werd overgelaten aan de hongerdood.

De grootschalige deportatie van de Grieken uit Thracië was al bezig sinds het einde van de Balkanoorlogen in 1913. Duitslands ideeën over de oosterse veroveringen strookten helemaal niet met een beleid om deze Grieken toe te staan in Europees Turkije te blijven. De Turken werden dan ook opgedragen om de Grieken uit te roeien op een manier die ze zelf mochten kiezen.

Ter rechtvaardiging van deze grootschalige deportaties beweerden de Turken ten onrechte dat de Helleense populaties van Thracië en de Aziatische kust een revolutie aan het beramen waren. De eerste deportaties, die 250.000 mensen omvatte, waren afkomstig van [gebieden] tussen Thracië en diep in Griekenland. Deze vervolging ging onverminderd door tot aan het begin van de Oorlog. In deze periode deed de Griekse regering er alles aan om hun onderdanen te beschermen, maar nadat de Tweede Wereldoorlog was begonnen belemmerden Koning Constantijn en zijn Duitse vrouw (de zus van keizer Wilhelm van Duitsland) elke poging om het lot van de verbannen Hellenen te verbeteren. De bisschop van Pera kreeg, nadat hij naar Athene was gereisd om de koning smeken om actie te ondernemen tegen de Turkse wreedheden, een waarschuwing van de koningin om terug te keren naar huis, "want het is de wil van de koning dat je op goede voet leeft met de Turken".

Intussen spoorden de Duitse instanties in Turkije, vooral de Duitse Palestina Bank, de moslims aan om haat te kweken tegen de christenen en geen commerciële omgang met hen te hebben.


Het Bulgaars-Ottomaanse (Turkse) Plot

Bulgarije, zelf half Turks, werd opgenomen in het plot om het Griekse christelijke ras uit te roeien toen ze in juni 1915 in Adrianopel een pact ondertekenden met het Ottomaanse Rijk. Onder deze overeenkomst stemde Bulgarije in met
(1) de oprichting van een Turks-Bulgaarse commerciële unie als toevoeging op de politieke unie,
(2) de volledige blokkering van de Griekse handel met het Oosten,
(3) de vestiging van islamitische bedrijven in het Oosten voor de invoer en de uitvoer van goederen voor het exclusieve gebruik van moslims; dat was bedoeld om alle commerciële relaties met de Grieken te breken,
(4) een beperking van de rechten van de Griekse patriarch en zijn kerkelijke jurisdictie,
(5) het verbod op het onderwijs van de Grieken in de toekomst,
(6) de gedwongen bekering van de mensen in de christelijke nederzettingen en het opleggen van gemengde huwelijken. [King's nadruk]


Duitsland is de Aanstichter van de Slachtingen

Herr Lepsius, een Duitse diplomaat die in juli 1915 naar Constantinopel was gestuurd op een speciale missie, erkende dat de Griekse en Armeense massamoorden twee fasen waren van hetzelfde programma van uitroeiing van christelijke elementen, bedoeld om Turkije een zuiver islamitische staat te maken.

Het werd in 1917 bekend dat Duitsland de aanstichter en de inspiratie was van deze slachtpartijen van christenen. De Griekse minister in Constantinopel, M. Kallerghis, had geprotesteerd bij de Turkse grootvizier, Mehmed Talaat, tegen de deportaties van de Grieken in het district Aival. Mehmed Talaat beloofde een telegram te sturen naar de Duitse generaal Liman von Sanders, om hem te vertellen om de deportaties te stoppen. Von Sanders, die in feite opperbevelhebber was van de Turkse strijdkrachten, antwoordde dat als hij de deportaties zou stoppen, hij de veiligheid van het Turkse leger niet zou kunnen garanderen, eraan toevoegend dat hij de klacht had doorgestuurd naar het Duitse hoofdkwartier, dat zijn actie volledig goedkeurde.


Grieken Ingelijfd bij het Turkse Leger

De vervolging van de Griekse christenen, onder hun Duits-Turkse meester, werd uitgevoerd met duivelse vindingrijkheid. Al hun privileges werden afgeschaft. Naast een inlijving van christenen bij het leger, was er een heffing van 'bijdragen'. Verder werd nog geprobeerd de christenen onder dwang te bekeren tot het islamisme. Deportaties en massamoorden volgden daarna. Inmiddels heeft de Turkse taal de Griekse taal verdrongen in alle scholen; Turkse geografie en geschiedenis werden onderwezen in plaats van Griekse, het patriarchaat werd afgeschaft. Alle goederen die aan de Griekse burgerlijke en religieuze gemeenschappen toebehoorden, werden in beslag genomen en werden het eigendom van de Turkse staat.

Toen Turkije zich bij de oorlog voegde werd er een overheidsbevel ondertekend en afgekondigd dat alle mensen tot de leeftijd van 48 jaar verplichtte zich te melden voor militaire dienst. De christenen die zo werden ingelijfd bij de legers van de Turken werden voor het grootste deel geconcentreerd in arbeidsbataljons en honderden kilometers ver weg gestuurd, naar het binnenland, waar ze wegen moesten aanleggen, gebouwen oprichten, tunnels graven en veldwerk doen voor de rijke pasja's. Hun dagelijkse rantsoen was een half zwart brood, aangevuld met een beetje gedroogde vis of olijven. Door het slavenwerk en ondervoeding stierven zij per tienduizenden. Hele bataljons bezweken aan de verwoestingen van tyfus en cholera. Vele duizenden werden afgeslacht door hun onmenselijke Turkse bewakers. In deze Griekse bataljons stierven naar schatting 150.000 mensen.


Noodlot van Gevangen Christenen

Enkele honderden duizenden Hellenen uit Thracië en Klein-Azië wisten te ontsnappen naar Griekenland, waar ze later in de Griekse legers vochten. Hun desertie was het startschot voor andere Turkse wreedheden. De eigendommen van alle deserteurs werden meteen in beslag genomen en hun gezinnen werden gedeporteerd naar het binnenland. In de wijk Kerassunda, waaruit 300 Grieken waren ontsnapt, hebben de Turken als vergelding 88 dorpen platgebrand. 30.000 inwoners, vooral vrouwen en kinderen, moesten midden in de winter naar Angora marcheren. Onderweg stierven er 7.000 van de kou.

Ondertussen werden de eigendommen van vele rijke christelijke beslag genomen, en winkels werden volledig geplunderd. Christenen werden, naast de gebruikelijke zware belastingen, onder bedreiging van geweld en gevangenschap gedwongen om grote sommen af te dragen voor de ondersteuning van het Turkse leger en de marine.

Tot slot werden de christenen volgens een systeem van dwangarbeid verplicht om de landen van de moslims te bewerken, zodat er geen tijd was om hun eigen velden te bewerken. Als [de Turken] ontdekten dat ze hun eigen oogst aan het binnenhalen waren, zou een cordon soldaten rond het dorp worden geplaatst, de watertoevoer worden afgesneden en de mensen beroofd van eten en drinken.

Na een paar dagen van zulke marteling werd een groep van Bashi-Bazouks de dorpen in gestuurd om te plunderen en moorden. De populaties kregen de keuze tussen over de bergen heen te worden gedeporteerd naar plaatsen honderden kilometers ver weg, of een langzame dood te sterven van honger en dorst. Deze deportaties, die begonnen in 1915, omvatten een totaal van 450.000 mensen in de periode van de oorlog.

Tijdens deze tragische bedevaarten liepen de arme Grieken op blote voeten, geslagen door bewakers, aangevallen door rovers, nooit toegestaan te rusten, zonder genoeg voedsel en water, naar hun verre bestemmingen. Duizenden stierven langs de kant van de weg uit vermoeidheid en lijden. Tijdens het transport bevielen vele moeders van hun baby's, maar ze werden gedwongen om die langs de kant van de weg te laten liggen en weer terug in de rij te gaan lopen. Onderweg werden ze verboden om de dorpen in te gaan om voedsel te kopen.

Honderden jonge meisjes werden aangehouden door de Turken en onder dwang 'bekeerd' tot het islamisme. Op Panderma bouwde de Duitse generaal Liman von Sanders een weeshuis voor alle christelijke meisjes die waren gedwongen de islam te aanvaarden, en dwong de christelijke bevolking om 50.000 te doneren om die te onderhouden. [King's nadruk]


De Kolonies aan de Zwarte Zee

De Griekse kolonisten aan de kust van de Zwarte Zee werden eveneens gedeporteerd. De beul van de Grieken in dit gebied was de latere gouverneur van Bitlis, Rafet Pasha. Meer dan 150.000 Grieken werden gedeporteerd in deze regio en in Trebizonde, en meer dan 100 Griekse dorpen werden vernietigd. Honderden jonge Griekse meisjes pleegden zelfmoord door verdrinking zodat ze niet zouden hoeven leven als slaven in de harems. [King's nadruk]


Het Bevel voor Griekse Deportaties

De gouverneur van Smyrna kreeg het bevel tot deportatie, ondertekend door Ali Riga, de leider van het Turkse bureau van correspondentie, en het luidde als volgt:

Het is om politieke redenen noodzakelijk dat de Grieken die wonen langs de kust van Klein-Azië worden gedwongen hun dorpen te verlaten om zich te vestigen in de dorpen Erzerum en Chaldea. Als ze weigeren om te emigreren naar de aangegeven plaatsen, moet u mondelinge instructies geven aan onze moslimbroeders dat zij de Grieken met allerlei geweldsdaden moeten dwingen om hun huizen uit eigen beweging te verlaten. Vergeet in dit geval niet om deze emigranten verklaringen te laten tekenen dat ze huis en haard vrijwillig hebben verlaten, zodat er later geen politieke complicaties daaruit voort kunnen vloeien.

Het Martelaarschap van de Grieken

De helft van de gedeporteerde Griekse populaties zijn omgekomen als gevolg van mishandeling, ziekte en hongersnood, en de overlevenden leden voortdurende martelaarschap als slaven. De Turkse functionarissen verklaarden, met Duitse goedkeuring, dat geen enkele christen in leven moest worden gelaten in Turkije, tenzij hij instemde het mohammedanisme te omarmen.

De in beslag genomen weelde van de gedeporteerde Grieken bedroeg meer dan 1 miljard dollar (1.000.000.000).



Politieke erkenning

Er is weinig politieke erkenning dat deze gebeurtenissen genocide zijn; de enige landen die ze officieel als zodanig erkennen zijn Griekenland en Cyprus.


Bronnen:
1. https://en.wikipedia.org/wiki/Pontic_Greek_genocide
2. http://www.hellenicgenocide.org/index.html
3. King, William C. Complete History of the World War: Visualizing the Great Conflict in all Theaters of Aciton 1914-1918. Massachusetts: The History Associates, 1922. p 436-438. Online beschikbaar op:http://www.greek-genocide.org/article_1500000_greek_christians.html


Assyrische jihadistische genocide (1914-1920)

De Assyrische genocide (ook bekend als Sayfo, Turks: Suryani Soykirimi) is aan het einde van de Eerste Wereldoorlog door de leiding van de Jonge Turken partij gepleegd tegen de Assyrische en Syrische christenen van het Ottomaanse Rijk. De Assyrische bevolking van Noord-Mesopotamië (Tur Abdin, Hakkari, Van, de regio Siirt in het hedendaagse Zuidoost-Turkije en de regio Urmia in het noordwesten van Iran) werd tussen 1914 en 1920 gedwongen verhuisd en afgeslacht door Ottomaanse (Turkse en Koerdische) legermachten onder het regime van de Jonge Turken.

Geleerden hebben het aantal Assyrische slachtoffers geschat op 500.000 tot 750.000 (75% van de bevolking) [1] [2] [3] [4].


Bloedbad van Khoi (Ooggetuigeverklaring)

In het begin van 1918 begonnen vele Assyriërs het huidige Turkije te ontvluchten. Mar Shimon Benyamin had geregeld dat ongeveer 3.500 Assyriërs in de wijk Khoi zouden komen wonen. Niet lang daarna slachtten de Koerdisch troepen van het Ottomaanse leger de bevolking bijna geheel af. Een van de weinigen die overleefden was dominee John Eshoo. Na zijn ontsnapping verklaarde hij [7]:

U heeft ongetwijfeld gehoord van de Assyrische slachting in Khoi, maar ik ben er zeker van dat u de details niet kent.

Deze Assyriërs werden bijeengeroepen op een overnachtingsplaats voor karavanen, en doodgeschoten met geweren en revolvers. Bloed stroomde letterlijk in kleine stroompjes, en de hele open ruimte binnen de karavanserie werd een poel van karmozijnrode vloeistof. De plaats was te klein om alle levende slachtoffers die nog op hun executie wachtten bijeen te houden. Ze werden in groepen aangeleverd, en elke nieuwe groep werd gedwongen om op de hoop van de nog bloedende lijven te gaan staan, en werden daar doodgeschoten. Deze angstige plaats werd letterlijk een menselijk slachthuis, het ontving van haar sprakeloze slachtoffers voor de executie in groepen van tien en twintig per keer.

Tegelijkertijd werden de Assyriërs die in de buitenwijk van de stad woonden bij elkaar gebracht en naar de ruime binnenplaats van een huis gedreven. [...] De Assyrische vluchtelingen werden acht dagen onder bewaking gehouden, zonder iets te eten. Eindelijk werden ze vanuit hun plaats van opsluiting meegenomen naar een plek voorbereid voor hun brute moord. Deze hulpeloos Assyriërs marcheerden als lammeren naar de slachtbank, en ze open hun mond niet, behalve in hun uitspraken: "Heer, wij leggen onze ziel in Uw handen".

[...] De beulen begon door eerst de vingers van hun slachtoffers af te snijden, kootje voor kootje, tot de twee handen volledig werden geamputeerd. Daarna werden ze uitgestrekt op de grond, zoals hoe dieren worden gedood tijdens het slachten, maar deze werden met hun gezicht naar boven gelegd, en hun hoofden rustten op stenen of blokken hout. Toen werden hun kelen doorgesneden, zodat de martelingen van het sterven werden verlengd, en terwijl ze worstelden in de lijdensweg naar de dood werden de slachtoffers geschopt en doodgeknuppeld met zware stokken die de moordenaars droegen. Velen van hen, die nog doodspijnen leden, werden in geulen gegooid en begraven nog voor hun ziel was heengegaan.

De jonge mannen en de weerbare mannen werden gescheiden van de zeer jonge en de oude. Ze werden op enige afstand van de stad gebracht en door de schutters gebruikt als doelwitten. Ze zijn allemaal gesneuveld, slechts een paar waren niet dodelijk gewond. Een van de leiders ging naar de afvalbergen van de gevallenen en schreeuwde luid, zwerend bij de namen van de islamitische profeten, dat zij die geen dodelijke wonden hadden moesten opstaan en vertrekken, omdat zij niet verder verwond zouden worden. Een paar van hen trapten erin en stonden op, maar sneuvelden ditmaal door een extra salvo van de geweren van de moordenaars.

Sommige van de jongere en goed uitziende vrouwen, samen met een paar kleine meisjes van aantrekkelijk uiterlijk, smeekten om ook te worden gedood. Tegen hun wil werden ze in de islamitische harems gedwongen. Anderen werden het slachtoffer van zulke deze duivelse onteringen dat ik ze onmogelijk kan beschrijven. De dood kwam echter te hulp en redde hen van de schandelijke lusten van de demonen. Het dodental van de Assyriërs bedroeg in totaal 2770 mannen, vrouwen en kinderen.


Verklaring van de Duitse missionarissen op Urmia

Het laatste nieuws is dat in de laatste vijf maanden 4.000 Assyriërs en 100 Armeniërs bij de missiepost zijn gestorven alleen al van ziekte. Met twee of drie uitzonderingen zijn alle dorpen in de omgeving geplunderd en verbrand; 20.000 christenen zijn afgeslacht in Armenië en omstreken. In Haftewan, een dorp van Salmas, zijn er 750 onthoofde lijken uit alleen al de putten en reservoirs alleen gehaald. Waarom? Omdat de commandant een prijs had gezet op iedere christelijk hoofd. [...] In Dilman werden menigten van christenen in de gevangenis gegooid en gedwongen om de islam te aanvaarden. [6]

Erkenning

De genocide van Assyriërs wordt nog niet eens officieel erkend door ook maar één land. De enige logische reden is dat de meeste landen niet willen dat hun handelsbetrekkingen met Turkije gevaar lopen.

Ter illustratie: In juni 2008 kwamen Yilmaz Kerimo en Ibrahim Baylan, beiden van de Zweedse Sociaal-Democratische Partij, met een wetsvoorstel aan het Zweedse parlement voor de erkenning van de genocide. Het parlement stemde overweldigend tegen: 37 voor en 245 tegen.


Bronnen:
https://en.wikipedia.org/wiki/Assyrian_Genocide

1. Congres van Verenigde Staten. "The Plight of Religious Minorities: Can Religious Pluralism Survive?". Lezing voor het Subcommittee on Africa, Global Human Rights, and International Operations van het Committee on International Relations voor het House of Representatives. 30 Juni 2006. p 51.
2. Richard Hovannisian. The Armenian Genocide: Wartime Radicalisation Or Premeditated Continuum. p 272.
3. Thea Halo. Not Even My Name: A True Story. p 131.
4. Agnes G. Korbani. The Political Dictionary of Modern Middle East.
6. Abraham Yohannan. The Death of a Nation: Or, The Ever Persecuted Nestorians Or Assyrian Christians. GP Putnam's Sons, 1916. p 1206-1207.
7. Joel Euel Werda. The Flickering Light of Asia: Or, the Assyrian Nation and Church. H 26.


Assyrische genocide in Irak (in 1933)

Het bloedbad van de christelijke Assyrische dorpsbewoners in de stad Simmele, Noord-Irak, en de omgeving was [het tweede bloedbad] [8]. Van 8 tot 11 augustus 1933 heeft het Irakese leger, onder leiding van de Koerdische Bakir Sidqi, 3000 mannen, vrouwen en kinderen gedood in het dorp Simmele en omstreken. Dit was een van de eerste daden van het nieuwe Irak, dat in 1932 zijn onafhankelijkheid had gekregen van de Britten.

Het was dit bloedbad van Simmele dat Raphael Lemkin, de auteur van het VN-Verdrag van Genocide, geïnspireerd heeft om de term 'genocide' te ontwikkelen [9].


Assyrisch bloedbad (in 1829 in Irak en Syrië)

In oktober 1829 begon de Koerdische leider Rwandez een pogrom tegen de Assyriërs van de Syrisch-orthodoxe Kerk in Noord-Irak en Syrië. Het eerste dorp dat werd aangevallen was Bit-Zabda, waar 200 mensen werden gedood. Vervolgens bestormden de Koerden het dorp Asfas, doodden eerst de leider, de diaken Rais Arabo en pastoor Aziz. Tachtig kinderen die op de vlucht waren naar een nabijgelegen vallei werden aangevallen en vermoord door de achtervolgende Koerden. De jonge meisjes van het dorp werden uitgekleed. De meisjes werden tot slaaf gemaakt, terwijl de anderen ter plekke werden doodgeschoten. De aanvallers vertrokken vervolgens naar Nisibin, op de grens van Turkije en Syrië, en herhaalden soortgelijke gruweldaden [10].


Assyrisch bloedbad (in 1842 in Turkije)

In 1842 kwam een Koerdische amir [legerleider] uit Hakkari (zuidoosten van Turkije), samen met andere Koerdische troepen onder leiding van Nurallah, aan Badr Khan Beg om de Assyriërs aan te vallen, met de bedoeling om te verbranden, te doden, te vernietigen, en, indien mogelijk, alle Assyriërs in de bergen uit te roeien. De Koerden vernietigden en verbrandden al wat binnen hun bereik kwam. Er vond een willekeurige slachting plaats. De vrouwen werden bij de amir gebracht en in koelen bloede vermoord. De oude moeder van Mar Shimun, de patriarch van de Kerk van het Oosten, werd door hen gevangen genomen, en nadat ze de meest afschuwelijke wreedheden op haar hadden uitgevoerd, sneden ze haar lichaam in twee delen, wierpen die in de rivier Zab en riepen uit: "gaat heen en brengt uw vervloekte zoon de boodschap dat hem hetzelfde lot te wachten staat". Bijna 10.000 Assyriërs werden afgeslacht, en een net zo groot aantal vrouwen en kinderen werden gevangen genomen, van wie de meesten naar Jezirah werden vervoerd om verkocht te worden als slaven, geschonken te worden als cadeautjes voor de invloedrijke moslims [11].

30 gedocumenteerde genocides van de christelijke Assyriërs sinds jaar 630 na Christus

Sinds 630 na Christus, de komst van de islam, hebben Assyriërs 30 genocides geleden door de moslims. Tussen het jaar 661 (de eerste genocide) en 2007 liggen 30 keer 45 jaar - [om de 45 jaar was er weer] een Assyrische genocide. Gemiddeld heeft elke tweede generatie Assyriërs geleden onder genocide [12].

Daarnaast zijn er waarschijnlijk honderden gevallen van massale moordpartijen en honderdduizenden moorden.


Bronnen:
8. "The Simmele Massacre", http://www.aina.org/releases/20040805022140.htm
9. "1933 Assyrian Genocide in Iraq Inspired the Word 'Genocide'". http://www.aina.org/news/20070115185021.htm.
10. Diaken Asman Alkass Gorgis. Jirah Fi Tarikh Al-syrian. Vertaald door Subhi Younan. 1980. p 14.
11. Abraham Yohannan. The Death of a Nation: Or, The Ever Persecuted Nestorians Or Assyrian Christians. G.P. Putnam's Sons, 1916. p 111-112. Online beschikbaar via: http://www.aina.org/reports/ig.pdf
12. "Genocides against the Assyrian Nation". http://www.aina.org




1.18 Turkije: Terug Naar Het Verleden?

Door Andrew G. Bostom

Brontekst: http://www.americanthinker.com/2005/10/turkey_back_to_the_future.html

De Turken bestormen nog een keer het hart van Europa. Dit keer is het niet door het zwaard, maar eerder door zich bij de Europese Unie (EU) aan proberen te sluiten. Als ze eenmaal binnen de poorten zijn, zullen zij toegang krijgen tot de grote steden, de rijkdom en de macht van hun oude rivalen. En wat nu de weg baant voor het verwelkomen van die voormalige mogelijke veroveraar binnen een Europa zonder grenzen is het valse geloof dat het Ottomaanse Turkije een tolerante multiculturele beschaving is. Niets is minder waar.

Onlangs schreef veiligheidsanalist Frank Gaffney een moedig essay, opgenomen in The Washington Times, waarin hij er op aandringt dat men het Turkse verzoek om lidmaatschap van de EU moet afwijzen. Gaffney wees op de religieuze opleving onder het huidige regime van Erdogan, gebaseerd op de islamitische shari'a, [en dat was] de hoeksteen was van zijn overtuigende argument. Ondanks Gaffney's terechte zorgen over de huidige regering-Erdogan herhaalt hij een gemeenschappelijke, politiek correcte gedachte die het directe verband negeert tussen de ideologie van Erdogan, en de doelstellingen en het gedrag van Erdogans Ottomaanse voorouders. Het is historisch onjuist om te spreken van 'Ottomaanse tolerantie' als onafhankelijk van Erdogans 'islamisme', omdat het Ottomaanse Rijk is uitgebreid door drie eeuwen aan verwoestende jihad te voeren, en het slordige concept van Ottomaanse tolerantie was, in werkelijkheid, door Ottomanen opgelegde dhimmitude onder de sharia.

Aangezien er op dit moment formele discussies aan de gang zijn over de mogelijke toetreding tot de EU van Turkije, zal dit driedelige essay ingaan op een aantal relevante historische verschijnselen:
1) jihad en dhimmitude onder de Ottomanen, met de nadruk op vooral Klein-Azië en Oost-Europa;
2) het falen van de zogenaamde Ottomaanse Tanzimathervormingen om het systeem van dhimmitude af te schaffen
3) de ontbinding van deze sharia-staat waarvan de bloedige, krampachtige instorting tijdens de Eerste Wereldoorlog gepaard ging met een openhartige jihadistische volkenmoord van de Ottomaanse bevolking dhimmi's die ooit als het meest trouw aan het Rijk beschouwd werden: namelijk de Armeniërs.
Ik denk dat zo'n analyse op het juiste moment komt, gezien een conferentie van de Verenigde Naties in december 2004, die 'Ottomaanse tolerantie' verheerlijkt als een rolmodel, "om zelfs vandaag de dag nog aan te passen" [nadruk toegevoegd], en gezien Gaffney's herhaling van deze diep gebrekkige misvatting ondanks zijn eigen dappere verzet tegen toetreding van Turkije tot de EU.


Deel 1 - Jihadistische strijdtochten van de Seltsjoeken en Ottomanen

De historicus Michael de Syriër (Jacobische patriarch van Antiochië 1166/99 n Chr) maakte in zijn Chronique, die eerdere eigentijdse bronnen herhaalde, ook belangrijke observaties met betrekking tot gebeurtenissen die vanaf 1120 begonnen. Hij schreef over "[h]et begin van de uittocht van de Turken naar [...] Syrië en de kust van Palestina, [waar ze] alle landen onderwierpen door wrede verwoesting en plundering" [1]. Vervolgens "mengden Turken en Arabieren zich samen als één volk. [...] Dat was de heerschappij van de Turken te midden van de Arabieren" [2].

[Bat Ye'or schreef] een uitbreiding op dit eigentijdse verslag en het brede scala aan andere primaire bronnen - Arabisch, Turks, Grieks, Latijn, Servisch, Bulgaars, en Hongaars [3]. Bat Ye'or concludeert [4]

De twee golven van de islamitische expansie, de Arabische uit de 7e eeuw, en de Turkse vier eeuwen later, zijn opvallend vergelijkbaar. [...] De grote Arabische en Turkse veroveraars gebruikten dezelfde militaire tactieken en hetzelfde beleid om islamitische macht te versterken. Deze continuïteit was het gevolg van het feit dat de veroveringen plaatsvonden in het kader van de gemeenschappelijke ideologie van de jihad, en van het administratieve en juridische apparaat van de shari'a - een uniformiteit die de tijd trotseert, omdat het zich aanpast aan diverse landen en volken, geïntegreerd in de interne samenhang van een politieke theologie. In de loop van hun militaire operaties dwongen de Turken de veroverde volkeren om de regels van de jihad te volgen, die vier eeuwen eerder door de Arabieren was gestructureerd en vastgelegd in islamitische religieuze wet.

De Seltsjoekse en Ottomaanse jihadistische veldtochten werden aangevoerd door 'ghazi'-bewegingen (van het woord ghazwa of 'razzia'), de 'Heilige Strijders', samengebracht onder de vlag van de islam om ongelovigen te bestrijden en buit te veroveren. Wittek [5] en Vryonis [6] hebben erop gewezen hoe belangrijk deze beweging was bij de Seltsjoeken, namelijk in het meest kritieke grensgebied van de islam in de 11e en 12e eeuw: Oost-Anatolië. Vryonis zegt:

Toen de Arabische reiziger al-Harawi deze grensregio's doorliep in de tweede helft van de 12e eeuw, merkte hij een heiligdom op op de Byzantijnse-Turkse grens (bij Afyon-Karahisar), die naar men zegt het graf was van de moslim martelaar Abu Muhammd al-Battal, en [zag hij ook] de graven in Amorium van zij die waren gestorven in 838 tijdens de beroemde belegering van de stad. Deze vormen fascinerende getuigenis van het feit dat de traditie van de ghazi en jihad nauw met elkaar verweven waren in de nomadische samenleving van Phrygië. Niet alleen was er sprake van een nomadische invasie, maar ook van een epische samenleving in haar heroïsche tijdperk, en het is uit dit milieu dat de Turkse heldendichten werden gevormd: de Battalname, de Danishmendname, en de Dusturname. [7]

Wittek verwijst daarbij naar de oudst bekende Ottomaanse bron, de in poëzie geschreven kroniek van Ahmedi, en stelt dat de 14e-eeuwse Ottomanen ook geloofden dat zij

een gemeenschap van ghazis waren, van voorvechters van de mohammedaanse godsdienst, een gemeenschap van de islamitische krijgers, toegewijd aan de strijd tegen de ongelovigen in hun buurt. [8]

De hedendaagse Turkse geleerde van de Ottomaanse geschiedenis, Halil Inalcik, benadrukte ook het belang van islamitische religieus fanatisme - uitgedrukt door middel van jihad - als belangrijkste motivatie voor de veroveringen van de Ottomaanse Turken:

Het ideaal van gaza, Heilige Oorlog, was een belangrijke factor in de oprichting en ontwikkeling van de Ottomaanse staat. Gemeenschappen in de koninkrijkjes aan de grens volgden een bepaald cultureel patroon doordrongen met het ideaal van voortdurende Heilige Oorlog en voortdurende uitbreiding van de Dar-al-Islam - het rijk van de islam - , totdat zij de hele wereld zouden beheersen. [9]

Deze ghazis, opgehitst door vrome moslimtheologen, waren de voorhoede van zowel de Seltsjoeken als de Ottomaanse jihad veroveringen. Vacalopoulos benadrukt de rol van deze 'derwisjen' tijdens de Ottomaanse campagnes:

fanatieke derwisjen en andere vrome moslimleiders werkten voortdurend aan de verspreiding van de islam. Ze hadden dat al gedaan vanaf het eerste begin van de Ottomaanse staat en hadden een belangrijke rol gespeeld in de vereniging en uitbreiding van de islam. Deze derwisjen waren bijzonder actief in de onbewoonde grensgebieden van het oosten. Hier zijn ze neergestreken met hun familie, trokken andere kolonisten aan, en werd daarmee feitelijk de oprichters van geheel nieuwe dorpen, waarvan de bewoners steevast dezelfde mate van diep religieus fanatisme vertoonden. Vanuit plaatsen zoals deze konden de derwisjen of hun strijders komen deelnemen aan de nieuwe militaire ondernemingen voor de uitbreiding van de islamitische staat. In ruil daarvoor gaf de staat hen land en privileges onder een gulle voorwaarde die alleen vereist dat de grond bebouwd zou worden en ze contact bleven houden. [10]

Vryonis en Vacalopoulos geven korte overzichten van de Seltsjoekse en Ottomaanse jihadistische veldtochten die uiteindelijk Klein-Azië islamiseerden. Allereerst de droge, klinische beoordeling van Vryonis:

De verovering, of moet ik zeggen de veroveringen van Klein-Azië waren een periode van vier eeuwen aan de gang. Dus de christelijke samenlevingen van Klein-Azië werden onderworpen aan uitgebreide perioden van intense oorlogsvoering, invallen, en verwoestingen die het bestaan van de christelijke kerk ondermijnden. Uit bronnen van de eerste eeuw van de Turkse veroveringen en invasies, die in het midden van 11e tot het einde van de 12e eeuw, blijkt dat ongeveer 63 steden en dorpen werden vernietigd. De inwoners van andere steden en dorpen werden tot slaaf gemaakt en afgevoerd naar de islamitische slavenmarkten. [11]

Vacalopoulos beschrijft de veroveringen in meer levendig detail:

Aan het begin van de 11e eeuw drongen de Seltsjoeken Armenië binnen en verpletterden daar de legers van verschillende kleine Armeense staten. Niet minder dan veertig duizend mensen vluchtten voor de georganiseerde plundering van de Seltsjoeken naar het westelijke deel van Klein-Azië. [...] Vanaf het midden van de 11e eeuw, en vooral na de slag van Malazgirt [Manzikurt] (in 1071), verspreidden de Seltsjoeken zich over het hele schiereiland van Klein-Azië, en lieten angst, paniek en verwoesting achter. Byzantijnse, Turkse en andere hedendaagse bronnen zijn het allemaal eens over hoe groot de aangerichte ravage en de aanhoudende angst van de lokale bevolking waren. [...] Het bewijs dat we hebben toont aan dat de Helleense bevolking van Klein-Azië, wiens kracht al zo lang het Rijk had verdragen en waarvan men kan zeggen dat het diens grootste kracht was, zo snel bezweek onder de Turkse druk in de 14e eeuw dat [de Hellenen] nog slechts enkele beperkte gebieden over hadden. Tegen die tijd werd Klein-Azië reeds Turkije genoemd. [...] Één voor één kwamen bisdommen en stedelijke parochies die ooit gonsden van de christelijke vitaliteit leeg te staan, en kerkelijke gebouwen werden tot ruïnes. De stedelijke parochie van Chalcedon, bijvoorbeeld, verdween in de 14e eeuw, en die van Laodicea, Kotyaeon (nu Kutahya) en Synada in de 15e.

[...] Met de uitroeiing van de lokale bevolking of hun vlucht van tevoren raakten hele dorpen, steden, en soms hele provincies in verval. Er waren enkele vruchtbare districten, zoals de vallei van de rivier de Maeander, die ooit gevuld waren met duizenden schapen en runderen, die werden verwoest en daarna op geen enkele manier meer bruikbaar waren. Andere districten werden letterlijk verwilderd. Ondoordringbare begroeiing ontstond op plaatsen waar eens weelderige akkers en weilanden waren geweest. Dit is wat er bijvoorbeeld gebeurde met de provincie Sangarius die Michael VIII Palaeologus voorheen bekend was als een welvarend akkerland, maar waarvan de uiterste verlatenheid hem later in uiterste wanhoop liet.

[...] Het bergachtige gebied tussen Nicaea en Nicomedia, tegenover Constantinopel, dat ooit bespikkeld was met kastelen, steden en dorpen, was leeg. Een paar steden ontsnapten aan de totale vernietiging - Laodicea, Ikonium, Bursa (toen Prusa), en Sinope, bijvoorbeeld, maar de omvang van de verwoesting elders was zodanig dat het de komende jaren een diepe indruk maakte op de bezoekers. Het lot van Antiochië biedt een grafische weergave van de aard van de ravage aangericht door de Turkse bezetters: in 1432 konden nog slechts driehonderd woningen worden geteld binnen de muren, en zijn voornamelijk Turkse of Arabische inwoners leefden van het fokken van kamelen, geiten, runderen, en schapen. Andere steden in het zuidoostelijke deel van Klein-Azië vielen in soortgelijke verval. [12]

De islamisering van Klein-Azië werd aangevuld met gelijktijdige en latere Ottomaanse jihadistische veldtochten in de Balkan [13]. Vanaf 1326 na Christus gingen de emirs van Klein-Azië jaarlijks op plundertochten door zuidelijk Thracië, het zuiden van Macedonië, en de kustgebieden van Zuid-Griekenland. Rond 1360 na Christus voerden de Ottomanen, onder Suleiman (zoon van Sultan Orchan), en later Sultan Murad I (1359-1389), grootschalige tochten van jihadistische verovering, met inname en bezetting van een reeks steden en dorpen in Byzantijnse gebieden en Bulgaarse Thracië. Na de slag van Cernomen (26 september 1371) braken de Ottomanen door naar het Westen, bezetten binnen 15 jaar een groot aantal steden in het westen van Bulgarije, en in Macedonië. Ottomaanse invasies in deze periode kwamen ook voor in de Peloponnesus, Midden-Griekenland, Epirus, Thessalië, Albanië en Montenegro. Tegen 1388 was het grootste deel van Noordoost-Bulgarije veroverd, en na de slag van Kosovo (in 1389) kwam Servië onder Ottomaanse heerschappij. Vacalopoulos stelt dat moorddadige strijd, alsmede sociale en politieke onrust, voorkwam dat de bevolking van de Balkan - Grieken, Bulgaren, Albanezen, Serviërs en - zich konden verenigen tegen de gemeenschappelijke Ottomaanse vijand, en dat werd dus hun ondergang. Sterker nog, merkt hij op:

Na de nederlaag van de Serviërs in Cirmen (of Cernomen), wat in de buurt ligt van de rivier de Hebrus, moesten Servië, Bulgarije, en het Byzantijnse Rijk vanaf 1371 jaarlijks geld afdragen aan het Ottomaanse Rijk en waren verplicht om te helpen in de Ottomaanse campagnes. [14]

Bayezid I (1389-1402) ging op verwoestende plundertochten in Bosnië, Hongarije en Walachije, en daarna weer naar het zuiden om Centraal-Griekenland en de Peloponnesos aan te vallen. Na een onderbreking tijdens hun strijd tegen de Mongoolse indringers vervolgden de Ottomanen opnieuw hun Balkan-offensief in 1421. Er waren succesvolle Ottomaanse plundertochten in de Peloponnesus, Servië en Hongarije, met als hoogtepunt de overwinning in de tweede Slag van Kosovo (1448). Nadat Mehmed II aan de macht was gekomen begonnen de Ottomanen hun definitieve verovering van het Balkan-schiereiland. Constantinopel werd ingenomen op 29 mei 1453, en dat betekende het einde van het Byzantijnse Rijk. Tegen 1460 hadden de Ottomanen zowel Servië als de Peloponnesus volledig overwonnen. Bosnië en Trebizonde vielen in 1463, gevolgd door Albanië in 1468. Met de verovering van Herzegovina in 1483 werden de Ottomanen heersers van de gehele Balkan.

Vacalopoulos, die commentaar geeft op de eerste Ottomaanse verovering in Thracië in het midden van de 14e eeuw, en Angelov, die een algehele evaluatie maakt en de latere campagnes van Murad II (1421-1451) en Mehmed II (1451-1481) eruit licht, verklaren [allebei] wat voor invloed de Ottomaanse jihad had op de overwonnen bevolking van de Balkan:

Vanaf het allereerste begin van de Turkse aanval [in Thracië] onder Suleiman [zoon van Sultan Orchan] probeerden de Turken hun positie te versterken door gedwongen bekering tot de islam. Als we [de Ottomaanse historicus] Sukrullah mogen geloven, werden degenen die weigerden om het islamitische geloof aan te nemen afgeslacht en hun families tot slaaf gemaakt. "Waar er klokken waren", schrijft dezelfde auteur [dwz, Sukrullah], "maakte Suleiman ze stuk en wierp ze in het vuur. Waar er kerken waren vernietigde hij die of zette hij ze om in moskeeën. Dus in plaats van klokken waren er nu muezzins. Waar er nog christelijke ongelovigen over waren, werden hun heersers tot vazallen gemaakt. In ieder geval in het openbaar konden ze niet meer zeggen 'Kyrie eleison', maar wel 'Er is geen God dan Allah', en waar eens hun gebeden waren gericht aan Christus, waren ze nu aan 'Mohammed, de profeet van Allah' ". [15] De verovering van de Balkan, die de Turken in de loop van ongeveer twee eeuwen klaarspeelden, veroorzaakte de immense vernietiging van materiële goederen, talloze massamoorden, de slavernij en verbanning van een groot deel van de bevolking - kortom, een algemene en langdurige daling van productiviteit, net als in Klein-Azië gebeurde nadat het werd bezet door dezelfde invallers. Deze daling van de productiviteit is des te opvallender wanneer men bedenkt dat midden in de 14e eeuw, toen de Ottomanen een voet aan de grond kregen op het schiereiland, die staten die er al waren - Byzantium, Bulgarije en Servië - op economisch en cultureel gebied al vrij hoog ontwikkeld waren. De campagnes van Murad II (1421-1451) en in het bijzonder die van zijn opvolger, Mehmed II (1451-1481) waren van een bijzonder verwoestend karakter in Servië, Bosnië, Albanië en in het Byzantijnse koninkrijk van de Peloponnesus. Tijdens de campagne die de Turken lanceerden in Servië in 1455-1456 werden Belgrado, Novo-Bardo en andere steden voor een groot deel verwoest. De invasie van de Turken in Albanië in de zomer van 1459 veroorzaakte een enorme ravage. Volgens het verslag daarvan, geschreven door Kritobulos, vernietigden de indringers de hele oogst en maakten ze de versterkte steden die ze hadden ingenomen met de grond gelijk. Het land werd door verdere verwoesting getroffen in 1466 toen de Albanezen, na het bieden van heldhaftig verzet, zich moesten terugtrekken naar de meest ontoegankelijke gebieden, van waaruit ze verder streden. Ook werden er in 1463 veel steden verwoest tijdens de rooftocht in Bosnië onder leiding van Mehmed II - hieronder was ook Yaytzé, de hoofdstad van het Koninkrijk van Bosnië. [...] Maar het was de Peloponnesos dat de meeste last had van de Turkse invasies. Het werd in 1446 binnengevallen door de legers van Murad II, die een groot aantal plaatsen verwoestte en duizenden gevangenen meenam. Twaalf jaar later, in de zomer van 1458, werd het Balkan-schiereiland binnengedrongen door een enorm Turkse leger onder het bevel van Mehmed II en zijn eerste luitenant Mahmud Pasha. Na een strijd van vier maanden viel Korinthe in handen van de vijand. De muren werden gesloopt, en vele plaatsen die de sultan nutteloos vond werden vernietigd. Het werk van Kritobulos bevat een verslag van de Ottomaanse campagnes, die ons duidelijk de grote vernietiging toont die de indringers in deze regio's veroorzaakten. Twee jaar later bestormde een andere Turkse leger de Peloponnesus. Deze keer werden Gardiki en diverse andere plaatsen geruïneerd. Ten slotte werd in 1464, voor de derde keer, de destructieve woede van de indringers gericht op de Peloponnesus. Dat was toen de Ottomanen tegen de Venetianen vochten en de stad Argos tot op zijn grondvesten vernielden. [16]

Deel 2 - Ottomaanse dhimmitude

Bij het onderzoeken naar wat er terecht kwam van de niet-islamitische bevolkingsgroepen overwonnen door de Ottomaanse jihadistische veldtochten, is het zinvol om te beginnen met de joden, de kleinste bevolkingsgroep, waarvan algemeen geloofd wordt dat zij een heel positieve ervaring hadden. Joseph Hacker bestudeerde het lot van de joden tijdens hun eerste opname in het Ottomaanse Rijk in de 15e en 16e eeuw. Zijn onderzoek trok de onkritische opvatting in twijfel dat de, 'joodse ervaring' in het Ottomaanse Rijk van meet af aan 'rustig, vredig en vruchtbaar was' Hacker zegt:

Het lijkt mij dat deze aanvaarde mening van doorgaans goede banden tussen de Ottomanen en de joden in de 15e eeuw moeten worden gewijzigd nu we nieuw onderzoek en manuscripten als bronnen hebben. [17]

De joden, net als andere inwoners van het Byzantijnse Rijk, leden zwaar onder de Ottomaanse jihad-veroveringen en het beleid van kolonisatie en bevolkingsoverdracht (dat wil zeggen, het surgun-systeem). Dit verklaart de verdwijning van een aantal joodse gemeenschappen, met inbegrip van Thessaloniki, en hun herstichting door de Spaanse joodse immigranten. Hacker merkt, met name:

Wij beschikken over brieven geschreven over het lot van de joden die een of meerdere van de Ottomaanse veroveringen ondergingen. In een van de brieven die werden geschreven vóór 1470 staat er een beschrijving van het lot van zo'n jood en zijn gemeenschap, en volgens die beschrijving, geschreven in Rhodos en gestuurd naar Kreta, was het lot van de joden niet verschillend met dat van christenen. Velen werden gedood, anderen werden gevangen genomen, en de kinderen werden [tot slaaf gemaakt, gedwongen bekeerd tot de islam, en] in militaire dienst gebracht. [...] Sommige brieven beschrijven het transport van de gevangen joden naar Istanbul en zijn gevuld met anti-Ottomaanse sentimenten. Bovendien hebben we een beschrijving van het lot van een joodse arts en schrijver uit Veroia (Kara-Ferya) die vluchtte naar Negroponte toen zijn gemeenschap werd verbannen in 1455. Hij voorzag ons van een beschrijving van de verbanning en hun gedwongen trektocht naar Istanbul. Later vinden we hem in Istanbul zelf, en in een preek die hij daar in 1468 opvoerde uitte hij openlijk zijn anti-Ottomaanse gevoelens. We hebben ook enig bewijs dat de joden van Constantinopel leden onder de verovering van de stad en dat een aantal als slaven werden verkocht. [18]

Hacker trekt drie conclusies:
(i) In de eerste decennia na de val van Constantinopel waren er in sommige Byzantijnse joodse kringen sterke anti-Ottomaanse gevoelens. Deze gevoelens werden openlijk geuit door mensen die onder de Roomse heerschappij vielen en tot op zekere hoogte zelfs in Istanbul.
(ii) Het beleid van Mehmed II ten opzichte van niet-moslims heeft de aanzienlijke economische en sociale ontwikkeling van de joodse gemeenschappen in het rijk mogelijk gemaakt, en vooral in de hoofdstad - Istanbul. Deze gemeenschappen werden beschermd door hem tegen de haat van het volk, en in het bijzonder voor bloedvetes. Maar dit beleid niet werd voortgezet door Bayezid II en er zijn aanwijzingen dat de joden onder zijn bewind strenge beperkingen leden in hun religieuze leven.
(iii) Het vriendelijke beleid van Mehmed aan de ene kant, en de goede ontvangst van Spaanse joden door Bayezid II aan de andere kant, zorgen ervoor dat de joodse schrijvers van de 16e eeuw al waren vergeten wat voor vernietiging die Byzantijnse joden hadden geleden tijdens de Ottomaanse veroveringen en de latere uitbarstingen van onderdrukking onder zowel Bayezid II als Selim I.

Ivo Andric analyseerde de 'rayah' (dat betekent 'kudde', en 'een kudde laten grazen') en de dhimmi-wetten die view eeuwen lang werden opgelegd aan de inheemse christelijke bevolking van Bosnië [19]. Die inheemse christelijke inwoners die weigerden zich te bekeren tot de islam leefden onder de Ottomaanse Kanun-i-Rayah, wat slechts een herhaling was van de essentiële voorschriften van dhimmitude zoals oorspronkelijk geformuleerd door islamitische juristen en theologen in de 7de en 8ste eeuw na Christus [20]. Andric komt met

een schat aan onweerlegbaar bewijs dat de belangrijkste punten van de Kanun, die het diepste in het morele en economische leven van de christenen sneden, van kracht bleef tot aan het einde van de Turkse overheersing en zolang de Turken de macht hadden om die toe te passen ... [aldus] was het onvermijdelijk dat de rayah terugviel tot een status die economisch minderwaardig en afhankelijk was. [21]

Andric citeert een Bosnisch islamitisch spreekwoord, en een lied ter ere van Sultan Bayezid II, waarvan de gedeelde vooruitzichten de islamitische houding ten opzichte van de christelijke rayahs weerspiegelen:

[Spreekwoord:] "De rayah is als het gras,/Maai het zo veel als je wilt, en het groeit steeds weer opnieuw".

[Lied:] "Toen u eenmaal de horens van Bosnië had gebroken/maaide U neer wat niet gesnoeid wilde worden/zodat alleen het tuig achterbleef/Zodat er nog iemand nog zou overblijven om ons te dienen en verdriet te hebben voor het kruis". [22]

Deze heersende discriminerende voorwaarden werden verergerd doordat Bosnië diende als ofwel een slagveld of uitvalsbasis tijdens de twee eeuwen van Ottomaanse razzia's en formele jihadistische veldtochten tegen Hongarije. Overweldigd door overmatige belasting en dienstplichtige arbeid:

begonnen christenen daarom hun huizen en percelen grond, gelegen in vlak land en langs de wegen, te verlaten en zich terug te trekken in de bergen. En terwijl zij dat deden, steeds hogerop verhuizen naar ontoegankelijke gebieden, namen moslims hun vroegere gebieden in. [23]

Bovendien leden die christenen die woonden in steden onder het mandaat van het rayah-systeem dat de economische vooruitgang van niet-moslims belemmerde:

Vanaf het begin af aan verbood de islam activiteiten zoals het maken van wijn, fokken van varkens, en de verkoop van varkensvleesproducten uit de commerciële productie en handel. Maar daarnaast werd Bosnische christenen verboden om zadelmakers te zijn, leerlooiers, of kaarsenmakers of te handelen in honing, boter, en bepaalde andere producten. Door het hele land was de enige legale marktdag de zondag. Christenen werden dus bewust geconfronteerd met de keuze tussen het negeren van de voorschriften van hun religie en hun winkels open te houden en te werken op zondag, of als alternatief af te zien van deelname aan de markt en daardoor materiële schade te lijden. Zelfs in 1850, in Jukic's Wishes and Entreaties, horen we dat hij 'Zijne Keizerlijke Hoogheid' verzoekt om een einde te maken aan de regeling dat zondag marktdag is. [24]

Christenen werden ook gedwongen om onevenredig hogere belastingen dan moslims te betalen, met inbegrip van de met opzet vernederende hoofdelijke belasting voor niet-moslims.

Deze belasting werd betaald door elke niet-moslim man boven de veertien jaar, tegen het tarief van één dukaat per jaar. Maar aangezien Turkije nooit geboorteregisters had gekend, moest de functionaris wiens taak het was om de belasting te innen het hoofd en de hals van elke jongen meten met een stuk touw en daarvanuit beoordelen of een persoon de belastingplichtige leeftijd had bereikt of niet. Het begon als misbruik maar veranderde al snel in een ingebakken gewoonte, en uiteindelijk de gevestigde regel dat tijdens de laatste eeuw van Turkse overheersing iedere jongen, zonder onderscheid, de hoofdelijke belasting moest betalen. En het lijkt erop dat dit niet het enige misbruik was. [...] Van Ali-Pasa Stocevic, die in de eerste helft van de 19e eeuw vizier was en bijna onbeperkt heerser van Herzegovina, schreef zijn tijdgenoot, de monnik Prokopije Cokorilo, dat hij "nog zes jaar na hun sterven belasting vroeg voor de doden", en dat zijn ambtenaren "met hun vingers over de buiken van zwangere vrouwen gingen en zeiden: 'je zult waarschijnlijk een jongen krijgen, dus je moet de hoofdelijke belasting alvast meteen betalen' ". [...] Het volgende gezegde uit Bosnië laat zien hoe veel belastingen werden gevorderd: "Hij is zo dik alsof hij belastingen heeft geïnd in Bosnië". [25]

Tot het midden van van de 19e eeuw werden de specifieke wetten van de Kanun-i-Rayah strikt toegepast; die verboden de rayahs om een gezadeld paard te berijden, een sabel of een ander wapen binnen- of buitenshuis te hebben, om wijn te verkopen, hun haar te laten groeien, of wijde sjerpen te dragen. In 1794 deed Hussamudin-Pasa een verordening die voorschreef welke exacte kleur en type kleding de Bosnische rayah moest dragen. Kappers werden verboden moslims te scheren met dezelfde scheermessen als voor christenen. Zelfs in badhuizen hadden christenen specifiek aangegeven handdoeken en schorten zodat ze hun wasgoed niet konden verwarren met dat van moslims. Tot ten minste 1850, en in sommige delen van Bosnië tot ver in de jaren 1860, moest een christen wanneer hij een moslim zag verplicht afstijgen van zijn (onbezadelde) paard, aan de kant van de weg gaan staan, en wachten tot de moslim voorbij was gekomen [26].

Andric zegt dat het luidste en meest opvallende symbool van het christendom, kerkklokken, altijd met nauwe, afkeurende wantrouw van de Turken gepaard ging: "Waar er invasies waren, werden de klokken naar beneden gehaald, en werden vernietigd of omgesmolten tot kanonnen" [27]. Voorspelbaar genoeg:

kon tot de tweede helft van de 19e eeuw "niemand in Bosnië ook maar denken aan klokken of klokkentorens". Pas in 1860 slaagde de priester Fra Grgo Martic uit Sarajevo erin om toestemming te krijgen van Topal Osman-Pasa om een klok te hangen bij de kerk in Kresevo. Die toestemming werd echter alleen verleend op voorwaarde dat "de klok in de eerste instantie zachtjes geluid werd om de Turken er beetje bij beetje aan te laten wennen". En nog steeds klaagden de moslims van Kresevo, zelfs in 1875, naar Sarajevo dat "Turkse oren en luidende klokken niet naast elkaar kunnen bestaan op dezelfde plaats op hetzelfde moment"; en moslimvrouwen zouden op hun koperen potten slaan om het lawaai te overstemmen. [...] Op 30 april 1872 kreeg de nieuwe Servische orthodoxe kerk ook een klok. Maar aangezien de [...] moslims hadden gedreigd met oproer, moest het leger worden ingeschakeld om ervoor te zorgen dat de ceremonie ongestoord verder zou kunnen gaan. [28]

Het opleggen van een dergelijke beperking, zegt Andric, ging verder dan de kerkelijke ceremonies, zoals blijkt uit een proclamatie van de Servisch-orthodoxe kerk in Sarajevo uit 1794 die christenen waarschuwde om niet te:

zingen tijdens [...] uitstapjes, noch in hun huizen, noch op andere plaatsen. Het gezegde "Niet te hard zingen, dit dorp is Turks" getuigt welsprekend van het feit dat dit artikel van de Kanun[-i-Rayah] zowel binnen als buiten het kerkelijk leven werd toegepast. [29]

Andric concludeert dat "de [Ottomaanse Turkse] hegemonie de gebruiken van hun christelijke onderdanen geweld aandeed en in elk opzicht een stap terug betekende" [30].

Tot slot observeerde Jovan Cvijic, de Servische socioloog en geograaf: "Er zijn regio's waar de [Servische] christelijke bevolking [...] van wieg tot graf leefde onder het regime van angst".

Ondanks de bevrijding van de Balkan in 1912, merkte Cvijic verder op dat de Serviërs niet volledig op de hoogte waren van hun nieuwe status, en deze angst kan nog steeds worden gelezen, blijvend geëtst op hun gezichten [31].

Paul Ricaut, de Britse consul in Smyrna, reisde in het midden van de 17e eeuw uitgebreid binnen het Ottomaanse Rijk, en werd een scherpe waarnemer van het sociaal-politieke milieu. Ricaut publiceerde deze belangrijke bevindingen in 1679 (dat wil zeggen, voordat de Ottomanen werden verslagen te Wenen in september 1683; zie latere bespreking van Ottomaanse 'tolerantie') [32]:

  1. Veel christenen werden verdreven uit hun kerken, die de Ottomaanse Turken omzetten in moskeeën;
  2. De 'Mysteries van het Altaar' waren verborgen in ondergrondse gewelven en catacomben van welke de daken nauwelijks boven het oppervlak van de grond uitstaken;
  3. Christelijke priesters die Turkse vijandigheid en onderdrukking vreesden, met name in Oost-Azië Minor, werden gedwongen met grote voorzichtigheid te leven en stiekem privé te preken;
  4. Het is niet verrassend dat vele christenen tot de islam bekeerden om deze heersende omstandigheden te ontsnappen.

Bovendien, zoals Vryonis overtuigend aantoonde voor de eerdere periode tussen de 11e en 15e eeuw [33], was het bestaan van het crypto-christendom [stiekem het christendom aanhangen terwijl je doet alsof je iets anders aanhangt] en de neo-martelaren geen ongewoon verschijnsel in de christelijke gebieden van Klein-Azië die veroverd waren door de golven van Seltsjoekse en Ottomaanse jihad. Hij citeert bijvoorbeeld een pastorale brief van 1338 gericht aan de inwoners van Nicea, waarin wijdverspreide gedwongen bekering door de Turken beschreven wordt:

En zij [Turken] hebben veel van onze eigen mensen gevangen en tot slaaf gemaakt, en helaas met geweld gedwongen en gesleept! Totdat ze hun kwaad en goddeloosheid overnamen. [34]

Het verschijnsel van bekering, met inbegrip van gedwongen en massabekering, liep gedurende de hele 16e eeuw, zoals besproken door Constantelos in zijn analyse van het neo-martelaarschap in het Ottomaanse Rijk:

Er werden gedwongen massabekeringen gerapporteerd tijdens de kalifaten van Selim I (1512-1520), Selim II (1566-1574), en Murat III (1574-1595). Ter gelegenheid van een jubileum, zoals van de verovering van een stad, of een nationale feestdag, werden veel rayahs gedwongen om te bekeren. Op de dag van de besnijdenis van Mohammed III werden grote aantallen christenen (Albanezen, Grieken, Slaven) gedwongen zich te bekeren tot de islam. [35]

Constantelos beschreef de martelarij van de christenen die het slachtoffer waren van de Ottomanen van de verovering van Constantinopel (1453) tot de laatste fasen van de Griekse Onafhankelijkheidsoorlog (1828)[. Hij] geeft aan:

De Ottomaanse Turken veroordeelden elf oecumenische patriarchen van Constantinopel ter dood, en bijna honderd bisschoppen, en enkele duizenden priesters, diakens, en monniken. Het is onmogelijk om met zekerheid te zeggen hoeveel mannen van het klooster werden gedwongen om te bekeren. [36]

Maar de meer alledaagse zaken geïllustreerd door Constantelos zijn van even groot belang om aan te tonen wat voor benarde situatie de christenen hadden onder Ottomaanse heerschappij, nog ten minste tot 1867:

Sommigen werden beschuldigd van het beledigen van de islamitische geloof of van iets tegen de muur van een moskee te hebben gegooid. Anderen werden beschuldigd van seksuele avances in de richting van een Turk; weer anderen van een publieke bekentenis te maken, zoals "Ik zal een Turk worden", zonder het echt te menen. [37]

Constantelos concludeert:

Het verhaal van de neo-martelaren geeft aan dat er geen vrijheid van geweten was in het Ottomaanse Rijk en dat religieuze vervolging nooit ver weg was in de staat. Rechtspraak was onderworpen aan de luimen van de rechters en van de menigte, en het werd gevoerd met een dubbele moraal, mild voor de moslims en hard voor christenen en anderen. De opvatting dat de Ottomaanse Turken een beleid van religieuze tolerantie nastreefden om een fusie van de Turken met de veroverde bevolking te bevorderen wordt niet ondersteund door de feiten. [38]

Zelfs de Turkofiele 19e-eeuwse reisschrijver Ubicini erkende de beklemmende last van de Ottomaanse dhimmitude in deze ontroerende beschrijving:

De geschiedenis van tot slaaf gemaakte volkeren is overal hetzelfde, of beter gezegd, ze hebben geen geschiedenis. De jaren en de eeuwen gaan voorbij, zonder dat hun situatie anders wordt. Generaties komen en gaan in stilte. Men zou kunnen denken dat ze bang zijn om hun meesters, die naast hen slapen, te wekken. Maar als u ze van dichtbij bekijkt, zult u ontdekken dat deze onbeweeglijkheid slechts oppervlakkig is. Zij zijn in de greep van een stille en constante woede. Het leven is volledig teruggetrokken in het hart. Ze lijken op die rivieren die zijn verdwenen onder de grond; als u uw oor tegen de aarde drukt, kunt u het gedempte geluid van hun wateren horen, daarna komen ze op enkele mijlen afstand weer intact tevoorschijn. Dat is de toestand van de christelijke bevolking van Turkije onder Ottomaanse heerschappij. [39]

Vacalopoulos beschrijft hoe de dhimmitude opgelegd onder Ottomaanse heerschappij een kritiek punt van motivatie voor de Griekse Revolutie werd:

De revolutie van 1821 is niet meer dan de laatste grote fase van de weerstand van de Grieken tegenover Ottomaanse overheersing; het was een meedogenloze, plotselinge oorlog, die reeds was begonnen in de eerste jaren van de slavernij. De wreedheid van een autocratisch regime, die werd gekenmerkt door economische plundering, intellectueel verval en culturele achteruitgang, zou de oppositie uiteindelijk zeker uitlokken. Allerlei soorten beperkingen, onwettige belastingen, dwangarbeid, vervolging, geweld, gevangenschap, dood, ontvoeringen van meisjes en jongens en hun opsluiting in Turkse harems, en verschillende daden van wreedheid en lust, samen met tal van minder aanstootgevende misstanden - al deze waren een voortdurende beproeving voor overlevingsinstinct en ze gingen buiten alle grenzen van het menselijk fatsoen. De Grieken haatten alle beledigingen en vernederingen bitter, en hun angst en frustratie duwde ze in de armen van rebellie. Er was geen overdrijving in de verklaring van een van de geestelijken in Arta, toen hij probeerde om de wreedheid van de strijd uit te leggen. Hij zei: "We hebben de rayahs [dhimmi's] een hoop aangedaan (dwz onze christelijke onderdanen) en vernietigden zowel hun rijkdom als hun eer; zij werden wanhopig en namen de wapens op. Dit is nog maar het begin en zal uiteindelijk leiden tot de vernietiging van ons rijk". Het lijden van de Grieken onder Ottomaanse heerschappij was dus de voornaamste oorzaak van de opstand. Die psychologische stimulans werd verstrekt door de aard van de omstandigheden. [40]

De devshirme en slavernij in het harem

Die geleerden [41] die blijven vasthouden aan het rooskleurige verhaal van Ottomaanse 'tolerantie', het idee dat er, zoals er wordt beweerd, een "ontspannen tolerantie [was], berust op een aanname van niet alleen superieure religie, maar ook van overmacht" in het Ottomaanse Rijk tot het einde van de 17e eeuw [42], die moeten maar eens bepaalde fundamentele vragen beantwoorden. [H]et behoorlijk wrede Ottomaanse devshirme-systeem, [heeft] van het midden/eind van de 14e tot het begin van de 18e eeuw naar schatting 500.000 tot een miljoen niet-moslim (voornamelijk Balkanse christelijke) adolescente mannen tot slaaf gemaakt en onder dwang bekeerd tot de islam [43]. [Waarom wordt dit systeem] aangemerkt, reductio ad absurdum, als een goedaardige vorm van sociale vooruitgang, waar de Ottomaanse islamitische gezinnen die er "niet voor in aanmerking komen" jaloers op zouden zijn? Bijvoorbeeld:

Het is alom bekend welke rol de christelijke jongens uit de Balkan spelen, gerekruteerd in het Ottomaanse dienst door de devshirme. Grote aantallen van hen gingen bij de Ottomaanse militaire en bureaucratische macht, dat voor een tijdje werd gedomineerd door die rekruten die nieuwe waren in de Ottomaanse staat en het moslimgeloof. Dit overwicht aan Europeanen van de Balkan in de Ottomaanse machtsstructuur bleef niet onopgemerkt, en er zijn veel klachten van andere groepen, soms van de blanke slaven die hun voornaamste concurrenten waren, en duidelijker van de oude en vrije moslims, die vonden dat ze beledigd werden door de de voorkeur voor die pas bekeerde slaven. [44]

Geleerden die serieuze, gedetailleerde onderzoeken hebben gedaan naar het devshirme-systeem, zijn het niet eens met zo'n rooskleurige blik op deze Ottomaanse instelling. Speros Vryonis, Jr bijvoorbeeld, maakt deze opzettelijk ingetogen maar overtuigende waarnemingen,

Bij het bespreken van de devshirme hebben we te maken met de grote aantallen christenen die, ondanks de materiële voordelen die er zaten aan bekering tot de islam, ervoor kozen om de leden van een religieuze samenleving te blijven die het volledige burgerschap werd geweigerd. Daarom zijn de theorieën van sommige historici, dat de christenen de devshirme verwelkomden aangezien het nieuwe prachtige kansen voor hun kinderen bood, in strijd met het feit dat deze christenen er überhaupt niet voor hadden gekozen moslims te worden, maar christenen waren gebleven. [...] Er is overvloedig bewijs voor de zeer actieve afkeer waarmee ze het afnemen van hun kinderen beschouwden. Men zou dergelijke sentimenten ook kunnen verwachten gezien de sterke aard van de familieband en ook gezien dat degenen die niet waren bekeerd tot de islam sterk gehecht waren aan het christendom. [...] Allereerst misbruikten de Ottomanen de algemene christelijke angst voor het verlies van hun kinderen en deden tijdens de onderhandelingen voor de overdracht van christelijke landen de aanbieding van vrijstelling van [dienstplicht in] de devshirme. Dergelijke vrijstellingen zijn opgenomen in de voorwaarden voor overgave van Jannina, Galata, de Morea, Chios, etc. [...] Christenen die zich bezighielden met gespecialiseerde activiteiten die belangrijk waren voor de Ottomaanse staat waren ook vrijgesteld van de belasting op hun kinderen, omdat het belang van hun werk werd erkend door het rijk. [...] Vrijstelling van deze belasting werd beschouwd als een voorrecht en geen boete. Er zijn andere documenten waarin hun [dat wil zeggen, de christenen] afkeer veel meer expliciet duidelijk is. Hieronder is een reeks van Ottomaanse documenten over de specifieke situaties waarin de devshirmes zelf zijn ontsnapt aan de ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor het verzamelen. In 1601 droeg een firman de [Ottomaanse] ambtenaren op strenge maatregelen [met betrekking tot de devshirme] te handhaven, een feit dat erop lijkt te wijzen dat de ouders niet altijd afscheid wilden nemen van hun zonen: "[Dit] om de opdracht van de bekende en heilige fetva [fatwa] van Seyhul [Shaikh] af te dwingen - de islam. In overeenstemming hiermee moet, als iemand van de ongelovige ouders of een ander zich verzet tegen het meegeven van zijn zoon aan de janitsaren, hij onmiddellijk worden opgehangen voor de drempel van deur, en wordt zijn bloed onwaardig geacht". [45]

Vasiliki Papoulia wijst op de voortdurende wanhopige, vaak gewelddadige strijd van de christelijke bevolkingen tegen deze met geweld opgelegde Ottomaanse heffing:

Het is duidelijk dat de bevolking sterke afkeer had van deze maatregel, [en de heffing] kon alleen worden uitgevoerd met geweld. Degenen die weigerden hun zonen op te geven - de gezondste, de mooiste en de meest intelligente - werden ter plaatse gedood door ophanging. We hebben echter wel voorbeelden van gewapend verzet. In 1565 vond er een opstand plaats in Epirus en Albanië. De inwoners doodden de officieren van werving en de opstand werd pas neergeslagen nadat de sultan vijfhonderd janitsaren had gestuurd ter ondersteuning van de lokale Sanjak-geestelijke. We hebben meer informatie, dankzij de historische archieven van Yerroia, over de opstand in Naousa in 1705 waar de inwoners de Silahdar [geestlijke] Ahmed Celebi doodden en zijn assistenten, en naar de bergen vluchtten als rebellen. Sommigen van hen werden later gearresteerd en ter dood veroordeeld. [46] Aangezien er geen mogelijkheid was om te ontsnappen [aan de heffing] zocht de bevolking naar verschillende uitwegen. Sommigen verlieten hun dorpen en vluchtten naar bepaalde steden die vrijgesteld waren van de kinderheffing, of emigreerden naar Venetiaanse gebieden. Het resultaat was een ontvolking van het platteland. Anderen lieten hun kinderen trouwen op jonge leeftijd. [Zo stelt] Nicephorus Angelus dat de kinderen soms op eigen initiatief wegliepen, maar toen ze hoorden dat de autoriteiten hun ouders hadden gearresteerd en aan het doodmartelen waren, keerden ze terug en gaven zich op. La Giulletiere citeert het geval van een jonge Athener die terugkeerde van onderduiking om zijn vader te redden en er toen voor koos om zelf te sterven in plaats van zijn geloof af te zweren. Volgens het bewijsmateriaal in Turkse bronnen zijn sommige ouders er zelfs in geslaagd hun kinderen te ontvoeren nadat ze waren ingelijfd. De meest succesvolle manier om aan werving te ontsnappen was door omkoping. Dat dit laatste zeer wijd verbreid was blijkt uit de grote hoeveelheden geld die de sultan in beslag heeft genomen van corrupte ambtenaren. Tot slot deden de ouders in hun wanhoop zelfs een beroep op de paus en de Westerse mogendheden voor hulp.

Papoulia concludeert: "Er is geen twijfel dat deze zware last een van de moeilijkste beproevingen van de christelijke bevolking was" [47].

Waarom was er nooit een significante 'door sharia geïnspireerde' afschaffingsbeweging binnen de Ottomaanse landen, zoals de moedige en succesvolle campagnes in de 19e eeuw, geleid door Westerse christelijke staatslieden (zoals het evangelische parlementslid William Wilberforce [48]) in Europa en Amerika? Er waren opzettelijk beperkte en nietszeggende koninklijke bevelen uitgegeven door de Ottomaanse regering die de Oost-Afrikaanse slavenhandel 'afraden' [49], en zelfs de Britse zeemacht die zo succesvol was in de Atlantische Oceaan en de Indische Oceaan [50], was niet in staat om aan het einde van de 19e eeuw slavenhandel aan het Ottomaanse Rijk op de Rode Zee te onderdrukken [51]. Hoe dan ook, zoals Reuben Levy zegt: "In Constantinopel bleef de verkoop van slavinnen, zowel negerinnen als Circassiërs [waarschijnlijk voor slavernij in het harem en/of concubinaat], openlijk beoefend tot 1908" [52].


Deel 3 - Turkije: Van mislukte hervormingen tot een moderne jihadistische genocide

Waarom moesten de Tanzimat-hervormingen, ontworpen om de Ottomaanse versie van het systeem van de dhimmitude te beëindigen, worden afgedwongen door de Europese machten via verdragen zoals de zogenaamde 'capitulaties' na Ottomaanse militaire nederlagen, en waarom werden deze hervormingen zelfs dan nooit op enige zinvolle manier doorgevoerd tussen 1839 en de ineenstorting van het Ottomaanse Rijk na de Eerste Wereldoorlog?

Edouard Engelhardt maakte deze opmerkingen in zijn gedetailleerde analyse van de Tanzimat-periode, en merkte op dat een kwart eeuw na de Krimoorlog (1853-1856) en de tweede ronde van Tanzimat-hervormingen nog steeds dezelfde problemen blijven bestaan:

De islamitische samenleving is nog niet afgestapt van de vooroordelen die de veroverde volkeren ondergeschikt maken [...] de rayah [dhimmi's] blijven inferieur aan de Osmanen; in feite is er niet hervormd, het fanatisme van de begindagen is nog hetzelfde. [Zelfs liberale moslims verwierpen] burgerlijke en politieke gelijkheid, dat wil zeggen, de assimilatie van de veroverde met de veroveraars. [53]

Een systematisch onderzoek van de toestand van de christelijke rayahs werd rond 1860 uitgevoerd door de Britse consuls gestationeerd in het Ottomaanse Rijk, waar uitgebreide primaire brondocumenten als bewijs kwamen [54]. Groot-Brittannië was toen de machtigste bondgenoot van Turkije, en het was in haar strategisch belang om te zorgen dat onderdrukking van de christenen werd geëlimineerd, dit om directe agressieve Russische of Oostenrijkse tussenkomst te voorkomen. Op 22 juli 1860 stuurde consul James Zohrab een lang rapport uit Sarajevo naar zijn ambassadeur in Constantinopel, Sir Henry Bulwer, met opnieuw een analyse van de administratie van de provincies Bosnië en Herzegovina naar aanleiding van de Tanzimat-hervormingen van 1856. Over de hervormingen zegt Zohrab als volgt:

Ik kan gerust zeggen dat de Hatti-humayoun vrijwel in onbruik blijft. Hoewel [dit] zich niet direct toelaat dat christenen worden behandeld zoals ze voordien waren behandeld, is het tot nu toe ondraaglijk en onrechtvaardig dat het de moslims toestaat om ze te beroven met zware afpersingen. Er is dagelijks onterechte gevangenschap (gevangenisstraf onder valse beschuldiging) aan de orde. Een christen heeft maar een kleine kans om zijn onschuld te bewijzen als zijn tegenstander een moslim is. [...] Het bewijs van een christen wordt als regel nog steeds geweigerd. [...] Christenen mogen nu onroerend goed te bezitten, maar zij lopen tegen zo veel en frustrerende hindernissen aan wanneer ze het proberen te kopen, dat er nog maar heel weinig aan durven. [D]at is over het algemeen het bewind dat de regering erop na houdt tegenover de christenen in de hoofdstad (Sarajevo) van de provincie, waar de consulaire ambtenaren van de verschillende machten zitten en een zekere mate van controle uit kunnen oefenen. [En daarom] is het makkelijk te raden hoe zeer de christenen in de meer afgelegen districten lijden; die worden bestuurd door Mudirs (gouverneurs) die over het algemeen fanatiek zijn en onbekend met de (nieuwe hervormingen van de) wet. [55]

In zijn uitgebreide onderzoek van het 19e-eeuwse Palestijnse jodendom onder Ottomaanse heerschappij maakte Tudor Parfitt deze relevante opmerkingen [56]:

Binnen de steden werden joden en andere dhimmi's vaak aangevallen, verwond, en zelfs gedood door lokale moslims en Turkse soldaten. Zulke aanvallen waren vaak voor onbenullige redenen: Wilson [van de Britse afd. correspondentie van Buitenlandse Zaken] herinnerde zich dat hij een jood had ontmoet die ernstig was verwond door een Turkse soldaat omdat hij niet direct afgestapt was toen hij het bevel kreeg om zijn ezel aan een soldaat van de Sultan te geven. Veel joden werden gedood voor nog kleinere dingen. Af en toe hebben de autoriteiten geprobeerd om een of andere vorm van uitleg te krijgen, maar dit was niet altijd het geval: de Turkse autoriteiten waren soms zelf verantwoordelijk voor het doodslaan van joden vanwege een of andere onbewezen beschuldiging. Na één zo'n voorval merkte [de Britse consul] Jonge op: "Ik moet zeggen dat ik treurig en verbaasd ben dat de gouverneur zo beestachtig kon hebben gehandeld - want na wat ik van hem heb gezien zou ik toch zeker denken dat hij boven zo'n moedwillige onmenselijkheid staat - maar het was een jood - zonder vrienden of bescherming - en het laat goed zien dat het niet zonder reden is dat de arme jood, zelfs in de 19e eeuw, van dag tot dag moet vrezen voor zijn leven". In feite duurde het enige tijd [dwz ten minste tien jaar na de hervormingen van 1839] voordat die rechtbanken in Palestina de getuigenis van een dhimmi aanvaardden. Het feit dat joden waren vertegenwoordigd in de meclis [provinciale juridische raad] droeg veel niet bij aan de verbetering van de rechtspositie van de joden: de joodse vertegenwoordigers werden met tegenzin getolereerd en werden vernederd en geïntimideerd tot op het punt dat ze bang waren om enig verzet te bieden tegen de islamitische vertegenwoordigers. Daarnaast was de grondwet van de meclis in geen enkel opzicht redelijk representatief is voor de bevolking. In de jaren 1870 bestond de meclis in Jeruzalem uit vier moslims, drie christenen en slechts één jood - in een tijd waarin joden meer dan de helft van de bevolking van de stad vormden. [...] Enkele jaren na de afkondiging van de hatt-i-serif [koninklijk bevel voor de Tanzimat-hervorming] kon de schrijver Binyamin nog steeds schrijven van de joden [in een ooggetuigenverslag van Eight Years in Asia and Africa from 1846 to 1855, p 44] - "ze hebben geen enkele rechtsbescherming". [...] Misschien nog belangrijker: de rechtbanken waren bevooroordeeld tegen de joden en zelfs wanneer een zaak werd gehoord in een goed samengestelde rechtbank waar getuigenis van een dhimmi toegestaan was, oordeelde de rechtbank nog steeds vrijwel altijd ten nadele van de joden. Opgemerkt dient te worden dat een niet-dhimmi [bijv. buitenlandse] jood nog steeds niet mocht verschijnen en getuigen in ofwel de mahkama [specifieke moslimraad] of de meclis.

De moderne Ottomanist Roderick Davison erkent dat de hervormingen niet zijn geslaagd, en biedt een verklaring dat het islamitische geloof diep gehecht is aan het systeem van dhimmitude:

Er is nooit echte gelijkheid bereikt [en] er bleef onder de Turken een intens islamitisch gevoel dat soms kan uitbarsten in open fanatisme. [...] Belangrijker dan het risico op fanatieke uitbarstingen was echter de aangeboren houding van meerderwaardigheid die de islamitische Turk bezat. De islam was voor hem de ware religie. Het christendom was slechts een gedeeltelijke openbaring van de waarheid, die uiteindelijk volledig geopenbaard is door Mohammed, en daarom waren christenen niet gelijk aan moslims wat betreft het bezit van de waarheid. De islam was niet alleen een manier van aanbidding, het was een manier van leven. Het had voorschriften voor relaties van mens tot mens, maar ook tot God, en het was de basis voor de samenleving, voor de wet, en voor de overheid. Christenen werden daarom onvermijdelijk beschouwd als tweederangs burgers wat betreft religieuze openbaring, en ook op grond van het simpele feit dat ze waren veroverd door de Ottomanen. Deze hele islamitische visie werd vaak samengevat in de gemeenschappelijke term 'gavur' (of 'kafir'), wat 'ongelovige' of 'ongelovigen' betekent, een woord met emotionele en heel beledigende lading. Het was op zijn best gezegd twijfelachtig om nauwe banden te hebben met de 'gavur' of op gelijke voet te staan. "Vriendelijke omgang met heidenen en ongelovigen is verboden voor de mensen van de islam", zei Asim, een historicus uit de vroege 19e eeuw, "en vriendelijke en intieme omgang tussen twee partijen die van elkaar verschillen als dag en nacht is verre van wenselijk". [...] Alleen al het idee van gelijkheid, in het bijzonder de anti-beledigingswet van 1856, beledigde het Turkse aangeboren gevoel van gerechtigdheid. "Nu kunnen we een gavur niet meer een gavur noemen", werd er gezegd, soms bitterlijk en soms in een gortdroge uitleg dat onder de nieuwe wetten men niet langer openlijk de zuivere waarheid kon spreken. Kunnen hervormingen aanvaard worden als ze verbieden om een beestje bij zijn naam te noemen? [...] De Turkse denkwijze, geconditioneerd door eeuwen van islamitische en Ottomaanse overheersing, was nog niet klaar om een absolute gelijkheid aanvaarden. [...] Ottomaanse gelijkheid werd niet bereikt in de Tanzimat-periode [dat wil zeggen, midden tot eind 19e eeuw, 1839-1876], noch na de Jonge Turken-revolutie van 1908. [57]

En inderdaad, een invloedrijk lid van het Ottomaanse Committee of Union and Progress, Sheik Abd-ul-Hack, een 'progressieve' Jonge Turk, schreef de volgende onthullende verklaring in een Parijs moslimblad (Le Mecherouttiete, uitgegeven door Sherif Pasha, Parijs) in augustus 1912:

Ja! De moslimreligie is openlijk vijandig tegen heel uw wereld van vooruitgang. Begrijp, Europese waarnemers, dat een christen, wat zijn positie ook moge zijn worden, door ons wordt gezien als een blinde man die alle besef van menselijke waardigheid heeft verloren, vanwege het simpele feit van dat hij een christen is. Onze redenering over hem is net zo eenvoudig als die definitief is. Wij zeggen: de man wiens oordeel zo verdraaid is dat hij het bestaan van de ene echte God ontkent, en goden van verschillende soorten verzint, kan alleen de gemeenste uitdrukking van menselijke degradatie zijn, en om met hem te spreken zou een vernedering zijn voor onze intelligentie en een belediging voor de grootsheid van de Meester van het Universum. De aanwezigheid van zulke onverlaten onder ons is de vloek van ons bestaan, hun leer is een directe belediging voor de zuiverheid van ons geloof; contact met hen is een bezoedeling van ons lichaam; elke relatie met hen een marteling voor onze ziel. Hoewel we jullie verafschuwen hebben we ons gebogen over jullie politieke instellingen en militaire organisatie. Bovenop de nieuwe wapens die het Lot voor ons regelt via jullie handelen, hebben jullie zelf het onuitblusbare geloof van onze heldhaftige martelaren weer nieuw leven ingeblazen. Onze Jonge Turken, onze Babis, onze nieuwe Broederschap, en al onze sekten van verschillende vormen, zijn geïnspireerd door hetzelfde idee, dezelfde noodzaak van vooruit te komen. Met welk doel? Christelijke beschaving? Nooit! De islam is de enige grote internationale familie. Alle ware gelovigen zijn broeders. Een gemeenschap van gevoel en van het geloof verbindt hen in wederzijdse genegenheid. Het is aan de kalief om deze relaties te vergemakkelijken en de gelovigen onder de priesterlijke standaard te brengen. [58]

Door het Ottomaanse Rijk heen, met name binnen de Balkan en later Anatolië zelf, hebben pogingen tot emancipatie van de dhimmi-volkeren gewelddadige, bloederige reacties uitgelokt tegen de 'ongelovigen' die het gedurfd hadden om gelijkheid met de lokale moslims te eisen. Deze trends zijn te zien in de bloedbaden van de Bulgaren (in 1876) [59], en de meer uitgebreide slachtingen van de Armeniërs (1894-1896) [60] die uitdraaiden op een openhartige jihadistische volkenmoord tegen de Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog [61]. Een gedwongen intrekking van de wetten van dhimmitude heeft als voorwaarde een ontmanteling van het Ottomaanse Rijk. Die heeft uiteindelijk plaatsgevonden na de onafhankelijkheidsoorlogen in de Balkan, en tijdens de periode van Europees Mandaat na de Tweede Wereldoorlog I.


Conclusie

Erdogan's inspanningen om Turkije verder te re-islamiseren zijn volledig in overeenstemming met een terugkeer naar het Turkse Ottomaanse verleden als het hart van een Rijk opgericht door jihad en beheerst door de sharia. Sterker nog: zowel de huidige regering van Erdogan als het regime onder leiding van de openlijk vrome moslim Erbakan tien jaar geleden weerspiegelen de vergevorderde staat van het 'sociaal-politieke ontwaken' van de islam in Turkije sinds 1950-1960. [Dit was toen] de regering van Menderes - die toegaf aan islamitische religieuze gevoelens voor electorale steun - opnieuw de derwisj instelde, en een uitgebreid beleid doorvoerde om nieuwe moskeeën te bouwen [62]. Ondanks dat Frank Gaffney schijnbaar de verwante historische verschijnselen van dit continuüm niet kan begrijpen, deel ik zijn acute bezorgdheid. En uiteindelijk zijn we het erover eens dat de Turkse toetreding tot de EU dient te worden afgewezen.


Bronnen:

1. Michael de Syriër. Chronique de Michel Le Syrien, Vol. 3. Parijs: 1899-1906. p 176. Vertaald uit het Frans door Jean-Baptiste Chabot.
Engelse vertaling in: Bat Ye'or. The Decline of Eastern Christianity Under Islam. Cranbury, New Jersey: Associated University Presses, 1996. p 170–171.
2. Michael de Syriër. Chronique, Vol. 3. p 176.
Engelse vertaling in: Bat Ye'or. The Decline of Eastern Christianity Under Islam. p 55.
3. Zie de talrijke primaire bronnen in elk van deze:


4. Bat Ye'or. The Decline of Eastern Christianity Under Islam, p 55–56.
5. Paul Wittek. The Rise of the Ottoman Empire. Londen, The Royal Asiatic Society of Great Britain and Ireland, 1938 (herdrukt 1966). p 18.
6. Speros Vryonis. "Nomadization and Islamization in Asia Minor", Dumbarton Oaks Papers 29 (1975): 49.
7. Vryonis. "Nomadization and Islamization in Asia Minor". p 49.
8. Paul Wittek. The Rise of the Ottoman Empire. Londen, p 14. Wittek neemt deze discussie ook op, en voegt een citaat toe uit Ahmedi's tekst:
Het hoofdstuk dat Ahmedi eraan wijdt in zijn Iskender-name over de geschiedenis van de Ottomaanse sultans, de voorouders van zijn beschermheer Sulayman Tshelebi, zoon van Bayazid I, begint met een introductie waarin de dichter plechtig vermeldt dat hij een Ghazawat–name wilde schrijven, een boek over de heiliger oorlog van de ghazi's. Hij stelt de vraag: "waarom zijn de ghazi's nu pas verschenen?" En hij antwoordt: "Omdat het beste altijd voor het laatst bewaard blijft. Net zoals de uiteindelijke profeet Mohammed na de anderen kwam, net als de Koran neerdaalde uit de hemel na de Torah, de Psalmen en de Gospels, zo zijn nu ook uiteindelijk de ghazi's in de wereld verschenen". Die ghazi's van wie de heerschappij Ottomaans is. De dichter ging verder met deze vraag: "Wat is een ghazi?" En hij legde uit: "Een ghazi is het instrument van de religie van Allah, een dienaar van God die de aarde zuivert van het vuile geloof in meerdere goden (onthoud hierbij dat de islam ook de Heilige Drie-eenheid van de christenen als meerdere goden beschouwt); de ghazi is het zwaard Gods, hij is een beschermer en toeverlaat van de gelovigen. Als hij een martelaar wordt voor de zaken van God, gelooft dan niet dat hij gestorven is - hij leeft in zegen bij Allah, hij heeft het eeuwige leven".

9. Halil Inalcik. The Ottoman Empire–The Classical Age, 1300–1600. Londen: Weidenfeld and Nicolson, 1973. p 6.
10. Vacalopoulos. Origins of the Greek Nation– The Byzantine Period. p 66.
11. Speros Vryonis. "The Experience of Christians under Seljuk and Ottoman Domination, Eleventh to Sixteenth Century". In Conversion and Continuity: Indigenous Christian Communities in Islamic lands, Eighth to Eighteenth Centuries, ed. Michael Gervers en Ramzi Jibran Bikhazi. Toronto: Pontifical Institute of Medieval Studies, 1990. p 201.
12. Vacalopoulos. Origins of the Greek Nation– The Byzantine Period. p 61–62.
13. Angelov. "Certains Aspects de la Conquete Des Peuples Balkaniques par les Turcs". p 220–275.
Vacalopoulos. Origins of the Greek Nation– The Byzantine Period. p 69–85.
14. Vacalopoulos. Origins of the Greek Nation– The Byzantine Period. p 77.
15. Vacalopoulos. Origins of the Greek Nation– The Byzantine Period. p 73.
16. Angelov. "Certains Aspects de la Conquete Des Peuples Balkaniques par les Turcs". p 236, 238–239.
17. Joseph Hacker. "Ottoman Policy Toward the Jews and Jewish Attitudes toward the Ottomans during the Fifteenth Century". In Christians and Jews in the Ottoman empire: the functioning of a plural society. Ed Benjamin Braude en Bernard Lewis. New York: Holmes & Meier Publishers, 1982. p 117-126.
18. Hacker. "Ottoman Policy". p 120.
19. Ivo Andric. The Development of Spiritual Life in Bosnia Under the Influence of Turkish Rule, (1924 doctoral dissertation). Engelse vertaling. Durham, North Carolina, 1990. Hoofdst. 2 en 3, p 16–38.
http://51.051.3.731subf16:MDolluo971717348139??
20. Andric. Bosnia Under the Influence of Turkish Rule. p 23–24.
21. Andric. Bosnia Under the Influence of Turkish Rule. p 24–25.
22. Andric. Bosnia Under the Influence of Turkish Rule. p 78 noot 2.
23. Andric. Bosnia Under the Influence of Turkish Rule. p 25.
24. Andric. Bosnia Under the Influence of Turkish Rule. p 25–26.
25. Andric. Bosnia Under the Influence of Turkish Rule. p 26, p 80 noot 11.
26. Andric. Bosnia Under the Influence of Turkish Rule. p 26–27.
27. Andric. Bosnia Under the Influence of Turkish Rule. p 30.
28. Andric. Bosnia Under the Influence of Turkish Rule. p 30.
29. Andric. Bosnia Under the Influence of Turkish Rule. p 30–31.
30. Andric. Bosnia Under the Influence of Turkish Rule. p 38.
31. Jovan Cvijic. La Peninsule Balkanique. Parijs, 1918. p 389.
Vertaald excerpt in: Bat Ye'or. Islam and Dhimmitude–Where Civilizations Collide. Cranbury, New Jersey: Associated University Presses, 2001. p 108.
32. Paul Ricaut. The Present State of the Greek and Armenian Churches, Anno Christi 1678. Londen, 1679 (herdrukt New York, 1970). p 1–30.
33. Vryonis. The Decline of Medieval Hellenism in Asia Minor. p 340–43, 351–402.
34. Vryonis. The Decline of Medieval Hellenism in Asia Minor. p 342.
35. Demetrios Constantelos. "The 'Neomartyrs' as Evidence for Methods and Motives Leading to Conversion and Martyrdom in the Ottoman Empire". The Greek Orthodox Theological Review 23 (1978): 228.
36. Constantelos. "The 'Neomartyrs'". p 217–218.
37. Constantelos. "The 'Neomartyrs'". p 226.
38. Constantelos. "The 'Neomartyrs'". p 227.
39. Abdolonyme Ubicini. Lettres Sur La Turque, Vol. 2. Parijs, 1854. p 32.
Engelse vertaling in: Bat Ye'or. The Decline of Eastern Christianity. p 181.
40. A.E. Vacalopoulos. "Background and Causes of the Greek Revolution". Neo–Hellenika 1975. p 54–55.
41. Stanford Shaw. History of the Ottoman Empire and Modern Turkey. 2 Vols. Cambridge, 1976. Zie bijvoorbeeld Vol.1, p 19 & 24.
42. Bernard Lewis. What Went Wrong? Western Impact and Middle Eastern Response. Oxford University Press, 2002. p 114–115.
43. A.E. Vacalopoulos. The Greek Nation, 1453–1669. New Brunswick, New Jersey, Rutgers University Press, 1976. p 41.
Vasiliki Papoulia. "The Impact of Devshirme on Greek Society". In War and Society in East Central Europe. Ed. Bela K. Kiraly. 1982. Vol. II, p 561–562.
44. Bernard Lewis. The Muslim Discovery of Europe. p 190–191. Lewis beschrijft de deshirme ook alleen als vorm van sociale vooruitgang voor christenen op de Balkan, in zowel zijn edities van 1968 (p 5) als 2002 (ook p 5) van het boek The Emergence of Modern Turkey (Oxford University Press).

De volkeren van de Balkan hadden een enorme invloed op de Ottomaanse heersende klasse. Een van de belangrijkste middelen was de devshirme, de inlijving van jongens waardoor talloze christenen van de Balkan de militaire en politieke elite van het Rijk binnenkwamen.

45. Speros Vryonis, Jr. "Seljuk Gulams and Ottoman Devshirmes". Der Islam 41 (1965): 245–247.
46. Vasiliki Papoulia. "The Impact of Devshirme on Greek Society". p 554–555.
47. Vasiliki Papoulia. "The Impact of Devshirme on Greek Society". p 557.
48. Oliver Warne. William Wilberforce and His Times. Londen, 1962.
49. J.B. Kelly. Britain and the Persian Gulf. Oxford, 1968. p 588–589.
50. Christopher Lloyd. The Navy and The Slave Trade. Londen, 1949.
51. http://51.927.4.463subf18:EFlqxma713369592384??.
52. http://51.517.-0.083plusf95:QEopjnn365893154526??.
53. Edouard Engelhardt. La Turquie et La Tanzimat. 2 Vols. Parijs, 1882. Vol 1 p 111 & Vol 2 p 171.
Engelse vertaling in: Bat Ye'or. Islam and Dhimmitude– Where Civilizations Collide. Fairleigh Dickinson University Press, 2001. p 431–342.
54. Reports from Her Majesty's Consuls Relating to the Condition of the Christians in Turkey, editie 1867. p 5, 29.
Zie ook de soortgelijke rapporten van verschillende andere consuls en vice-consuls, in de edities van 1860 (p 58), 1867 (p 4, 5, 6, 14, 15) en 1867, deel 2 (p 3).
[Allen geciteerd in: Vahakn Dadrian. "Chapter 2, The Clash Between Democratic Norms and Theocratic Dogmas". Warrant for Genocide. New Brunswick, New Jersey, Transaction Publishers. p 26–27]
Zie ook ruime citaten uit deze rapporten in: Bat Ye'or. The Decline of Eastern Christianity. p 409–433.
55. Excerpten van Bulwer's rapport staan in: Bat Ye'or. The Decline of Eastern Christianity. p 423–426.
56. Tudor Parfitt. The Jews of Palestine. Suffolk (VK), Boydell Press, 1987. p 168, 172–73.
57. Roderick Davison. "Turkish Attitudes Concerning Christian–Muslim Equality in the Nineteenth Century". American Historical Review 59. p 848, 855, 859, 864.
58. Citaat uit: Andre de Serviër. Islam and the Psychology of the Musulman. Vertaald door A. S. Moss. Londen: Blundell, 1924. p 241–42.
59. Januarius A. MacGahan. The Turkish atrocities in Bulgaria. (heruitgave) Genève, 1976;
Yono Mitev. The April Uprising and European Public Opinion. Sofia Press, 1978.
Philip Shashko. "The Bulgarian massacres of 1876 reconsidered: reaction to the April uprising or premeditated attack?". Etudes Balkaniques 22 (1986): 18–25.
60. Vahakn Dadrian. The History of the Armenian Genocide. Providence, Rhode Island: Bergahn Books, 1995. p 113–172.
61. Dadrian. History of the Armenian Genocide. p 219–234.
62. Speros Vryonis, Jr. The Mechanism of Catastrophe – The Turkish Pogrom of September 6–7, 1955, and The Destruction of the Greek Community of Istanbul. New York, Greekworks.com, 2005. p 555.




1.19 De val van de christelijke staat Libanon

Door Fouad Abi-Esber, BA, MA.

Brontekst:http://phoenicia.org/christiansmea.html

Libanon is een nep-staat, een nep-democratie waarvan we doen alsof die bestaat, terwijl het in feite een jihadistisch slagveld is dat wordt geregeerd door geterroriseerde hoogeplaatste dhimmi's in de dienst van hun islamitische meesters. Er zijn nog maar ongeveer 25% christenen in Libanon, in plaats van de 79% in 1911. Hoe heeft het zover kunnen komen? En nog belangrijker, hoe konden Frankrijk, de rest van de EU en de Verenigde Staten het christelijke Libanon zo laten vallen?


Inleiding

Christenen in het Midden-Oosten zijn snel aan het verdwijnen uit het gebied. De Libanese christenen, die de enige invloedrijke christelijke gemeenschap in het Midden-Oosten zijn, gaan snel achteruit in aantal en invloed.

Dit artikel bespreekt de geschiedenis van de christelijke minderheid in Libanon, en het verval van hun greep op de politieke macht dankzij de islamitische meerderheid. Het richt zich op de christelijke bijdrage aan de oorzaken van de burgeroorlog en aan het Ta'if-akkoord dat een einde bracht aan die oorlog. Het essay zal worden verdeeld in acht hoofdstukken. Het essay zal beginnen met een kort overzicht van de speciale invloedrijke positie van de christenen in de 19de eeuw en hoe ze rond 1860 een burgeroorlog met de islamitische Druzen overleefden. Dan zal het verder ingaan op de rol van christenen in de vorming van de Republiek Libanon en Libanese onafhankelijkheid.

Dan volgt er een diepe analyse van christelijk nationalisme om de oorzaken van de burgeroorlog met de moslims te ontdekken. Immers was het het bestaan van de vele verschillende ideologische christelijke partijen dat de burgeroorlog heeft aangewakkerd.

Dit document richt zich op de rol van christenen in de burgeroorlog van 1975-1990. De nadruk zal hierbij ook liggen op de oorzaken van het verval van de christelijke status in Libanon. Er wordt gezegd dat de burgeroorlog in 1990 zou zijn geëindigd* nadat de generaal van het christelijke Leger, Michel Aoun, was verslagen door de Syrische militairen. Dit essay zal laten zien hoe de christenen aan het einde van de burgeroorlog werden gezien als verliezers, en de moslims als winnaars van de burgeroorlog. Het zal laten zien dat de rol van de Libanese christenen verwaarloosbaar is geworden en het is een kwestie van tijd is voordat de christenen hun resterende macht over zullen geven aan hun islamitische tegenhangers.

*De bewering dat er een einde aan de burgeroorlog is gekomen wordt krachtig verworpen door velen, omdat 60.000 Syrische soldaten en hun geheime dienst blijven samenwerken om Libanon te bezetten met 5.000 leden van de Iraanse Revolutionaire Garde; en duizenden Palestijnse van Fatah, het Volksfront 'Jabha el Sha' beyyeh' en andere terroristische organisaties zijn actief in en hebben de vrije hand in Libanon.

Hoofdstuk 1: Status van de christenen vóór 1945

De geboorte van het christendom in Libanon en de komst van de Islam

Ondanks het feit dat de islam pas 600 jaar na het christendom opkwam, is het Midden-Oosten nu eenduidig bevolkt met moslims, terwijl de christelijke minderheid bestaat uit ongeveer 14 miljoen christenen of 10% van de bevolking.

De christenen, voornamelijk Maronitische, hebben al sinds de 4e eeuw geleefd in het gebied dat vandaag bekend staat als Libanon, en ze verhuisden in de 8e en 9e eeuw in grote aantallen naar de berg Libanon (Jabal Loubnan). De Maronieten ontleenden hun naam aan John Maron, een geleerde monnik die Patriarch van Antiochië was in de 8e eeuw [1]. De moslimgemeenschap (sji'itische, soennitische en Druzische sekten) ontstond pas in een later stadium in Libanon.

Marguerite Johnson traceert de bloedlijn van de Libanese christenen rechtstreeks naar Jezus. Tegen de 5e eeuw werd het christendom de dominante religie in het gebied van Libanon. Na de krachtige opkomst van de islam vanaf de 7e eeuw werden vele christelijke gemeenschappen langs de kust van Libanon tot de islam bekeerd. Maar de bergen van Libanon bleven een christelijk toevluchtsoord.

Peter Kolvenbach zag dat de geschiedenis van Libanese christenen en de geschiedenis van Libanon zo met elkaar verweven waren dat zonder de christenen, en vooral de Maronitische sekte, er geen Libanon zou zijn geweest, en zonder Libanon zou het lot van de christenen in het Midden-Oosten ook anders zijn geweest.

De burgeroorlog van 1860, tussen de Maronieten en de Druzen, barstte los toen Maronitische boeren in opstand kwamen tegen hun landheren die het landeigendom hadden gekregen van het Ottomaanse Rijk [2]. De Druzen voerden toen met de hulp van Turkse ambtenaren een preventieve aanval uit op de dorpen in het noorden. Engine Akarli vermeld dat enkele sji'ieten en soennieten samenwerkten met de Druzen tegen de Maronieten en de Grieks-orthodoxe christenen (ook al waren de Grieks-orthodoxe altijd vriendelijk geweest tegen de Druzen voorafgaand aan dit incident). Akarli zei dat de Ottomaanse troepen er zelf niet in slaagden om de aanvallen van de Druzen te stoppen omdat ze niet tegen medemoslims wilden vechten.

De burgeroorlog van 1860 kostte meer dan 15.000 christenen het leven, en meer dan 10.000 werden dakloos. Later, echter, vervolgde het Ottomaanse ministerie van Buitenlandse Zaken de Druzische leiders die betrokken waren bij de oorlog, en strafte het zelfs een aantal Ottomaanse officieren en ambtenaren omdat zij de burgeroorlog van 1860 niet konden voorkomen.

Dit was de eerste Libanese burgeroorlog tussen christenen en moslims. Het is belangrijk op te merken dat de Maronieten al eeuwenlang waren onderworpen aan vervolging door de Turkse overheersers. Maar de oorlog van 1860 was de eerste in zijn soort onder het Libanese volk zelf.

De Maronitische Kerk in Libanon heeft overduidelijk een grote rol gespeeld in de politieke status van de christenen in Libanon. Het was de rol van de Maronitische Kerk in Libanon om de status van de christenen onder de Ottomaanse overheersing te versterken. Na de zuivering van het Druzische leiderschap door de Turkse autoriteiten stapte de Maronitische Kerk naar voren als de enige belangrijke instelling in de Libanese bergen. De bijzondere status van de Kerk zette het aan tot streven naar meer invloed. De Kerk was zich goed bewust van niet alleen het feit dat de christenen vergeleken met de Druzen een grote meerderheid waren in de bergen, maar ook van de grotere educatieve en materiële vooruitgang van de Maronieten.

De gebeurtenissen van 1860 hadden voor onrust in Europa gezorgd, vooral in Frankrijk. Hoewel het Turkse Rijk snel maatregelen nam tegen de Druzen, landde een grote Franse legermacht in Beiroet om de Maronieten en andere christenen te beschermen. Deze buitenlandse interventie van de Fransen bracht het Ottomaanse Rijk ertoe om een kleine legermacht in Mount Libanon te stationeren, bestaande uit 160 mannen: 97 Maronieten, 40 Druzen, 16 Grieks-orthodoxen, 5 Griekse katholieken en 2 moslims. Later kon Mount Libanon zelf een troepenmacht van 10.000 man vormen, waarbij het Arabisch de Turkse taal verving als taal voor bevelen en instructie. Al deze ontwikkelingen bekrachtigden de christenen, die de belangrijkste kern van de legermacht waren. Bovendien waren de christenen blij dat ze een soort van autonomie kregen van het islamitische Turkse Rijk.

John Spagnolo schreef dat in deze specifieke periode vanaf 1860 de internationale gemeenschap hun steun betuigden aan de belangen van gemeenschappen in Libanon met een soortgelijk geloof. Zo wilde Rusland bijvoorbeeld drie [Kamer]zetels reserveren voor de Grieks-orthodoxen. Frankrijk wilde op zijn beurt de Maronitische vertegenwoordiging verhogen in de administratieve raad, de 'mutasarrifiyya'.

De bescherming van het christendom door de internationale gemeenschap hielp hun overlevingskansen vergroten ten midden van de islamitische verovering in het Midden-Oosten. Marguerite Johnson merkte op dat de christenen herhaaldelijk hebben vertrouwd op buitenlandse machten om hun voortbestaan en politieke macht te kunnen waarborgen: van de Byzantijnen en de Kruistochten in de Middeleeuwen tot aan de Fransen en Amerikanen in 1984.

Omdat deze sectie niet voldoende informatie geeft over het onderwerp, is hierbij het volgende materiaal ingevoegd vanuit een ander artikel op deze site getiteld "Phoenician Christians" [3]:

Komst van de islam en christenen van het Oosten

Door dr. George Khoury, Catholic Information Network (CIN)

De Arabische Profeet

Tijdens zijn leven reageerde Mohammed op verschillende tijdstippen op verschillende wijze op de joden en christenen, afhankelijk van hoe ze hem ontvingen en hoe zijn omgang met christelijke staten was. Eerst was Mohammed voorstander van de christenen en veroordeelde hij de joden, omdat die zijn politieke tegenstanders waren. Dit wordt weerspiegeld in Sura 5:85: "Gij zult zeker ondervinden dat de mannen die het meest vijandig zijn tegen de gelovigen, de joden en de afgodendienaren zijn, en gij zult zeker degenen die het meeste liefde voor de gelovigen tonen vinden onder degenen die zeggen: 'Wij zijn Nasara [christenen]', omdat sommige van hen priesters en monniken zijn, en ze niet trots zijn" (Sura 5:85, zie ook Sura 2:62, 5:69, 12:17).

Later keerde hij zich tegen hen en viel hun geloof aan dat Jezus Gods zoon is (Sura 9:30), verwierp het dogma van de Drie-eenheid (4:17), en wees op de onderlinge verdeling van de christenen (5:14). Meestal nam Mohammed echter een tussenpositie in: de christenen worden samen met de joden vermeld als 'Mensen van het Boek', terwijl hun aanspraak op het bezit van de ware religie wordt geweigerd (Zie Sura 1:114; 3:135, 140; 9:29). En zij zouden [volgens Mohammed] gestraft worden door God.

Vecht tegen zij die niet geloven in Allah, of in de Dag des Oordeels, en verbied voor de Mensen van het Boek (joden en christenen) en degenen die niet de religie van de waarheid erkennen (dwz islam) niets van wat verboden is door Allah en Zijn boodschapper, totdat zij de jizya betalen. [...] Dat is de uitspraak van hun mond, in overeenstemming met de ongelovigen aan God. God moge ze aanvallen! Hoe ze gecorrumpeerd zijn! Zij bezien hun schriftgeleerden en hun monniken als heren naast God en de Messias, de zoon van Maria, terwijl zij werden bevolen om maar één God te dienen, er is geen God dan Hij. (Sura's 29-31)

Tijdens zijn leven regelde Mohammed zijn relatie met christelijke politieke entiteiten door verdragen, waarbij zij hun kerken en priesters mochten houden, maar ook de moslims moesten eren en hen diensten leveren.

Gedurende de periode van tweehonderd jaar na de dood van Mohammed bleef de houding van de islam tot het christendom over het algemeen vergelijkbaar met wat het was tijdens de laatste jaren van het leven van de profeet; het christendom werd beschouwd als parallel aan de islam, maar corrupt. In zoverre was de islam superieur. De uitstekende consequentie van deze periode was echter het benadrukken voor de massa van gewone moslims dat het christendom corrupt en onbetrouwbaar was. Dit, samen met de doodstraf voor afvalligheid, zorgde dat de moslims in landen geregeerd door de kromzwaard effectief geïsoleerd waren van christelijke propaganda. Laten we dit nader bekijken, in eerste instantie voor de periode direct na de dood van de profeet in 633 na Christus.


Het convenant van Umar I (634 tot 644)

In het jaar na de dood van de profeet in Arabië kwamen er grootschalige invasies van naburige landen. In 634 behaalden de Arabische troepen een beslissende overwinning op Ajnadayn, en Damascus gaf zich over aan Khalid ibn-al-Waleed in september 635. Jeruzalem capituleerde in 638 en Caesarea werd ingenomen in 640, en tussen 639 en 646 werden heel Mesopotamië en Egypte onderworpen. De laatste verbindingen tussen deze christelijke landen en Rome en Byzantium werden verbroken; nieuwe banden werden gesmeed met Mekka en Medina. In ongeveer tien jaar veranderden de islamitische veroveringen het gezicht van het Nabije Oosten, en binnen ongeveer een eeuw veranderden ze het gezicht van de beschaafde wereld. Het was verre van onbelangrijk; de overwinningen van de islam bleken een doorslaggevende factor in het afknijpen van het leven en de groei van het Oosterse christendom.

Nadat de Arabische invasies waren gestopt, ontstond het probleem van deze nieuwe landen te besturen. Umar ibn-al-Khattab (634 tot 644) was de eerste man die zich over dit probleem boog. [De geschiedkunigen] zijn het eens dat het beleid dat de christenen redde, afgezien van een paar latere toevoegingen, Umars eigen beleid was. De overwonnen volkeren kregen een nieuwe status, die van dhimmi (of ahl-al-dhimmi). Als dhimmi's moesten ze een bijdrage betalen die bestond uit zowel een landelijke belasting (later kharadj) als een hoofdelijke belasting (later jizya), terwijl ze de bescherming van de islam genoten en waren vrijgesteld van militaire dienst, omdat alleen een moslim zijn zwaard mocht trekken ter verdediging van de islam.


Hoe Griekse Wetenschap werd doorgegeven aan de Arabieren

De christelijke gemeenschap in het multiculturele Byzantijnse Oosten was goed opgeleid en beschaafd, en was de katalysator die het moderne onderwijs en scholing aan de binnenvallende Arabische stammen overdroeg. Omdat zij de werken van de Grieken en andere vroege denkers vertaalden en hun eigen bijdrage leverden, speelde de christelijke gemeenschap een belangrijke rol bij het doorgeven van kennis. Dit leidde later tot de grote Arabische bijdrage aan de gebieden van wetenschap en kunst. Hier zijn een aantal namen van de Oosterse, niet-Arabische, christenen die we zouden moeten onthouden inzake deze, maar vaak ondergewaardeerd zijn:

Voor meer details, zie de recensie van How Greek Science Passed to the Arabs [4].


De Ummayads

De Ummayad-kaliefen (661-750) leefden in de eerste plaats als Arabieren en daarna pas als moslim. Als gevolg daarvan was hun ambstermijn liberaal over zowel politieke als religieuze zaken. Maar tijdens het bewind van de Ummayad-kalief Umar II (717-720) ontstond er de wens om overwonnen volken tot de islam te bekeren en gunstige voorwaarden te scheppen voor een gelijkwaardige of betere participatie van alle moslims in het sociale en politieke leven van de gemeenschap. Umar was geschokt dat niet-moslims gezag konden uitoefenen over moslims, en probeerde om dat te voorkomen. In Egypte ontsloeg hij een deel van de Koptische ambtenaren uit hun functies en verving hen door moslims, en het lijkt erop dat hij dit beleid over het hele rijk uit liet voeren. Hij schreef aan de gouverneur van Egypte: "Ik ken geen van uw niet-islamitische secretarissen of ambtenaars, in geen enkel deel van uw regering, maar ik heb hen ontslagen en in hun plaats moslims benoemd". Dit beleid van Umar II werd in het latere tijdperk van de Abbasiden omgezet in een groot programmapunt, dit als gevolg van de ontevredenheid van veel moslims over de rijkdom en corruptie van de liberale Ummayad-kaliefen en de frustratie dat niet-Arabische moslims, in het bijzonder Perzische moslims, zich behandeld voelden als tweederangs burgers. Mede door externe politieke omstandigheden en het onhandelbare en sociaal ontwrichtende gedrag van sommige christelijke groeperingen, reageerde Umar II met een aantal heftige maatregelen tegen de christenen. Hij onthief de jizya voor elke christen die zich bekeerde, en legde andere vernederende beperkingen op:

Christenen mochten niet getuigen tegen moslims. Zij mochten geen openbaar ambt bekleden. Zij mochten niet hardop bidden of hun klepels laten luiden. Zij mochten geen 'qaba' [soort jas] dragen, noch rijden op een zadel. Een moslim die een christen doodde werd gestraft met een boete, niet met de dood. [Umar] schafte de financiële regelingen af waarbij kerken, kloosters en de goede doelen werden ondersteund. Ondanks deze uitzonderingen werd de heerschappij van de Ummayads als regel gekenmerkt door zowel politiek als religieus en intellectueel liberalisme. Dat is de reden waarom Ummayad-kaliefen, met uitzondering van Umar II, niet aandrongen op of zelfs maar streefden naar mensen te bekeren tot het islamitische geloof.


Het Abbasidische tijdperk (750-1258)

Met de val van de Ummayads in 750 werd de hegemonie van Syrië in de moslimwereld beëindigd en stierf de glorie van dat land. Toen de Abbasiden-dynastie aan de macht kwam betekende dat een radicale verandering in het machtsevenwicht binnen het kalifaat. In het grote en complexe overheidsorgaan dat het kalifaat nu was geworden, was er een ingewikkeld netwerk van partijbelangen, soms tegenstrijdig en soms overeenkomstig. Het herstellen van het evenwicht was dus geen eenvoudige zaak, en tijdens deze eeuw (dat wil zeggen, de 8e eeuw) hadden de kaliefen allereerst het doel om een beleid door te voeren waar de meerderheid van de bewoners achter zouden staan. In een islamitische omgeving is het onvermijdelijk dat een dergelijke politieke strijd ook religieuze gevolgen heeft. Ten eerste, en ten opzichte van andere islamitische groepen, onderdrukte het kalifaat onder de Abbasiden een aantal opstanden van Kharajiten die weigerden zich te onderwerpen aan de nieuwe heerschappij. Er waren ook andere tegenstanders die vraagtekens zetten bij de legitimiteit van de aanspraak van de Abbasiden op het kalifaat. Wat betreft de christenen en de rest van ahl-al-dhimmi zou het Abbasidische tijdperk minder tolerant blijken te zijn ten opzichte van niet-moslims, en zou ofwel de oude anti-christelijke wetgeving herinvoeren ofwel nieuwe beperkingen opleggen.

De Abbasiden kozen Bagdad als hun hoofdkantoor, maar voor een korte periode bracht al-Mutawakkil (847-861) zijn zetel over uit Irak naar Damascus (885). Omdat de Melkiten een kleine groep in Mesopotamië waren, waren het de Nestorianen en de Jacobieten die onder de Abbasidische heerschappij sterker speelden in het literaire leven van het land en bracht grotere bijdragen leverden [5]. Het begin van het Abbasidische kalifaat, tot aan het bewind van al-Mutawakkil (847-861), markeerde het hoogtepunt van de Nestoriaanse Kerk van het midden van de 8ste eeuw tot medio 9e eeuw. Dit wonderbaarlijke succes werd mogelijk gemaakt door het grote aantal ijverige en goed opgeleide monniken, gevormd door de vele scholen die er op dat moment bestonden. In Bagdad zelf waren er blijkbaar veel belangrijke kloosters, groepen professoren en studenten. Er waren bijvoorbeeld de school van Deir Kalilisu en Deir Mar Fatyun en de school van Karh.

In de laatste twee scholen werden geneeskunde en filosofie onderwezen, samen met de heilige disciplines. Christelijke artsen en vooral schriftgeleerden kregen invloed op het onderwijs binnen de Nestoriaanse Kerk, en deden hun best om een soepelere wetgeving ten behoeve van hun volkeren los te peuteren bij islamitische heersers. Hoewel de Abbasiden tolerantie toonden ten opzichte van de andere religieuze, niet-islamitische groepen, bleven zij nog steeds voornamelijk alleen tolerant ten opzichte van een aantal van hun geloofsgenoten die leefden in de marge van de traditionele islam.

De christenen hadden veel te verduren, en dit gold met name voor de Melkiten die leefden in de oostelijke provincies van het rijk. Voorheen had al-Mutawakkil Abu Gafar al-Mansur (754-775) vele vervelende maatregelen opgelegd aan de christenen. In 756 verbood hij christenen om nieuwe kerken te bouwen, om het kruis in het openbaar weer te geven, en om met moslims te spreken over religie. In 757 verplichtte hij de belastingen voor monniken, zelfs degenen die leefden als kluizenaars, en gebruikte hij de joden om heiligdommen te roven voor de schatkist. In 759 ontsloeg hij alle christenen uit de functie van schatbewaarder. In 766 liet hij de kruizen op de spitsen van de kerken neerhalen, verbood hij elke nachtelijke liturgische viering en verbood de studie van een andere taal dan het Arabisch. In 722 moesten zowel joden als christenen een speciaal teken dragen om ze te onderscheiden van andere gelovigen. Abu Gafar al-Mansur sloot ook mensen op in de gevangenis, om verschillende redenen, [zoals] de Melkitische patriarch Theodoretus, de patriarch Georges, en de Nestoriaanse Katholikos James. Al-Mahdi (775-785) verergerde de vervolging en liet alle kerken gebouwd sinds de Arabische verovering vernietigen. De christelijke stammen van Banu Tanuh, die 5.000 strijders telde, werden gedwongen de islam te aanvaarden. Uit boosheid over de nederlagen die hij had geleden door de Byzantijnen stuurde al-Mahdi troepen naar Homs in Syrië, om te zorgen dat alle christenen hun geloof zou afzweren. Maar veel van deze wetten werden echter niet afgedwongen. Toen Umar II bijvoorbeeld probeerde om alle dhimmi's uit overheidsfuncties te ontslaan, kwam er zulke verwarring dat het bevel werd genegeerd.

De Barmakid-viziers, van Turkse afkomst, die de sterke arm van de Abbasidische kaliefen waren, lijken tot op zekere hoogte welwillend te zijn geweest tegenover de ahl-al-dhimmi (de dhimmi's) en vooral tegenover de christenen. Pas tegen het einde van de heerschappij van Haroen al-Rahid (786-809), dat wil zeggen, nadat de Barmakids ten schande waren gemaakt [voor hun soepele wetten], werden sommige maatregelen tegen de christenen doorgevoerd. Haroen al-Rashid voerde een aantal van de anti-christelijke en anti-joodse maatregelen van Umar II (717 tot 720) opnieuw in. In 807 beval hij dat alle kerken gebouwd sinds de islamitische verovering gesloopt zouden worden. Hij besloot ook dat de leden van getolereerde sekten zich aan kledingvoorschriften moesten houden. Maar blijkbaar werd een groot deel van deze wetgeving niet afgedwongen. Onder zijn zoon al-Mamoen (813-833) kwam er in 814 een algemene vervolging in Syrië en Palestina. Veel christenen en kerkelijke leiders ontsnapten naar Cyprus en Byzantijnse gebieden. Onder al-Watheq (842-847) verbeterde de regels ook niet en waren bijzonder triest voor de christenen. Onder al-Mutawwakil (847-861) werden de christenen steeds meer ontevreden vanwege de zware omstandigheden die aan hen waren opgelegd. In 850 en 854 deed al-Mutawwakil de discriminerende wetgeving herleven en vulde die aan met nieuwe regels, die de strengste regels waren die ooit werden opgelegd aan minderheden. Christenen en joden werden bevolen om houten beelden van duivels op hun huizen aan te brengen, hun graven met de grond gelijk te maken, bovenkleding van gele kleur te dragen, en alleen te rijden op muildieren en ezels met houten zadels gekenmerkt door twee granaatappel-achtige knobbels op het voorste deel van het zadel. De juristen van die tijd oordeelden, gebaseerd op een beschuldiging in de Koran dat de joden en de christenen de tekst van hun geschriften corrupt hadden gemaakt (Sura's 2:70; 5:16-18), dat de getuigenis van een jood of christen niet aanvaardbaar zou zijn tegen die van een moslim.

Juridisch gezien stond de mannelijke dhimmi onder de mannelijke moslims in bijna elk opzicht. [Dhimmitude] beschermde zijn leven en eigendom, maar accepteerde zijn [getuigenis en] bewijs niet. Deze acht daden zouden de dhimmi buiten de wet stellen: samenzwering om de moslims te bevechten, seks met een moslima, een poging tot een huwelijk met een moslima, een poging om moslim te bekeren van zijn godsdienst, een moslim te beroven op de wegen, als een spion of een gids voor ongelovigen dienen, of het doden van een moslim. Maar ondanks deze strenge wetten was de sociale status van de christenen niet zo somber. De gevolgen van deze anti-christelijke wetgeving werden tot op zekere hoogte beperkt door het aantal christenen en de invloed van sommige van hen in vooraanstaande en belangrijke beroepen, zoals in de geneeskunde en hoge functies van de overheid[. Zo was er bijvoorbeeld] Abu al-Hasan Sa'id ibn Amr-ibn-Sangala, die de functie van secretaris had voor de kalief al-Radi (934-40), en die in 935 ook werd aangesteld als speciale secretaris voor de twee zonen van de kalief, en ook als minister van Financiën, en die van onschatbare waarde was voor de belangen van de christenen. Omdat de islam moslims verbiedt om geld uit te lenen, hadden christenen een zeker monopolie op de beroepen van goudsmid, juwelier, en bankier. Daarom waren veel christenen rijk en dit wakkerde verdere gevoelens van jaloezie aan tegen hen. Over het geheel genomen waren de betrekkingen tussen moslims en christenen vreedzaam en werden de onrechtvaardige wetten niet altijd afgedwongen.

Toch konden de christenen niet anders dan het stigma van minderwaardigheid voelen en verdragen. Zelfs de literatuur over de islamo-christelijke controverse mag ons niet misleiden over de ware situatie in het land van de islam. De tolerantie die ze genoten was niet het resultaat van een consequent overheidsbeleid dat alle kaliefen doorvoerden. De kaliefen [waren vooral tolerant uit zorg voor] de bescherming en bevordering van de wetenschappen en de kunsten. De islamisering van Syrië en Irak en andere landen heeft de arabisering ongetwijfeld vergemakkelijkt. Na een Arabische militaire overwinning kwam er de verovering en de overwinning van de islam als een religie, waarbij veel christenen in Syrië en andere landen tot de islam bekeerden om diens onderdrukkende en vernederende omstandigheden te ontsnappen. Tot slot was er de taalkundige overwinning waarbij Arabisch het Grieks en Aramees verdrong.


Addendum: Vervolging van de Koptische Kerk

De orthodox-christelijke Koptische Kerk van Egypte [6]

De grootste glorie van de Koptische Kerk is misschien wel diens Kruis. Kopten zijn trots op de vervolging die zij al hebben geleden vanaf 8 mei 68 na Christus, toen hun beschermheilige Marcus op Paasmaandag werd gedood en door Romeinse soldaten bij zijn voeten door de straten en steegjes van Alexandrië werd gesleept. De Kopten werden door bijna elke heerser van Egypte vervolgd. Hun geestelijken zijn gemarteld en na het schisma van Chalcedon in 451 na Christus zelfs door hun christelijke broeders verbannen tot aan de Arabische verovering van Egypte in 641 na Christus. Om de trots op hun Kruis te benadrukken hebben de Kopten een kalender gemaakt, genaamd de Kalender van de Martelaren, die begint op 29 augustus 284 na Christus, ter herdenking van zij die voor hun geloof gestorven zijn onder het bewind van de Romeinse keizer Diocletianus. Deze kalender wordt nog steeds gebruikt in het lectionarium van de Koptische Kerk, en door boeren in heel Egypte, om de verschillende agrarische seizoenen bij te houden.

In de vier eeuwen na de Arabische verovering van Egypte bleef de Koptische kerk in het algemeen bloeiend en bleef Egypte vrijwel christelijk. Dit is grotendeels te wijten aan de gelukkige positie die de Kopten genoten, want de profeet van de islam, die een Egyptische vrouw had (de enige van zijn vrouwen die hem een kind baarde), predikte bijzondere vriendelijkheid naar Kopten: "Wanneer u Egypte verovert, wees aardig voor de Kopten, want zij zijn uw beschermelingen en vrienden en verwanten". Kopten waren dus vrij om hun religie uit te oefenen en waren voor een groot deel autonoom, op voorwaarde dat zij nog steeds de speciale belasting betaalden, de zogeheten 'jizya' die hen kwalificeerde als 'al-dhimma' protegés (beschermelingen). Personen die zich niet konden veroorloven om deze belasting te betalen werden geconfronteerd met de keuze van bekeren tot de islam of het verlies van hun burgerlijke rechten om te worden 'beschermd', wat in sommige gevallen leidde tot de dood. Kopten bleven voorspoedig, ondanks de extra inkomstenbelasting die hen werd opgelegd in 750-868 na Christus en 905-935 na Christus onder de Abbasiden-dynastie, en hun kerk genoot een van de meest rustige tijden [in hun geschiedenis]. De nog behouden literatuur uit kloosterlijke centra, daterend uit de 8e tot de 11e eeuw, toont geen drastische breuk in de activiteiten van de Koptische ambachtslieden, zoals wevers, leerlooiers, schilders, en houtbewerkers. Gedurende die periode bleef Koptisch de landstaal, en het was pas in de tweede helft van de 11de eeuw dat de eerste tweetalige Koptische-Arabisch religieuze manuscripten begonnen te verschijnen. Een van de eerste volledig Arabische teksten is de 13e-eeuwse tekst van Awlaad El-Assal (Kinderen van de Honingmaker), waarin de wetten, culturele normen en tradities van de Kopten in deze cruciale tijd, 500 jaar na de islamitische verovering van Egypte, werden beschreven. De goedkeuring van Koptisch als de landstaal voor de Egyptenaren ging zo lang door dat al-Makrizi impliceerde dat Koptisch zelfs in de 15e eeuw nog grotendeels in gebruik was. Tot op de dag van vandaag blijft de Koptische taal de liturgische taal van de Kerk.

Het christelijke gezicht van Egypte begon te veranderen in het begin van het tweede millennium na Christus toen de Kopten, in aanvulling op de jizya-belasting, leden onder specifieke beperkingen, waarvan sommige ernstig waren en zich bemoeiden met hun vrijheid van godsdienst. Zo mochten zij geen oude kerken repareren of nieuwe bouwen, of getuigen in de rechtbank, [waren er speciale regels voor] gedrag in het openbaar, adoptie, erfrecht, openbare religieuze activiteiten, en kledingvoorschriften. Langzaam maar zeker was het gezicht van Egypte aan het eind van de 12e eeuw veranderd van een overwegend christelijk naar een overwegend islamitisch land, en de Koptische gemeenschap kreeg een ondergeschikte positie en leefde in afwachting van islamitische vijandigheid, die regelmatig in geweld ontaardde. Het is opmerkelijk dat het welzijn van de Kopten min of meer verband hield met het welzijn van hun heersers. De Kopten werden met name het zwaarst getroffen in de perioden waarin Arabische dynastieën weinig macht hadden.

De positie van de Kopten begon in het begin van de 19e eeuw te verbeteren onder de stabiliteit en de tolerantie van de dynastie van Muhammad Ali. De Koptische gemeenschap werd niet langer door de staat beschouwd als een administratieve eenheid en in 1855 na Christus werd het belangrijkste kenmerk van minderwaardigheid van de Kopten opgeheven: de jizya-belasting[. Kort] daarna begonnen er Kopten te dienen in het Egyptische leger. De revolutie in Egypte van 1919, de eerste echte opleving van de Egyptische identiteit in eeuwen, getuigt van de homogeniteit van de moderne samenleving van Egypte met zowel diens islamitische als Koptische sekten. Vandaag de dag is deze homogeniteit het enige dat de Egyptische samenleving verenigd houdt tegen de religieuze intolerantie van extremistische groeperingen, die de Kopten af en toe blootstellen aan vervolging en terreur. Moderne martelaren, zoals priester Marcos Khalil, dienen als herinnering aan de wonderlijke overleving van de Kopten.

Ondanks de vervolging is de Koptische Kerk als religieuze instelling nooit beheerst door de regeringen in Egypte en heeft het zich niet toegestaan die te beheersen. Deze lang gekoesterde positie van de kerk met betrekking tot de scheiding tussen kerk en staat komt voort uit de woorden van de Here Jezus Christus zelf, toen hij zijn volgelingen vroeg zich te onderwerpen aan hun heersers: "Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God de dingen aan God toebehoren" [Mattheus 22:21]. De Koptische Kerk heeft zich nooit met geweld verzet tegen autoriteiten of indringers en was nooit verbonden met enige machten, want de woorden van de Here Jezus Christus zijn duidelijk: "Houd uw zwaard op zijn plaats, want allen die naar het zwaard grijpen zullen door het zwaard omkomen" (Mattheus 26:52). De wonderbaarlijke overleving van de Koptische Kerk tot op de dag van vandaag is een levend bewijs van de geldigheid en de wijsheid van deze leringen.


Autonome regering en de geboorte van sektarische machtsdeling na de burgeroorlog van 1860

De oorsprong van de christelijke politieke invloed in Libanon kan worden teruggeleid naar 1861. In 1861 legden de buitenlandse machten een maatregel op die bekend staat als de 'Reglement Organique' waarin de Ottomaanse regering Mount Libanon aanwees als een autonome Ottomaanse provincie die moest worden geregeerd door een niet-Libanese Ottomaanse christelijke gouverneur, geselecteerd door de sultan, en goedgekeurd door de grote machten van Europa. De autonome provincie zou een speciale Ottomaanse gouverneursstaat worden, oftewel mutasarrifiyya. De gouverneur zou geholpen worden door een nieuwe 12-koppige raad waarvan de zetels werden toegewezen op sektarische basis. [Naar de mening van een historicus] Aziz Abu Hamad zou dit systeem de macht van de Maronieten vergroten ten koste van de Druzen en andere sekten.

Aziz Abu Hamad zei dat de christenen vanaf 1861 autonoom konden zijn onder de Ottomaanse overheersing. Dit was erg belangrijk voor de ontwikkeling van hun nationalisme en hun doel om een christelijke staat te vormen. Veel Maronieten zagen de mutasarrifiyya als basis voor een onafhankelijk Libanon dat een christelijk bolwerk zou zijn en een voorpost van West-Europa in het Midden-Oosten.

De christelijke confrontatie met de Druzen liep door in het begin van de 20e eeuw. In september 1903, bijvoorbeeld, leidden botsingen tussen christenen en moslims tot de dood van 7 christenen en 15 moslims. Naar schatting zochten 20.000 christenen, voornamelijk Maronieten, hun toevlucht in de bergen tot sektarische gemoederen bekoeld waren.


Het Franse mandaat en de toename van de christelijke politieke invloed

De christelijke invloed in Libanon groeide in september 1920 met de oprichting van de staat Libanon onder Frans mandaat. De oprichting van Grand Liban (Groot-Libanon) door generaal Gouraud, Hoge Commissaris voor Syrië en Libanon, was de eerste stap die Frankrijk zette om haar beloftes aan de traditionele Libanese christenen na te komen, vooral die aan de Maronieten voor de oprichting van een christelijke staat. De oprichting van een onafhankelijke christelijke staat, met uitgebreide grenzen, en onder Franse bescherming, was voor de christenen, in het bijzonder de Maronieten, de realisatie van een eeuwenoude droom.

Voor de moslims in Syrië en de gebieden die net bij Libanon waren geannexeerd (Akkar, Tripoli, Beiroet, Bekaa en het zuiden), was het echter de laatste slag in een reeks van demoraliserende gebeurtenissen die zes weken eerder waren begonnen: de nederlaag van het Arabische leger in Maisalun, en de daaropvolgende bezetting van Damascus door de Fransen, en de verbanning uit Syrië van de Syrische koning Faisal.

De Libanese moslims waren teleurgesteld dat ze zich niet konden verenigen met het door moslims gedomineerde Syrië. Christenen verwelkomden het Franse mandaat dat aan hun kant stond. Het gouverneurschap dat de Fransen hadden ontworpen voor Libanon verkoos christenen boven moslims. De oprichting van een pro-christelijk systeem versterkte de status van de christenen in Libanon en in het Midden-Oosten.

Abt Paul Naäman schreef de oprichting van de republiek van Groot-Libanon toe aan de inspanningen van de Maronitische Kerk, en beschouwde het als de grootste prestatie van de Kerk. Na de oprichting van Groot-Libanon in 1920 verslechterden de relaties tussen moslims en christenen in Libanon snel; moslims vielen de christelijke dorpen in Libanon aan. De oprichting van Groot-Libanon werd een tijdbom omdat het moslims, wiens trouw bij Syrië en de Arabische natie lag, dwong om burgers van de nieuwe staat te worden.

Eyal Zisser legde uit dat het aantal christenen in Libanon daalde van 85 procent naar 54 procent van de bevolking toen de nieuwe gebieden werden toegevoegd als een nieuw deel van de bergen van Libanon. De oprichting van Groot-Libanon zou bijdragen aan hun val 70 jaar later, vanwege de toevoeging van die door moslims bevolkte gebieden.

Sami Ofeish legde uit dat het sektarische systeem al in 1920 speelde:

In het eerste parlement, opgericht in 1926, werden de zetels toegewezen op een sektarische basis. De sektarische verdeling van de hoge overheidsfuncties begon ook vorm te krijgen in deze periode, hoewel ze met name naar de christelijke elite gingen.

Het pact van 1943

Het is zeer belangrijk om zorgvuldig te kijken naar de structuur van het Libanese politieke sektarische regime. Die structuur heeft tot 1990 voor christelijke politieke dominantie gezorgd. Het sektarische systeem werd versterkt met de onafhankelijkheidsverklaring van 1943 na de ineenstorting van het Franse mandaat. President Bishara Al-Khouri (een christen) en premier Riad Soleh (een moslim) verenigden zich in een ongeschreven overeenkomst die het Nationaal Pact werd genoemd.

Het Nationaal Pact werd een nieuw politiek systeem voor Libanon. Het doel ervan was om de positie van het voorzitterschap voor de Maronieten te behouden, en het premierschap voor de soennieten, en de spreekstoel in parlement voor de sji'ieten. Bovendien was voor het pact overeengekomen om parlementszetels, kabinetsposten, en administratieve en legerfuncties op een sektarische basis te verdelen op alle niveaus. Sami Ofeish zei dat het Nationaal Pact christenen en in het bijzonder de Maronitische elite de voorkeur gaf.

Het pact van 1943 legde de christelijke politieke macht vast die hen in de jaren '20 was gegeven door het Franse mandaat. Het stelde christenen in staat om moslims voor de volgende 32 jaar te regeren, tot het [systeem] begon af te brokkelen in 1975. Christenen hadden zeker overweldigende overmacht in het politieke systeem, ondanks dat de volgende twee hoogste politieke ambtsposities voor de moslims waren.

Ook Mark Tomass heeft opgemerkt dat de christenen het leeuwendeel van de sektarische banen kregen:

Dit doordringende sektarisme kwam tot uiting in de grondwet van 1943, die was geschreven onder het Franse mandaat (1920-1945). Het wees specifieke overheidsfuncties toe aan religieuze leiders. Vanwege hun grootste en specifieke banden met Frankrijk, kregen Maronitische christenen het leeuwendeel van de banen.

Alle bovenstaande geeft aan dat de christenen de overhand hadden over de moslims, en daarom domineerden zij het land tot het begin van de burgeroorlog.


Hoofdstuk 2: Christenen bleven aan de macht van 1943 tot 1975

Dit hoofdstuk stelt dat de christenen erin zijn geslaagd om de macht te houden ondanks dat moslims probeerden om een groter aandeel van de macht te eisen van de christenen.

Volgens Brenda Seaver doorstond de Libanese politieke situatie tussen 1943 en 1975 periodes van ernstige interne strijd. De belangrijkste oorzaken van deze strijd waren de burgeroorlog van 1958, het Arabisch-Israëlische conflict, en de instroom van de Palestijnse vluchtelingen en de aankomst van de PLO in Libanon. Deze bovengenoemde gebeurtenissen zouden dienen als een katalysator voor de burgeroorlog van 1975 en de val van het politieke systeem uit 1943 in 1990.


De oprichting van de nieuwe staat Israël en de effecten ervan op christenen en moslims in Libanon

De oprichting van Israël in 1948 heeft de hartelijke harmonie tussen de Libanese christenen en moslims sterk beïnvloed. De reden hiervoor is dat sommige christelijke leiders in het openbaar vergaderden met Israël. Maar moslims zagen Israël als de belangrijkste vijand van de Arabische wereld, en elke samenwerking met hen werd beschouwd als verraad.

Patriarch Antoine Arida was de eerste christelijke leider die een zionistisch-maronitisch verdrag van 1946 ondertekende. Het verdrag stelde richtlijnen op voor het aantrekken van de nauwe banden en de samenwerking tussen de Maronieten in Libanon en de joodse Yishuv in Palestina, op basis van de wederzijdse erkenning van hun rechten en nationale verlangens. De christenen maakte er geen geheim van dat ze geloofden dat ze konden profiteren van de banden met en de ervaring van de joodse Yishuv.

Eyal Zisser legde uit waarom de Maronieten die banden met Israël zochten:

Het enige wat de Maronieten wilden was discreet Israëls steun te werven voor hun strijd in het Libanese binnenland, en deze banden zo nauw mogelijk te houden.

Ondanks het feit dat de betrokken partijen het verdrag niet uit konden voeren, laat het zien hoe zeer de christenen op zoek waren naar een bondgenoot om hen te beschermen tegen de vijand van binnenuit, namelijk de moslims, die zich geleidelijk begonnen te distantiëren van het Nationaal Pact van 1943.

Volgens Eyal Zisser waren er ook andere christelijke leiders die in het openbaar hun sympathie uitten voor de zionistische beweging, namelijk de aartsbisschop van Beiroet, Ignatius Mubarak. Omdat de moslims Israël zagen als een obstakel voor een machtigere islamitische Arabische wereld, zochten zij steun van buitenstaanders, zoals van de Palestijnen in de vroege stadia van de Libanese burgeroorlog en Syrië in de latere periode.


De burgerlijke onrust van 1958

De politieke macht van de christelijke politieke elite werd voor het eerst bestreden in 1958. Het land werd tijdens deze periode in opschudding gebracht. In 1958 kwamen Syrië en Egypte samen in de Verenigde Arabische Republiek (UAR) onder volledige Egyptische heerschappij. Dit verbond werd gesteund door de meerderheid van de Libanese sji'ieten en soennieten.

De Libanese regering, gedomineerd door christenen, was bang voor de aanhangers van de pro-Arabische eenheid die probeerden om de regering omver te werpen. Voorzitter Camille Chamoun, die werd gesteund door het merendeel van de christenen, was absoluut vastbesloten om Libanon te behouden. Als gevolg hiervan was er slechts een klein vonkje nodig om wijdverspreid geweld te doen oplaaien. Daarom doodden onbekende aanvallers op 8 mei in Tripoli (de tweede grootste Libanese stad) een Maronitische journalist die tegen het regime was. Meteen werd de openbare orde in Tripoli en de islamitische delen van Beiroet verstoord, want er braken rellen uit die leidden tot de mobilisatie van bendes en kleine milities van de radicale partijen Nasirites en Baath.

President Chamoun, een christen, vroeg de regering van Eisenhower in 1958 om de onrust onder de bevolking af te remmen. De regering van Eisenhower reageerde snel door 10.000 mariniers te sturen om de overheidskrachten bij te staan. Aziz Abu-Hamad citeerde dat de door Maronieten geleide regeringstroepen en de Maronitische militie vochten tegen een alliantie van islamitische milities en hun linkse en Nasiristische bondgenoten in Tripoli, Beiroet, Sidon en Tyrus. Aziz voegde eraan toe dat de crisis van 1958 pas ophield toen president Chamoun zijn plannen voor een tweede regeringstermijn had laten vallen. Christenen en moslims waren uiteindelijk tevreden met de verkiezing van de legercommandant Fouad Shihab als de nieuwe president, en als gevolg trok de VS zich terug uit Libanon.

Tijdens de burgeroorlog van 1958 streed de door christenen gedomineerde regering samen met de Maronitische militie tegen moslims en linksen. Hoewel de oorlog van 1958 werd veroorzaakt door de botsing van groepen voor Libanese soevereiniteit en die voor Arabische eenheid, versterkt dit het geloof dat de Libanese gemeenschap was verdeeld langs sektarische lijnen. Zo steunden de christenen de Libanese soevereiniteit, terwijl de moslims liever wilden dat Libanon toe zou treden tot een meer gewenste verenigde Arabische liga.


De Arabisch-Israëlische oorlog van 1967 en de toegenomen Palestijnse bemoeienis met Libanon

De Arabisch-Israëlische oorlog van 1967 maakte de relatie tussen christenen en moslims nog ongemakkelijker. Dit was te wijten aan het feit dat de Libanese politieke leiders weigerden om hun troepen in te zetten voor de Arabisch-Israëlische oorlog van juni 1967. Het gebrek aan toewijding maakte veel Libanese moslims woedend. Na de nederlaag van de Arabieren in deze oorlog van 1967 begonnen de Palestijnen aanvallen op Israël te lanceren vanuit Libanon. Israël nam wraak door Libanese steden en dorpen te beschieten.

Aziz Abu-Hamad zei dat de Palestijnse militaire actie tegen Israël de christenen en moslims weer verdeelde:

Moslimleiders betuigen steun voor de Palestijnse zaak, christelijke leiders uiten dat ze Libanon niet willen betrekken bij het Midden-Oosterse conflict.

Hoewel Libanese moslims slechts een minderheid waren in het Libanese parlement, kwamen de christenen in 1968 [bevolkingsmatig] in de minderheid. Dit was grotendeels te wijten aan de grote aantallen christelijke emigranten en de hogere islamitische geboortecijfers. Aziz Abu-Hamad legde uit dat de moslims in 1968 meerdere wijzigingen eisten van de overheid, waaronder dat ze een einde zouden maken aan het akkoord dat Maronieten voortrok bij hoge functies zoals de commandant van het leger en de directeur van de centrale bank.

De overeenkomst van Caïro uit 1969 gaf de Palestijnen het recht op administratief zelfbestuur over hun vluchtelingenkampen in Libanon. Christenen maakten bezwaar tegen de overeenkomst met het argument dat het verraad was van de Libanese soevereiniteit. De woede van de christenen dwong de christelijke partijen zoals Phalanges (Kata'ib) en Camille Chamoun's Nationale Liberalen om militaire kampen voor hun milities op te richten. Deze vers opgeleide christelijke milities stonden het Libanese leger bij in diens confrontaties met de Palestijnen in 1970. Hoewel die crisis tijdelijk werd opgelost door het opstellen van de Caïro-overeenkomst waren de christelijke leiders klaar voor de volgende ronde, en vastbesloten om de Libanese soevereiniteit en het christelijke karakter van Libanon te handhaven.

In september 1970 verdreef het Jordaanse leger een aantal Palestijnse strijders uit Jordanië. De verhuizing was bedoeld om te voorkomen dat de Palestijnen Israël zouden aanvallen, die zich steeds militair zou vergelden door bombardementen op Jordanië. Veel verdreven Palestijnse strijders die nieuw aankwamen in Libanon maakten gebruik van de Caïro-overeenkomst van 1969, die Palestijnen relatieve autonomie gaf in Libanon. Aziz Abu-Hamad zei dat verschillende Libanese facties, voornamelijk moslims en linkse groepen, de autonomie van de PLO en de politieke en militaire macht gebruikten om aan te dringen op een grotere invloed op de besluitvorming.

Tijdens de Arabisch-Israëlische oorlog van 1973 werden de verschillen tussen christenen en moslims nog duidelijker. De christenen werden boos dat Zuid-Libanon een slagveld was tussen Israël en de Palestijnen, terwijl de moslims op hun beurt van de gelegenheid gebruik maakten om hun ontevredenheid uit te drukken over hun economische en politieke status in een christelijk politiek systeem.


Hoofdstuk 3: Christelijk nationalisme versus islamitisch nationalisme

In dit hoofdstuk komt nationalisme in Libanon aan bod. Nationalisme kan worden beschouwd als een van de oorzaken van de opkomst en ondergang van het christendom in Libanon.

Meir Zamir omschreef de verspreiding van het christelijke nationalisme in Libanon als een van de drie nationalistische bewegingen die gelijktijdig ontstonden in het Midden-Oosten. De andere twee zijn de islamitische en joodse bewegingen.

Het is heel moeilijk voor mensen met verschillende nationalistische stromingen in hetzelfde land om op één gezamenlijke lijn te blijven. Ik zal mijn stuk beperken tot het christelijke en Arabisch/islamitische nationalisme, aangezien Libanon slechts een paar honderd joden telt.

Theodor Hanf zei dat de Libanese nationalisten, voornamelijk christenen, probeerden te bewijzen dat Libanon al sinds mensenheugenis had bestaan, en hij benadrukte diens onafhankelijkheid en uniciteit. Hij voegde eraan toe dat de Arabische nationalisten, meestal moslims, de neiging hebben om de geschiedenis van wat nu bekend staat als Libanon te presenteren als een provinciaal hoofdstuk in de geschiedenis van de Arabisch-islamitische rijken. Hij voegde eraan toe dat er discussie was over wanneer welk deel van het land voor het eerst Libanon werd genoemd, en of een paar van de hedendaagse gemeenschappen in het verleden al een natie waren geweest.

Marguerite Johnson identificeerde het christelijke nationalisme in termen van hun specifieke culturele identiteit in het Midden-Oosten. Het culturele karakter van de christelijke gemeenschap was geworteld in hun religieuze verschil met de rest van het Nabije Oosten, en het werd gevoed door eeuwen van lange culturele banden met West-Europa.

Christelijk nationalisme hielp Libanons overlevingskansen te vergroten. Maar het heeft ook bijgedragen aan hun eigen ondergang. Hun nationalisme botste met islamitisch en Arabisch nationalisme. De moslims hadden net zo hard besloten om Libanon op te eisen en probeerden de Libanese christenen uit de politieke macht te ontzetten.

Tot voor kort werd de meeste christelijke schoolkinderen in Libanon geleerd dat Libanon een Phoenicische en een op het Westen georiënteerde natie is, terwijl de meeste islamitische kinderen wordt geleerd dat Libanon een Arabisch land is en een integraal onderdeel van de islamitische wereld. Veel christenen geloven dat ze Libanees zijn en geen Arabieren.

Ghassan Hage redeneerde dat het feit dat de islamitische sharia mensen indeelt op basis van hun religieuze identiteit de christenen scherp bewust maakte van hun status als religieuze minderheid.

De grootste angst die christenen hebben gehad is hoe te overleven in zo'n door moslims gedomineerde regio. Dit heeft ertoe geleid dat ze de moslims geen kans gaven om Libanon om te zetten in een Arabische en islamitische natie. Dit werd gedaan door het verspreiden van hun idee van nationalisme, dat ze associeerden met Libanese soevereiniteit die ver af stond van Arabische en Islamitische invloeden.

Christelijk nationalisme maakte de christenen tot het begin van de Libanese burgeroorlog in 1975 terughoudend om hun macht te delen met moslims. Ze waren bezorgd over hun toekomst als minderheid, omgeven door een meerderheid van islamitische bevolking die hongerig was naar een groeiend aandeel van de macht als gevolg van hun demografische overmacht. Libanese christenen waren zich altijd scherp bewust van de wreedheden die de moslims in het verleden hadden begaan tegen hun broeders in het Midden-Oosten, namelijk de ondergang van Armeniërs in Turkije en de vervolging van Koptische christenen in Soedan en Egypte. De meerderheid van de christenen associëren zich met hun Phoenicische wortels en niet met de Arabische bedoeïenen (Oorspronkelijk Arabieren).

Antoine Najm was het er niet mee eens dat het nationalisme langs strikt religieuze lijnen liep. Hij zag dat Arabisten, of ze christelijk waren of moslim, ernaar streefden om Libanon bij de 'Grotere Arabische Liga' te voegen of om te zetten in een islamitische of quasi-islamitische staat. Libanese nationalisten keurden dit politieke standpunt af.

De botsing van het nationalisme tussen christenen en moslims in Libanon kan worden geïllustreerd door een recent incident rond de gevierde dichter Khalil Gebran. Onlangs heeft de Amerikaanse Maronitische Unie een brief gestuurd aan de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, generaal Colin Powell, waarin ze duidelijk maken dat de beroemde Libanese dichter Khalil Gebran Libanees is en niet Arabisch. Hun protest was gericht aan de Middle East Descent Association in Amerika, die Khalil Gebran huldigde als een Arabische Amerikaan in de aanwezigheid van Powell. Tom Harb, de voorzitter van de Amerikaanse Maronitische Unie, legde het als volgt uit:

Hoewel we zeker geen bezwaar hebben tegen een partij die Khalil Gebran wil eren, willen wij onze bezorgdheid uiten dat deze grote Libanees-Amerikaanse man wordt geïdentificeerd als een 'Arabisch-Amerikaanse' man.

David Gordon besprak de mening van moslims en christenen over elkaar. Hij schetste het islamitische oordeel over de christenen als volgt:

David Gordon beschreef ook beknopt hoe christenen aankeken tegen islamitisch nationalisme. Hij legde uit dat christenen geloofden dat het Arabische nationalisme onvermijdelijk islamitisch was. Hij voegde eraan toe dat ze verder beweerden dat moslims hypocriet waren in hun pleiten voor een seculiere staat, omdat ze op hetzelfde moment hun 'persoonlijke status' wilden behouden (volgens welke zaken zoals erfenis en huwelijk worden bepaald door voorschriften in de Koran). Ten slotte geloofden christenen dat de politieke of economische integratie van Libanon in de Arabische wereld, met diens autoritaire en socialistische tendensen, alleen maar gevaarlijk zouden zijn voor de vrijheid en de welvaart die zowel moslims als christenen genoten in Libanon. Christenen zagen verder dat toegeven aan islamitische eisen feitelijk zou betekenen om de kip met de gouden eieren te slachten.

De christelijke overtuiging was dat het Arabische nationalisme onvermijdelijk islamitisch was. Dit is waar, aangezien de gewone Arabische burgers en overheid het islamitische karakter van de Arabische wereld benadrukken.

In dit hoofdstuk werd onderzocht hoe Libanese christenen en moslims verschillende nationalistische standpunten aanhingen. De verspreiding van dit verdeelde nationalisme werd vergemakkelijkt door [de verscheidenheid aan] politieke en religieuze politieke partijen, die ik zal bespreken in het volgende hoofdstuk.


Hoofdstuk 4: Christelijke politieke partijen en organisaties

Dit hoofdstuk verkent de [Libanese] christelijke politieke partijen, en hun rol in de opkomst en ondergang van de christenen in Libanon. Deze partijen hebben nationalisme gebruikt als een middel om hun politieke platforms te bevorderen. Deze politieke partijen waren betrokken bij de burgeroorlog van 1975. Bovendien probeerden de Libanese christelijke partijen, ondanks het einde van de burgeroorlog in 1990, nog steeds de politiek in Libanon te beïnvloeden. Deze partijen hadden als doel om erkend te worden als degenen die de rechten van de christenen in Libanon veilig zouden stellen.


De Phalanges-partij (Kataib)

Deze was duidelijk de belangrijkste partij onder Libanese christenen in de gebeurtenissen die tot de crisis van 1975 leidden. In de vroege jaren '50 werden de Phalanges een parlementaire partij en nam deel aan het spel van de Libanese politiek. Het wierf ook niet-christelijke en niet-Maronitische leden. Toch bleef de Phalanges in wezen een Maronitische partij en volgens Rabinovich was de Libanese entiteit die het wilde behouden feitelijk christelijk.

In de zomer van 1975, toen bleek dat het behoud van de christelijke controle over het traditionele politieke systeem in Groot-Libanon niet meer haalbaar was, koos de partij, of althans de radicale vleugel, voor het minder wenselijke doel om een kleiner christelijk Libanon te stichten in Oost-Beiroet, het noordelijke deel van Mount Libanon, en het kustgebied ten noorden van Beirut. Dit gevoel werd uitgedrukt door de publicatie van een interessant pamflet van het Maronitische Intellectuele Centrum in Kaslik, onder de titel "Greater Lebanon: A half century's tragedy". Het pamflet luidde dat de vorming van Groot-Libanon in 1920 door het Franse mandaat niet in het voordeel van de christenen was geweest.

De christenen wisten heel duidelijk dat hun politieke dominantie, die was gewaarborgd door de stichting van Groot-Libanon in 1920 door het Franse mandaat en het pact van 1943, niet meer mogelijk was. Het was een goede strategie om te kiezen voor een kleiner land dat ze konden beheersen en het behoud van hun cultuur. Maar, zoals uit latere gebeurtenissen bleek, waren de moslims niet alleen geïnteresseerd in het overnemen van de macht in Libanon, maar wilden ze ook voorkomen dat de christenen een kleine of grote christelijke Libanese natie zouden vormen. Als gevolg hiervan was de partij zeer geïnteresseerd in het beschermen van christelijke belangen in een land dat onder hen begon weg te glippen naar de islamitische meerderheid.

De Phalanges-partij raakte verdeeld over twee scholen van gedachten[. De eerste was] de stroming vertegenwoordigd door Pierre Gemayel's oudste zoon Amin [Gemayel] en Karim Pakandouni. Zij geloofden dat de Libanese christenen alleen kon overleven door in het reine te komen met hun omgeving. Zij zochten verzoening met Syrië, met Libanese moslims en met de grotere Arabische wereld. De tweede school van gedachte werd vertegenwoordigd door Bashir [Gemayel], de jongere broer van Amin, die in de zomer van 1976 de commandant werd van de gewapende strijdkrachten van de partij. Volgens Itamar Rabinovich was deze stroming sceptisch over Arabische en islamitische bereidheid om een Libanese christelijke eenheid in hun midden te tolereren, en geloofde hij in de noodzaak om de middelen van [hun land] te ontwikkelen, een bondgenootschap met Israël op te richten, de Libanese christelijke diaspora te mobiliseren, en Amerikaanse steun te verkrijgen.

De tweede school van gedachte kreeg meer invloed dan de eerste. Toen Bashir zijn oudere broer buitenspel zette, geloofden velen dat Bashir sterke nationalistische steun onder de christenen deed oplaaien. Hij werd later de president van het land voor 21 dagen, totdat hij werd vermoord. Zijn broer volgde hem op, maar was veel zwakker dan hij.


De Lebanese Forces

Het leger van de Phalanges noemde zich de Lebanese Forces (LF). Het verzamelde tot 20.000 troepen, waarvan een kern van 3.000 beroepssoldaat was. Onder leiding van William Hawi, en later van Bashir Gemayel, ontwikkelde het zich tot een formidabele en zeer georganiseerde strijdmacht. De Phalanges stelden de dienstplicht in in de omgeving die het beheerste, en wierf alle jonge mannen die in aanmerking kwamen om hun troepen te versterken. Tijdens interne gevechten door de burgeroorlog heen en tot 1982 aan toe stelde de Lebanese Forces hun leiding over het Libanese christelijke front vast door samen te gaan met andere christelijke milities, vaak met geweld.


De Nationale Liberale Partij

De belangrijkste bondgenoot van de Phalanges in het Libanese front was de Nationale Liberale Partij van Camille Chamoun, een politieke formatie die sterk verschilde [van de Phalanges]. Als een kleine partij georganiseerd rond de persoon en de persoonlijkheid van haar leiders ontbrak het hen aan een coherente leer, uitgebreide structuur, en ledenaantal zoals hun partner de Phalanges hadden.

Camille Chamoun was president van Libanon tussen 1952 en 1958. Hij was een bittere tegenstander en criticus van pan-Arabisch nationalisme, en de enige Arabische heerser die steun had betuigd voor de doctrine van de Amerikaanse president Dwight Eisenhower, die tot doel had om de Midden-Oosterse landen te helpen bij het afweren van gewapende agressie van communistische naties. [De doctrine] had zelfs aangeboden om de politieke onafhankelijkheid van deze landen te beschermen. De partij leidt op dit moment de oppositie tegen de aanwezigheid van Syrië in Libanon.


Al Marade partij

Deze 3500 man sterke eenheid, ook wel de Marada (Reuzen) Brigade genoemd, werd vernoemd naar een Byzantijnse grenswacht in het oude Libanon. Zij vertegenwoordigden de belangen van Sulayman Franjiyah, die president van Libanon was tijdens het uitbreken van de burgeroorlog. Het werd ook wel het Zhagartaanse Bevrijdingsleger genoemd, naar Franjiyah's geboortestad Zgharta. Het werkte vanuit Tripoli en andere gebieden in het noorden van Libanon, maar heeft ook gevochten in Beiroet. De militaire alliantie tussen de Phalanges en de Marada, die duidelijk was bij de start van de burgeroorlog van 1975, eindigde op 13 juni 1978 vanwege een verrassingsaanval van de Lebanese Forces (LF) op Ihdin, hoofdkwartier van de Marada, waarbij de commandant van Marada werd gedood: Tony Franjiyah.


De Order of Maronite Monks

De Maronitische Kerk heeft een grote rol gespeeld in de Libanese politiek. Het probeerde de rechten van christenen te beschermen. Tijdens de Libanese burgeroorlog van 1975 had patriarch Bulus Khureysh, het hoofd van de Maronitische Kerk, geen politieke invloed. Het hoofd van de Order of Maronite Monks daarentegen, pater Charbel Qassis, was van de activistische en militante lijn binnen de Maronitische Kerk. De Maronitische Kloosterorde, die een aanzienlijk deel van de landbouwgronden rond Libanon bezitten, gaven hun financiële en politieke steun aan de Maronitische milities.

De Order of Maronite Monks had een militie die bestond uit 200 priesters. Bulus Naäman, een andere machtige militante geestelijke, volgde Quassis later op. Rabinovich legde uit dat Maronitische kloosters hielpen met de opslag van wapens, munitie en voedsel voor christelijke milities. Priesters zagen de noodzaak ervan in om christenen te beschermen tegen de Palestijnen en moslims die de vrede van de christenen bedreigden.


Maronite League

De Maronite League was een militante groep onder leiding van Shaker Abu Suleiman, een fervent aanhanger van Qassis. Net als de Guardians of the Cedars (zie hieronder) was het een puur Maronitische militie zonder de remmingen van de politiek beschaafde Phalanges en de Nationale Liberalen. Het koos daarom om samen met deze groepen te vechten in plaats van zich helemaal samen te voegen met hen.


De Guardians of the Cedars

De Guardians of the Cedars bestond uit ongeveer 500 mannen. Hoewel ze pleitten voor een niet-confronterende gelovige ideologie, waren de Guardians in de praktijk een van de felste strijders voor de christelijke belangen.

De politieke en militaire leider van de Guardians of the Cedars, Etienne Saqr (bijgenaamd Abu Arz), werkte in de vroege jaren '70 voor de regering van Faranjiyya. Maar ideologisch werden de Guardians geïnspireerd door Sa'id Aql, die een duidelijk onderscheid maakte tussen Libanees en Arabisch nationalisme. Het beeld dat Aql schetste van Libanon, dat stamde uit en geïnspireerd was door een extern Phoenicische verleden, en bijdroeg aan de ontwikkeling van de beschaving, minimaliseerde de rol van de islam en Arabisme.

De Guardians of the Cedars waren openhartig over hun relatie met Israël, in tegenstelling tot de Phalanges en de Nationale Liberalen, die probeerden om hun relaties met Israël te verbergen. De Guardians zeiden openlijk in 1976 dat de christenen zich tot Israël moesten wenden om die te vragen te helpen met het redden van wat er over was van Libanon. Net als de Maronite League bleven zij een aparte organisatie die vochten naast de grotere milities.


At Tanzim

Arabisch voor 'de organisatie'. At Tanzim was oorspronkelijk een klein geheim genootschap van christelijke functionarissen binnen het Libanese leger die achter de Phalanges stonden. At Tanzim accepteerde ook leden van buiten het leger, voornamelijk uit de hogere en professionele klassen. Het stelde een eigen militie op van ongeveer 200 man.


Het Lebanese Front

In december 1975, toen de grote veranderingen in de Libanese politieke systeem serieus besproken werden en een top van moslimleiders bijeen werd geroepen om een gezamenlijk standpunt te formuleren, werd er geroepen om een vergelijkbare Maronitische top. De belangrijkste Maronitische leiders Pierre Gemayel, Camille Chamoun, Charbel Quassis, en Shaker Chaker Abu Sleiman ontmoetten elkaar in het presidentieel paleis.

In het voorjaar van 1976 werd de Maronitische top omgedoopt tot de Kafur-top. Camille Chamoun werd gekozen tot voorzitter van het nieuw gevormde Lebanese Front. Diens leiderschap bestond uit Pierre en Bashir Gemayel, Bulus Naäman, Edward Hunayian (die eerder werkte met Raymond Edde), en twee voorname christelijke intellectuelen, Charles Malek en Fouad Ephrem Al Boustani. De verschillende milities kwamen samen onder een gezamenlijke militaire strijdkracht, wiens nieuwe collectieve naam het Lebanese Front was.

Het Lebanese Front werd samengesteld uit vier milities: de Phalanges, Chamoun's Numur, de Guardians of the Cedars, en At Tanzim. Elke groep werd vertegenwoordigd door twee leden. Ondanks de officiële gelijkwaardige inspraak was het duidelijk dat het Lebanese Front werd gedomineerd en bestuurd door Bashir Gemayel.

Toch bleek de vorming van een volledig Maronitische alliantie van openlijk militanten zeer bruikbaar voor de verdere ontwikkeling van een conservatieve coalitie van de bovengenoemde christelijke leiders. Halim Barakat zei dat de christelijke rechtsen van de Lebanese Forces nog steeds het politieke sektarisme steunen.


Het christelijke leiderschap van het leger

De christelijke leiders in het leger kunnen worden beschouwd als een belangrijk onderdeel van de conservatieve coalitie, die bestaat uit christelijke groepen die weigerden om hun macht af te staan aan de moslims. Dat het Libanese leger weigerde om kleur te bekennen tijdens de crises van 1952 en 1958 was een zeldzaam verschijnsel in het Midden-Oosten van na de Tweede Wereldoorlog, want daar is de politieke geschiedenis toch grotendeels gevormd door militaire interventie en overheersing. De hogere kringen van het professionele officierskorps waren overwegend christelijk, en het leger werd gezien als overwegend christelijk. Het leger werd gezien als een van de ultieme garanties voor zowel het Libanese politieke systeem als hun christelijk karakter. In de jaren '50 en '60 vroegen islamitische politici herhaaldelijk om een nationale dienstwet die het leger zou veranderen in een overwegend islamitisch legermacht. Het grootste deel van het leger werd gestationeerd in Beiroet en het centrum van het land.


Inschikkelijke christelijke leiders

De christelijke gemeenschap had ook gematigde christelijke politici en publieke ambtenaren, zoals de oud-president Elias Sarkis en Raymond Edde (de zoon van president Emille Edde). Zij wilden een beleid van concessies met hun tegenstanders (te weten de moslims). Maar ze hadden geen samenhang zoals een daadwerkelijke politieke stroming of blokvorming. Bovendien waren deze leiders bereid om een groot deel van de macht in het politieke systeem over te geven aan de moslimgemeenschap. Ze waren sterk gekant tegen het idee van scheiding [van het land].


Hoofdstuk 5: De christelijke rol in de Libanese burgeroorlog van 1975-1990

De Libanese burgeroorlog en het resultaat ervan veranderde de status van de christenen in Libanon en hielp hun politieke verval. De burgeroorlog begon in 1975 en veel historici zijn het nog steeds niet eens over de directe oorzaken. Brenda Seaver noemde wel twee gebeurtenissen die het begin van de Libanese burgeroorlog gemarkeerd hebben.

De eerste gebeurtenis vond plaats in februari 1975, toen de Libanese vissersvakbonden in Sidon, Tyrus en Tripoli gezamenlijk protesteerden tegen de oprichting van Protein Company, een modern monopolistisch high-tech visserijbedrijf dat voor een groot deel in handen is van de voormalige president Camille Chamoun, een Maronitische christen.

Brenda Seaver voegde eraan toe dat het leger begon te schieten op demonstranten, en ze Ma'ruf Saad dodelijk verwondden, de soennitische leider van de populaire Nasser Organisatie van Sidon. Naar aanleiding van de gebeurtenissen van Sidon barstten in bijna alle grote steden van Libanon straatdemonstraties los en er vonden hevige gevechten plaats tussen de christelijke troepen en gewapende mannen geholpen door Palestijnse commando's.

Volgens Seaver vond de tweede gebeurtenis plaats op 13 april 1975, toen onbekende aanvallers probeerden om Pierre Gemayel, de leider van de Phalanges, te vermoorden toen hij aanwezig was bij de inwijding van een nieuwe kerk in Beiroet, in de christelijke voorstad Ain Rumana. Gemayel overleefde het, maar drie van zijn lijfwachten stierven. Seaver voegde eraan toe dat een groep Maronitische militieleden in Ain Rumana wraak nam door een bus te overvallen waarin voornamelijk Palestijnen zaten die op weg waren naar het vluchtelingenkamp Tel-Al Za'atar, en ze doodden zevenentwintig passagiers. Het incident leidde tot zware gevechten door het hele land tussen de Phalangisten aan de ene kant en de Palestijnse en linkse moslims aan de andere kant, en er vielen in drie dagen meer dan 300 doden.

Het eerste incident benadrukt de onvrede van de moslims over de privileges die de christelijke elite hadden. Het protest was niet alleen een protest tegen de opening van het [vis]bedrijf, maar tegen het eigendom van een van de christelijke machthebbers. Bovendien volgde er een constant protest van moslimleiders tegen de privileges en rijkdom van de christenen.

Na de Caïro-overeenkomst in 1969, die de bewapening van de Palestijnen in Libanon beperkte, ervoeren de christenen bij het tweede incident de voortdurende aanwezigheid van de Palestijnen in Libanon als een ernstige bedreiging.

Deze bovengenoemde incidenten zijn niet de enige factoren die hebben geleid tot de uitbarsting van de burgeroorlog. De aard van het nationalisme in Libanon heeft er een cruciale rol in gespeeld de burgeroorlog onvermijdelijk te maken.

Twefik Khalaf heeft opgemerkt dat de christenen een verborgen agenda hadden toen gevechten uitbraken tussen de Phalanges en de Palestijnen. De Phalanges wilden een paar dagen strijden en dan het Libanese leger betrekken bij een actie in Jordaanse stijl tegen de Palestijnen [ze snel het land uit zetten, zie einde hoofdstuk 2].

Men zou de christenen indirect deels verantwoordelijk kunnen houden voor het uitbreken van de burgeroorlog, gezien het feit dat ze niet wilden luisteren naar de eisen van de moslims. Omdat de moslims de Libanese staat vijftien jaar lang boycotten tijdens het Franse mandaat was er altijd veel onevenwichtigheid in het overheidsapparaat, dat grotendeels bestond uit christenen. De onevenwichtigheid bleef tot ver in de onafhankelijke republiek: de jonge ambtenaren die waren aangesteld in de jaren '30 bereikten hun pensioengerechtigde leeftijd pas in de jaren '60. Dit is een logische verklaring achter de christelijke controle over de overheid.

In de jaren '50 werden Maronieten en Grieks-katholieke Melkiten en soennitische moslims oververtegenwoordigd [in de overheid], ten koste van de sji'ieten. Omdat moslimgemeenschappen achterbleven in het wetenschappelijk onderwijs werden de islamitische kamerleden, partijen en instellingen de ijverige voorvechters van het principe van evenredigheid en quota onder verwijzing naar artikel 95 van de grondwet, die een eerlijke verdeling van ambtelijke functies onder de gemeenschappen voorschrijft. Christenen, die beter opgeleid waren, verwierpen het verzoek van de moslims, onder verwijzing van artikel 12 van de grondwet dat bepaalt dat alle burgers gelijke toegang tot overheidsfuncties hebben en dat mensen geselecteerd moeten worden op hun diploma's en bekwaamheid.

Het bovenstaande voorbeeld legt effectief uit dat de verschillende interpretaties van de grondwet door christenen en moslims in conflict waren met elkaar.

Brenda Seaver had kritiek op de christelijke milities omdat ze vaak in strijd leken te handelen met de leiding van de Lebanese Forces. Ghassan Hage noemde de beruchte wreedheden die de christenen pleegden op 6 december 1975. De dag werd later bekend als de 'Zwarte Zaterdag' waarop meer dan tweehonderd moslims op brute wijze werden afgeslacht door christenen. Deze gebeurtenis werd meestal uitgelegd als een wraakactie voor het doden van christenen in islamitische gebieden.

Simon Haddad deed verslag van de moorden op de Palestijnse vluchtelingen in Tal Al Za'atar in 1976 en in kampen in Sabra en Shatila in 1982. Rex Brynen schatte dat de christenen ongeveer 1000 Palestijnen en Libanese moslims doodden, en 20.000 mensen deporteerden uit de door Palestijnen beschermde gebieden van de Al-Karantina en Al-Maslakh sloppenwijken.

De jaren tussen 1975 en 1990 waren de donkerste tijd voor de christenen. Dit was te wijten aan de gruweldaden van de christelijke milities en aan de wreedheden die moslims en Palestijnen pleegden op de christenen. Charles Sennott schreef de oorlogsherinneringen op van de christelijke dorpeling Michael Abu Abdella uit Damour. Abu Abdella herinnerde zich de aanvallen die zijn christelijke dorpsgemeenschap verwoestten en duizenden mensen had gedwongen om te vluchten.

Tijdens de Israëlische invasie van Libanon in 1982 viel een afdeling van de Phalanges onder leiding van Elie Hobaiqa de Palestijnse vluchtelingenkampen van Sabra en Shatila aan en doodde ongeveer 1000 ongewapende vluchtelingen, onder wie vrouwen, kinderen en oude mannen. Israël werd alom beschuldigd van hun onwil om in te grijpen en dit te stoppen toen het eenmaal was begonnen.

Maar de Lebanese Forces ontkende zijn betrokkenheid, en de nabestaanden hebben onlangs een strafrechtelijke procedure aangespannen in een Belgisch hooggerechtshof tegen de huidige Israëlische premier Ariel Sharon, die de minister van Defensie was tijdens de invasie van 1982.


Hoofdstuk 6: Oorzaken van het verval van de christelijke status in Libanon

Het verval van de christelijke invloed in Libanon werd veroorzaakt door vier factoren. Ten eerste door de typische strijd met de islamitische vijanden, ten tweede door interne verdeeldheid en strijd onder de christenen, ten derde door buitenlandse interventie en ten vierde door vrijwillige of gedwongen emigratie van veel christenen.

Het politieke en sociale verval van christenen kan worden herleid tot hun strijd met de islamitische meerderheid. Christenen waren uitgeput door de oorlog met de moslims. [De Libanese Midden-Oostendeskundige] Fawaz Gerges heeft opgemerkt dat [auteur] Latif Abul-Husn geloofde dat de oorlog van 1975 om drie hoofdthema's ging: Hervorming van het politieke systeem, de nationale identiteit van Libanon en de soevereiniteit van Libanon.

Volgens Abul-Husn lagen de christenen mogelijk in conflict met de moslims over die drie hierboven genoemde onderwerpen. De moslims wilden het politieke systeem hervormen, omdat het de christenen voor zou trekken. Ze wilden hun demografische overwicht vertalen naar politieke macht. Ze wilden een systeem dat ze zelf konden besturen. Bovendien zagen zij de christenen als een obstakel voor de vorming van een islamitische staat vergelijkbaar met de rest van de Midden-Oosterse landen. De moslims kozen voor oorlog in plaats van dialoog, gezien het feit dat de christenen niet luisterden naar de moslimeisen. De oorlog was verwoestender voor de christenen dan de moslims.

In 1983 brak er een grote burgeroorlog uit in de bergen, tussen de Phalanges en de Druzen. De Druzen versloegen de christenen, en maakten geen onderscheid tussen hun christelijke mede- en tegenstanders. Zo'n zestig dorpen werden verwoest, duizenden burgers werden vermoord, en tienduizenden werden verdreven of gedwongen te vluchten. De geestelijke leider van de Druzen, Sheikh Abu Shakra, vatte de wreedheid van deze fase van de burgeroorlog samen door te zeggen dat de christenen nooit meer op de nu Druzische berg zouden leven. Voor de christenen was deze oorlog een ramp van een vergelijkbare omvang als die in de regio Chouf, waar in 1983 ongeveer vijftig christelijke dorpen met de grond gelijk werden gemaakt.

Theodore Hanf zei dat er sprake was van ingrijpende veranderingen in het zuidelijke deel van Mount Libanon, het noorden van Metn en de regio's Aley en Chouf. In 1975 bestond de bevolking voor meer dan de helft uit christenen, maar tien jaar later voor ongeveer 1 procent. De christenen werden in de eerste twee jaar van de oorlog verbannen uit de kuststrook. Zij werden in bepaalde gebieden uitgeroeid en vervangen door moslims. Er waren verschillende oorlogen tussen christenen en moslims, maar de Bergoorlog van 1983 staat bekend als de belangrijkste oorlog, die de dood van duizenden christenen veroorzaakte en hen verdreef uit het gebied rond Mount Libanon.

Aan het einde van de burgeroorlog in 1990, toen de relaties tussen christenen en moslims verbeterden, begonnen vele christenen terug te keren naar hun dorpen. De overheid begon hen zelfs financieel te helpen om te renoveren of nieuwe huizen te bouwen.

De strijd met de moslims zorgde ervoor dat de christenen hun traditionele machtspositie langzaam over moesten geven en dat ze kozen om te emigreren op zoek naar een betere toekomst.

De achteruitgang van de christelijke invloed in Libanon kan ook worden herleid tot interne verdeeldheid en onderlinge strijd tussen de christenen zelf. De Phalanges zag dat het Maronitische politieke pluralisme misschien moest worden getolereerd, maar dat de militaire macht van de gemeenschap onder één gezag moest komen, en wel het hunne. Om deze reden probeerde de Phalanges de onafhankelijke kracht van hun twee belangrijkste partners te breken, de Franjiyya en de Nationale Liberale Partij. Hun relaties met Franjiyya verslechterden na een meningsverschil over de betrekkingen met Syrië.

De Phalanges probeerden hun partijorganisatie uit te breiden naar Noord-Libanon en de economische basis van de familie Franjiyya te ondermijnen door te zeggen dat Franjiyya geen recht had om de belasting te verhogen in de sterk geïndustrialiseerde regio rond Chekka, ten zuiden van Tripoli. Franjiyya reageerde op deze provocatie door de organisatorische leider van de Phalanges te doden, Jud Bayeh. De Phalanges namen wraak door Tony Franjiyya's huis in het dorp van Ehden te beschieten, en hem en zijn directe familie te doden in juni 1978. Itamar Rabinovich vroeg zich af of de moord op hem was gepland of niet; het is duidelijk dat het christelijke kamp door de wreedheden was verdeeld. Franjiyya beschuldigde de Lebanese Forces van samenwerking met Israël en koos de kant van Syrië.

In 1980 vernietigde Bashir Gemayel's militie de militaire infrastructuur van de Tigers, de militie van de Nationale Liberale Partij in het gebied rond Beiroet. De Phalanges probeerden hun mandaat en hun demografische en territoriale bases uit te breiden door de vertegenwoordigende autoriteit te worden voor alle Libanese christenen en niet alleen de Maronieten.

Op 31 januari 1990, nadat de Libanese troepen hun terughoudende goedkeuring van het Ta'if-akkoord hadden aangekondigd, moest [de nieuwe politicus] Michel Aoun een positie veroveren bij de christelijke achterban. Hij probeerde om het bestuur van een klein christelijk gebied tussen Beiroet en Jebail los te peuteren, maar daarmee ontstak hij een christelijke burgeroorlog in januari 1990. Kail Ellis merkte op dat het conflict tot juli van dat jaar duurde en eindigde zonder een duidelijke overwinning voor Aoun. Voordat de gevechten stopten in medio maart waren al bijna 750 burgers gedood en 3.000 gewond, maar Lebanese Forces bleef het nieuwe akkoord steunen. Ellis zei dat de oorlog negatieve politieke gevolgen voor de christelijke gemeenschap had en dat werd geschat dat de oorlog $ 1,2 miljard in schade aan eigendommen had veroorzaakt.

Een andere reden voor de achteruitgang van de christelijke invloed in Libanon is dat niet alle christenen de droom van een christelijke staat deelden. Bijvoorbeeld, christelijke leden van zowel Libanese communistische als nationale progressieve partijen streefden naar een religieus politiek systeem, maar riepen op tot de afschaffing van het destijds gevestigde religieuze politieke systeem [oftewel, gaven de voorkeur aan een niet-christelijk politiek systeem]. Theodore Hanf zegt hierbij dat de burgeroorlog tussen de christelijke gemeenschappen hen meer had verzwakt dan alle voorgaande aanvallen van Libanese en buitenlandse vijanden.

De christelijke banden met het buitenland hebben ook bijgedragen aan hun verval. In de woorden van de belangrijkste columnist in Libanon, Ghassan Tueni, was het de "oorlog van de anderen". Libanon werd gebruikt als het slagveld voor de voortdurende botsingen in het Midden-Oosten en de rivaliteiten van supermachten als gevolg van de Koude Oorlog.

Eyal Zisser merkte op dat de sterkere betrekkingen tussen Israël en de Libanese Maronitische gemeenschap onvermijdelijk hebben geleid tot de burgeroorlog in Libanon in 1975. Eyal voegde eraan toe dat zulke relaties waren gebaseerd op de gemeenschappelijke overtuiging dat joden en Maronieten een sterk verbond moeten smeden om aanvallen van vijandige islamitische Arabieren af te weren.

Brenda Seaver zei dat het Libanese systeem zonder de Palestijnen wel zou zijn blijven bestaan:

Ten minste, als het Palestijnse probleem nooit had bestaan, was er meer tijd geweest om sterke elites te vormen die konden omgaan met de problemen van de modernisering door de Shihab-traditie van sociale hervormingen door te zetten en gematigde politieke hervormingen door te voeren.

Seaver gaf een nauwkeurige analyse van de Palestijnse bijdrage aan de ineenstorting van het Libanese politieke systeem. De Palestijnen zouden hebben geprobeerd om Libanon om te zetten in een tweede permanente staat, als alternatief voor hun vaderland. De Palestijnse bemoeienis verslechterde de toch al gespannen verhoudingen tussen christenen en moslims. Ondanks de verschillende onregelmatige burgeroorlogen tussen moslims en christenen heeft de hele bevolking toch vele eeuwen samengewerkt.

Syrië heeft ook een grote rol gespeeld in het minimaliseren van de christenen in Libanon, ondanks dat zijn eerste militaire interventie in 1976 [de christenen] ten gunste kwam. Toen de Libanese Nationale Beweging LMN in 1976 in gevecht was met de christelijke troepen, en op het punt stond om te zegevieren over de christenen, kwamen de Syriërs tussenbeide en zeiden uitdrukkelijk dat hun reden hiervoor was om de christenen te helpen.

Ghassan Hage verkende de redenen achter de Syrische hulp aan de christenen in 1976:

Maar ongetwijfeld is dit bedoeld om te voorkomen dat de christenen in de gebieden die onder hun controle bleven naar alle waarschijnlijkheid een christelijke mini-staat zouden gaan verkondigen.

Het is belangrijk op te merken dat Syrië de christenen hielp om een voet aan de grond te krijgen in Libanon. Maar de christelijke leiders die Libanon aan het begin van de burgeroorlog regeerden, waren er niet in geslaagd om de redenen achter de aanvankelijk vriendelijke tussenkomst van Syrië in Libanon te voorspellen. Rex Brynen schreef dat de grote Syrische militaire tussenkomst in Libanon diende om de Libanese burgeroorlog [te verbreden naar het Arabische wereld], om het conflict aanzienlijk te verschuiven van zijn oorspronkelijke Libanese sociale en politieke grondslagen naar de bredere regio eromheen.

De huwelijksreis tussen de christenen en de Syriërs was van korte duur. Ghassan Hage zei dat de Israëliërs na het bezoek van de Egyptische president Anwar Sadat aan Jeruzalem een vredesplan bedachten (dat bekend werd als het Plan van Begin), waarin het christelijk rechts een rol zou spelen, namelijk de Phalanges. Zij aarzelden niet om de kans te grijpen en keerden snel zich tegen Syrië.

Op 7 februari 1978 vond er een lichte gewapende confrontatie plaats tussen de Syriërs en enkele christelijke divisies van het Libanese leger. Kort daarna ontwikkelde deze confrontatie zich tot een volledige oorlog. Het plan van Menachem Begin [Begin was leider van de Likoed-partij] stond Israël toe om binnen te vallen en in Zuid-Libanon te blijven totdat er een permanente oplossing was die zou voorkomen dat de Palestijnse guerrilla terug zou keren. Hier waren de christenen vertegenwoordigd door het Lebanese Front, namen diens meest extremistische standpunten over de Palestijnse aanwezigheid in Libanon over en riepen ze op tot de eliminatie van de gewapende Palestijnen. Syrië was woedend dat de christenen schijnbaar de kant van Israël hadden gekozen en begonnen toen een bombardement van de christelijke wijken van Beiroet.

Ghassan Hage kwam met een aantal redenen voor de Syrische agressie tegen de christenen:

Het was een weerspiegeling van de frustratie van de Syrische president Assad die toe moest zien hoe de christelijke rechtsen, die hij eigenlijk had gered, en die hij had geprobeerd te hanteren met de grootste zorg, hem zo gemakkelijk de rug toekeerden.

Er was in 1978 een idee dat Syrië en de moslims het unieke Libanon en diens christelijke aanwezigheid uit wilden roeien. Dit leidde Camille Chamoun ertoe om een beroep doen op de 'beschaafde wereld' om de Syrische bombardementen van het christelijke gebied te stoppen.

Christelijke burgers betaalden een hoge prijs voor de politieke fouten van hun eigen leiders. Die leiders hadden niet voorzien dat Syrië volledige ondersteuning zou eisen voor zijn beleid, dat weer neigde naar de Palestijnse aanwezigheid in het zuiden, iets dat geheel inging tegen de principes van de christenen en van een vrij Libanon. De burgers werden elke keer gebombardeerd als hun leiders het niet eens waren met Syrië of de islamitische milities, namelijk de Libanese nationale beweging.

Het conflict was tussen christenen en moslims, specifiek de christenen in Libanon tegen islamitisch Syrië en duizenden strijders van de Iraanse Revolutionaire Garde [Hezbollah]:

- De strijd om Libanon werd uitgevoerd tussen Maronitische leiders in Oost-Beiroet en Hafiz al-Asad in Damascus.

Na het einde van de burgeroorlog in 1990 daalde de politieke macht van de christenen nog verder. Alan George beschreef hoe de Maronieten aan de kant werden gezet:

- selectieve vertegenwoordiging in de politieke hiërarchie en de verbanning of gevangenneming van politieke leiders.

De invloed van de christenen kromp nog verder toen een belangrijke bondgenoot uit het verleden, de Verenigde Staten, er van af zag om Syrië te vragen zich terug te trekken. In 1958 had de Verenigde Staten president Camille Chamoun met spoed geholpen om een opstand de kop in te drukken die werd gevoerd door moslims en aanhangers van de voormalige Egyptische president Abdel Nasser. Later, echter, liet de Verenigde Staten zijn rol in Libanon vallen als gevolg van het feit dat de Amerikaanse ambassade in Ain al-Mreisse in 1983 werd vernield door een zelfmoordaanslag die meer dan 60 mensen doodde. Zes maanden later pleegden zelfmoordterroristen gelijktijdige aanvallen op de multinationale troepenmacht die een jaar eerder was aangekomen op verzoek van president Amin Gemayel. De resultaten van de aanvallen waren verwoestend toen 58 Franse parachutisten en 241 Amerikanen mariniers werden gedood. Daarom trokken de Amerikanen zich terug uit Libanon.

De christenen in Libanon voelden zich ongemakkelijk over het feit dat de Verenigde Staten geen terugtrekking van Syrië uit Libanon wilde eisen. Jose Navalpotro schreef dat de Verenigde Staten van mening was dat de Syrische terugtrekking een kwestie was die moest worden opgelost tussen Damascus en Beiroet. Hij voegde eraan toe dat Washington dit geval niet beschouwde als een belangrijke kwestie in de algemene stabiliteit van het Midden-Oosten, of als een centrale kwestie die moest worden opgelost in het Arabisch-Israëlische vredesproces.

Wat verder nog bijdroeg aan het verval van de christelijke invloed in Libanon is de massa-emigratie. Zowel moslims als christenen ontvluchtten Libanon, maar er waren veel meer christelijke [vluchtelingen]. Op een vooroorlogse Libanese bevolking van ongeveer 4 miljoen waren er 700.000 [vluchtelingen], waarvan 500.000 christelijk. Hoe veel christenen in Libanon zijn gebleven wordt betwist. Er zijn geen officiële bevolkingscijfers voor Libanon. Sommigen schatten dat ongeveer 1 miljoen inwoners of 25 procent van het land christelijk is. Dit getal is minder dan de helft van de meerderheid van bijna 60 procent in de vroege jaren '70.


William Harris zag het aantal christenen in Libanon dalen terwijl de jaren voorbij gingen.

1911 79% christenen
1921 55%
1932 51%
1943 52%
1970 42%
1990 35%
(2008 25%)

Het zou moeilijk worden om de huidige achteruitgang van de status [en het bevolkingsaandeel] van de christenen terug te draaien volgens deze statistieken van Harris. Het is zeer aannemelijk dat het aantal christenen binnen 50 jaar verwaarloosbaar zal worden, en hun aanwezigheid in het Midden-Oosten dus in het gedrang zal komen. Christenen moeten met genoeg mensen zijn om legitieme aanspraak te maken op het delen van de macht met de moslims. Charles M. Sennott citeerde een christelijke advocaat Nehmatalla Abi Nasr die sprak over het effect van de christelijke migratie:

De christenen vertrekken naar een beter leven in het Westen of om de oorlog te ontvluchten", zegt hij, "maar dan verliezen ze hier meer en meer invloed, en dan zijn ze in toenemende mate bang om terug te keren. Dit proces is een vicieuze cirkel.

Dat veel christenen uit Libanon zijn vertrokken heeft inderdaad bijgedragen aan de politieke achteruitgang van een natie waarin zij vroeger de meerderheid waren. Deze vrijwillige migratie draagt bij aan het feit dat duizenden christenen zijn gestorven in de oorlog of werden verdreven uit hun eigen huizen en land. De Maronitische patriarch, kardinaal Nsrallah Boutrous Sfeir, klaagde fel dat een stijging van niet-christelijke immigratie naar Libanon, in combinatie met het kabinetsbesluit om burgerschap te verlenen aan een groot aantal moslims, de christelijke stem in Libanon begon te verstommen.


Hoofdstuk 7 - Het einde van de Libanese burgeroorlog en het Ta'if-akkoord, de 'laatste druppel'

De Libanese burgeroorlog eindigde in 1990 nadat de Libanese legerleider Aoun werd verslagen door de militaire bemoeienis van Syrië. William Harris zag de ineenstorting van de autonome christelijke enclave van Oost-Beiroet als een klap voor christelijke macht in Libanon.

De christenen hadden op 13 april [1990] niet alleen te maken met een traumatisch einde van hun zelfbestuur, maar ze werden ook geconfronteerd met de gevolgen van de uitvoering van het Ta'if-akkoord, die hun macht verminderde ten gunste van de moslims.

Op 30 september 1989 werd het plan van de Arabische Liga, hierna het Ta'if-akkoord genoemd, ondertekend in de plaats Ta'if. De 62 Libanese parlementsleden, 85 procent van de overlevende 73 leden die elkaar ontmoetten in Saoedi-Arabië, bestonden uit 31 christelijke en 31 islamitische afgevaardigden. Veel christenen zagen deze overeenkomst als de belangrijkste daad die hun ondergang heeft bezegeld. De overeenkomst verenigde het land wel, maar slaagde er niet in om de christenen de nodige garantie voor hun overleving te geven.

Naar aanleiding van het Ta'if-akkoord vonden de meer ambitieuze islamitische leiders een mogelijkheid om politieke winsten te boeken, en ze verwijderden de christelijke vertegenwoordiging geleidelijk uit de nationale overheid. Katholieke leiders waren tegen deze nieuwe overeenkomst. Jose Navalpotro schreef:

Kardinaal Sfeir stelde de volgende vraag in scherp contrast. Als er geen sterke christelijke vertegenwoordiging in de regering was, vroeg hij, wat zou dan de prikkel zijn om een onafhankelijk Libanon te handhaven? En als er geen duidelijke overeenkomst met hun islamitische buren is, hoe kan een christelijke minderheid in een klein land dan verwachten om te overleven in een 'islamitische oceaan'?.

Het Ta'if-akkoord benadrukt drie factoren: ten eerste, dat de nieuwe versie van de grondwet ondubbelzinnig Libanons Arabische identiteit en banden benadrukt. Ten tweede, dat de nieuwe versie moet vermelden dat het Libanese systeem moet worden gebaseerd op sociale rechtvaardigheid en gelijkheid in de rechten en plichten van alle burgers, zonder enige differentiatie en voorkeur. Ten derde, dat wordt opgeroepen tot de afschaffing van het politieke sektarisme.

Sami Ofeish beweerde dat het Ta'if-akkoord de oorzaken van de Libanese burgeroorlog aankaartte. Artikel 24 van het Ta'if-akkoord beschrijft de richtlijnen voor de sektarische verdeling van de zetels in het parlement. Dit artikel bevestigt dat, totdat het parlement overgaat op niet-sektarische kieswetten, de parlementaire zetels gelijk moeten worden verdeeld tussen christenen en moslims. Sami Ofeish merkte op dat de richtlijnen voor de 'evenredige vertegenwoordiging' van religieuze sektes niet nauwkeurig waren gevolgd in het verleden en dat ze geen rekening hadden gehouden met de demografische veranderingen waardoor moslims een meerderheid werden in het begin van de jaren '60.

Het Ta'if-akkoord verbeterde de positie van de minister-president ten koste van de traditionele functies van de president. Volgens artikel 64 was de minister-president nu degene die aan het hoofd van de regering stond en op zou treden als diens vertegenwoordiger. Het ambstermijn van de (sji'itische) parlementaire spreker zou worden verlengd tot vier jaar in plaats van één jaar, zoals in het verleden op basis van artikel 44 werd gedaan.

Het voorzitterschap, dat eerst exclusief voor Maronieten was, werd meer symbolisch gemaakt. Sami Ofeish schreef dat ondanks dat de president nog steeds het staatshoofd is (artikel 49), de uitvoerende macht hoofdzakelijk bij de raad van ministers zou komen te liggen (artikel 17), en de president deelde de besluitvorming met de minister-president en de Raad.

Zoals we duidelijk kunnen zien, zouden drie voorzitters Libanon gelijkwaardig regeren: de president van de Republiek, de voorzitter van de Raad van Ministers en de voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Het is belangrijk om te zien dat het Ta'if-akkoord de christelijke politieke macht in Libanon verminderde en in het voordeel was van de moslims.

Christine Asmar zag dat het Ta'if-akkoord geen enkele oplossing te bieden had voor de Libanese politieke macht:

[Het Ta'if-akkoord] had ook beloofd de vijandelijke gemoederen tussen de religieuze groeperingen te bekoelen, maar in plaats daarvan heeft het die gewoon tijdelijk bevroren terwijl het het herstel van een centrale overheid makkelijker maakte, waardoor de essentiële problemen rond religieuze sekten niet werden opgelost, al helemaal niet onder de gewone burgers.

Een van de gevolgen van het Ta'if-akkoord was de ondertekening van een verdrag van broederschap, samenwerking en coördinatie tussen Syrië en Libanon. Een meerderheid van de christenen uitten hun bezorgdheid over het verdrag. William Harris gaf dit commentaar op de christelijke weerstand tegen Ta'if:

De meeste christenen verwierpen het Ta'if-regime, omdat ze zich vervreemd voelden van zowel de christelijke ambtenaren in de overheid als de andere christelijke partijen, voornamelijk de Kata'ib en de LF, die het nieuwe [akkoord] wel hadden geaccepteerd maar het alleen niet eens waren over wat details.

Na het Ta'if-akkoord boycotten de christenen de eerste verkiezingen in 1992. Judith Harik merkte op dat de Libanese Maronitische gemeenschap vreesde dat een nieuw parlement wetten uit zou voeren die hun bevoorrechte positie in de Libanese maatschappij en de politiek zouden beëindigen. De Maronieten wilde de Syriërs weg hebben uit Libanon, en geloofden dat Syrië de verkiezingen negatief zou beïnvloeden als de verkiezingen werden gehouden voor het vertrek van de Syriërs. Judith Harik verklaarde dat de christenen de verkiezingen van 1992 hebben geboycot omdat ze vonden dat het nieuwe parlement hun belangen niet zou vertegenwoordigen.

De angsten van deze christenen zouden werkelijkheid worden toen een pro-Syrische president werd gekozen in 1993. De nieuwe parlementen na 1990 bevatten geen sterke nationalistische christenen zoals voorheen. In de laatste verkiezing van 2000 werden slechts een paar christelijke nationalisten verkozen, in tegenstelling tot in 1972, toen de meeste christelijke leden van het parlement christelijke nationalisten waren.

De daling van de christelijke politieke invloed viel samen met de economische opkomst van de moslims. Jose Navalpotro schreef hierover:

Onder het regime van Hariri wordt de financiële steun die het land krijgt vanuit andere Arabische landen vooral gegeven aan instellingen die onder toezicht van moslims zijn.

De lange tijd waarin christenen financiële superieur waren aan de moslims was uiteindelijk tot een einde gekomen. Andere Arabische landen helpen de islamitische instellingen financieel. De islamitische weelde is verdubbeld sinds het einde van de burgeroorlog in 1990. Het is geen geheim dat Solidaire, de particuliere onderneming van de huidige premier Rafik Hariri, de centrale zakenwijk van Beiroet bezit. Bovendien geeft die ook de offertes uit voor alle grote bouwprojecten van de overheid. De nieuwe rijkdom van de moslims wordt gebruikt om nieuwe financiële en politieke macht voor de moslims te veroveren. Bovendien wordt het arme sji'itische gebied in het zuiden nu meer ontwikkeld door de overheid en het buitenland.

Onder de christelijke leiders die actief blijven in Libanon is er een vurig verlangen naar nieuwe onderhandelingen. Dat verlangen is gebaseerd op de erkenning dat ze snel hun politieke invloed zullen verliezen. De belangrijkste instellingen die hen toegang tot inspraak konden bieden zijn nu gesloten voor christenen, of bieden in ieder geval nog slechts de hoop op een minder belangrijke rol.

Jose Navalpotro merkte op dat er een gebrek was aan sterk christelijk leiderschap. Hij zei dat de voormalige Libanese legerleider Michel Aoun was verbannen naar Frankrijk, de voormalige president Amin Gemayel woonde een aantal jaren in de Verenigde Staten na het einde van zijn presidentschap in 1988, en Dory Chamoun, die zijn vermoorde broer Danny opvolgde, was niet in staat om zulke duurzame en strategische acties in te voeren die zijn volgelingen een gevoel van nieuwe hoop zouden geven. De familie Gemayel kwam eindelijk terug in 2000 en Amin Gemayel's zoon Pierre werd verkozen tot parlementslid in het najaar van 2000.

De afwezigheid van sterke christelijke leiders weerhoudt de christelijke gemeenschap ervan om net zo'n krachtige invloed uit te oefenen als in het verleden. De afname van de christelijke invloed zal zelfs erger worden als er een gebrek blijft aan sterke christelijke leiders die de gemeenschap mobiliseren en het mogelijk maken om te overleven. Een andere belangrijke christelijke leider, Samir Geagea, de leider van de Lebanese Forces-militie, zit momenteel in de gevangenis. Navalpotro schreef dat de regering zijn Lebanese Forces-partij in maart 1994 onwettig heeft verklaard en hem heeft gearresteerd. Hij werd beschuldigd van het voorbereiden van een bomaanslag op een katholieke kerk in Beiroet en de moord op Danny Chamoun.

De katholieke bisschoppen hebben in hun openlijke veroordeling van Geagea's gevangenisstraf gezegd dat de regering geen bewijs had om die aanklachten mee te ondersteunen. Sinds het formele einde van de Libanese burgeroorlog op 13 oktober 1990 zijn er vele gebeurtenissen die de gestaag afnemende invloed van de christenen in Libanon bewijzen.

Oktober 1990 - Danny Chamoun, de belangrijkste leider van de Maronitische christenen, werd vermoord samen met zijn familie.

Mei 1991 - Patriarch Sfeir verwierp het Syrisch-Libanese pact, zei dat het het zelfbestuur van de natie in het nauw brengt en het Nationaal Pact van 1943 ondermijnt.

Augustus 1991 - Generaal Michel Aoun, de laatste christelijke leider die naar voren kwam als een nationale machtshebber, werd verbannen naar Frankrijk en voor vijf jaar verboden terug te keren naar Libanon.

September 1992 - Katholieken organiseerden een boycot van de parlementsverkiezingen; tussen de 70 en 85 procent van alle katholieken weigerde om deel te nemen. Er werd een christelijk parlementslid gekozen met slechts veertig stemmen.

Mei 1993 - Er braken anti-katholieke rellen uit in de regio Chouf. De bisschoppen van Libanon waarschuwden mensen geen grond te kopen in de christelijke wijken, en zij wezen op de demografische verandering van de natie.

Juni - Drie terroristen stierven bij de vroegtijdige ontploffing van een bom die ze aan het planten waren op de plaats van een vergadering tussen orthodoxe en katholieke bisschoppen.

Oktober - Een aantal christelijke politieke leiders werden doelwit van een reeks arrestaties; meerdere werden opgepakt in Damascus en daar gehouden.

December - Een christelijke begraafplaats werd ontheiligd in Mansourieh, een schijnbare waarschuwing aan christenen dat zij geen Kerst zouden moeten vieren.

Februari 1994 - Een bom geplaatst in een katholieke kerk ontplofte tijdens de mis en doodde acht mensen; de terroristische daad kwam enkele dagen na het bloedbad onder de moslims dat was aangericht door een Israëlische extremist in Hebron.

Juni - Premier Hariri beval de sluiting van televisiezender ICN en het dagblad Nida'al Watan nadat die verslag hadden gedaan over de bezorgdheid van een aantal christenen omtrent de premiers aankopen van land in traditioneel christelijke gebieden.

Juli - De Maronitische bisschoppen gaven een nieuwe waarschuwing over het verlies van evenwicht tussen christenen en moslims in de regering van het land.

Januari 2000 - Een groep islamitische militanten bestormde een christelijk dorp en doodde een inwoner tijdens gevechten met het Libanese leger.

September - De Maronitische raad van bisschoppen riep op tot de terugtrekking van Syrië uit Libanon, en gaven daarmee een christelijk protest tegen deze aanwezigheid.

December - Syrië bevrijdde ongeveer 50 voornamelijk christelijke Libanese politieke gevangenen. Maar mensenrechtengroepen schatten het aantal Libanese politieke gevangenen in Syrische gevangenissen op ergens tussen enkele honderden en enkele duizenden.

Augustus 2001 - Er werden 200 christelijke jongeren gearresteerd na hun eisen op een protestbijeenkomst voor de Syrische terugtrekking. De voormalige adviseur van Samir Geagea, Twefic Hindi, werd gearresteerd en Aouns vertegenwoordiger Nadim Lteif ook. Ze werden beschuldigd van collaboratie met Israël en verraad.

September - De Maronitische raad van bisschoppen riep opnieuw op tot terugtrekking en vroeg christenen om het land niet te verlaten.

Oktober - Twee kerken in Sidon en Tripoli werden aangevallen, wat aangeeft dat christenen het nog steeds erg moeilijk vinden om optimistisch te zijn over hun veiligheid in hun thuisland.

2002 Januari - Elie Hobaiqua, de voormalige commandant van het leger Phalanges (Lebanese Forces) en een oud-minister, werd vermoord in Beiroet samen met zijn drie bodyguards.


Hoofdstuk 8 - Gevolgen van de teloorgang van de christenen in Libanon

De lessen van de oorlog hadden de christenen geleerd dat de islamitische machthebbers in het gebied, zoals Syrië, de stichting van een klein christelijk land niet zouden accepteren. Christenen hopen nu dat de moslims niet van de gelegenheid gebruik zullen maken en hen niet aan zullen vallen in een laatste slag om de totale heerschappij over Libanon over te nemen.

Het voortbestaan van de christenen zal afhangen van hun onderlinge eenheid en van de wil van moslims om het bestaan van een christelijke minderheid in Libanon toe te staan. Nu de christelijke bevolking in Libanon afneemt, zullen de moslims het lot van Libanon en zijn inwoners altijd beheersen, in het bijzonder de christenen. Er is nog de optie over voor de christenen om hun resterende invloed niet over te dragen aan de moslims en om hun geboortecijfer te verhogen en in Libanon te blijven. Marguerite Johnson was optimistisch over de christelijke overlevingskansen:

De christenen zullen misschien hun dominante positie verliezen, maar of ze nu in Beiroet leven of onder de ceders van de berg Libanon, zij zullen ongetwijfeld de koppige wil om te overleven behouden die hen al twaalf eeuwen lang zowel een bondgenoot als een bedreiging heeft gemaakt voor hun islamitische buren.

Er is bewijs dat de christenen nog steeds de vastberadenheid hebben om invloedrijk te blijven in Libanon. Charles Sennott zei dat het Maronitische patriarchaat een aanklacht heeft ingediend tegen het regeringsprogramma van Hariri in 1995, dat ongeveer 300.000 moslims uit Syrië, Irak en andere landen wilde laten immigreren. De Patriarchaat dacht dat de beweging christenen in Libanon verder zou marginaliseren.

Charles Sennott peinsde dat de dood van George Saade, de leider van de Libanese Phalanges-partij, de grootste Maronitische politieke entiteit, het einde symboliseerde van de dominante rol die christenen hebben gespeeld bij de overheid. Dit is een nauwkeurige beschrijving van de huidige status van christenen in Libanon. Een meerderheid van de christenen is pessimistisch over hun overleven in Libanon - ze vragen zich gewoon af wat voor soort toekomst zij nog zullen hebben in Libanon.


Epiloog

Dit zijn bange dagen voor de christelijke gemeenschap in Libanon, die nu minder krachtig en bevoorrecht is dan op welk ander moment ook sinds de republiek is gesticht. De bevoorrechte status van de christenen in Libanon kwam in de knel als gevolg van de demografische verschuiving die de moslims in toenemende mate de overhand gaf. Bovendien werd hun status aangevallen door de opkomst van een geradicaliseerde intellectuele klasse moslims die voorstander waren van een sociaalpolitieke verandering en pan-Arabisme.

Abt Paulus Naäman zei dat de Maronieten van vandaag moeten volgen in de voetsporen van al diegenen die hen voorgingen en er eeuwenlang aan werkten om deze missie te volbrengen. De resterende christenen in Libanon zouden zich moeten herinneren dat ze Libanon moeten behouden voor hun kinderen. Ze moeten niets meer toegeven aan de moslims zonder schriftelijke garanties. Christenen moeten zich laten vertegenwoordigen door machtige christelijke leiders.

Christenen zijn nu bang dat moslims meer macht zullen eisen nu ze een meerderheid zijn. Antoine Najm heeft echter opgemerkt dat een christelijke geleerde dominee, Jean Ducruet, een oplossing voor de christelijke problemen biedt. Ducruet zei dat een nieuw politiek systeem moet worden opgezet waarin alle religieuze stromingen een deel van de beslissende macht krijgen en waarin geen van de stromingen iets kan opleggen aan het volk wat niet aanvaardbaar is voor de traditie van de andere stroming. Hij voegde toe dat een demografische meerderheid niet overeenkomt met de ingestemde democratie, die een coalitieregering nodig heeft en een wederzijds veto op besluiten die als strijdig worden gezien met de essentiële belangen van een van de gemeenschappen. Het is een verstandig voorstel dat christenen in Libanon zal beschermen. Het is echter niet te verwachten dat de moslimmeerderheid hiermee zal instemmen. Die hopen op de afschaffing van het sektarische systeem, zodat ze het land volledig kunnen regeren.

Inmiddels zijn de belangen van de christenen alles behalve ter ziele, maar hun voortbestaan is onzeker.

-- Fouad Abi-Esber, BA, MA.



Bronnen:

- Abu-Hamad, Aziz. "Communal strife in Lebanon: Ancient animosities or state intervention?". Journal of International Affairs 1 (1995): 234.
- Akarli, Engin Deniz. The Long Peace, Ottoman Lebanon, 1861-1920. Los Angeles: University of California Press, 1993.
- Andrews, John. "A War with Many Losers". The Economist. London, 24 feb 1996.
- Asmar, Christine, Maroun Kisirwani en Robert Springborg. "Clash of politics or civilisations? Sectarianism among youth in Lebanon". Arab Studies Quarterly 21 (1999): 35.
- Barakat, Halim. Toward A Viable Lebanon. Croom Helm London and Sydney, Centre for Contemporary Arab Studies. Washington: Georgetown University, 1988.
- Betts, Robert Brenton. "Lebanon Defied, Musa al-Sadr and the Shi'a community". Middle East Policy, Washington, Jan 1998.
- Brynen, Rex. The Lebanese Civil War (1975-76). Sanctuary and survival: The PLO in Lebanon. London: Westview Press, Croom Helm, 1990.
- Ellis, Kail C. "Lebanon: The Struggle of a Small Country in a regional context". Arab Studies Quarterly 21 (1999): 5.
- George, Alan. "Lebanon militia leader is easy scapegoat". Jane's Intelligence Review 1997.
- Gerges, Fawaz A. "The Lebanese conflict: Looking Inward". Political Science Quarterly 114 (1999): 537-539.
- Gordon, David C. The Republic of Lebanon, Nation in Jeopardy. London: Westview Press, Croom Helm, 1983.
- Haddad, Simon. "Sectarian attitudes as a function of the Palestinians presence in Lebanon". Arab Studies Quarterly 22 (2000): 81.
- Hage, Ghassan. "Nationalist anxiety or the fear of losing your other". The Australian Journal of Anthropology 1996.
- Halsall, Paul. Internet Modern History sourcebook. 7/7/2001. http://www.fordham.edu/halsall/mod/1957eisenhowerdoctrine.html.
- Hanf, Theodor. Coexistence in wartime Lebanon: Decline of a State and Rise of a Nation. Vertaald uit het Duits door John Richardson. London: The Centre for Lebanese Studies in association with LB Tauris and co Ltd publishers, 1993.
- Harb, Tom. "American Maronite union to Powell: Jebran is Lebanese not Arab". Lebanon Bulletin. Press Release, May 9th, 2001.
- Harik, Judith P, en Khashan Hilal". Lebanon's Divisive Democracy: the Parliamentary Elections of 1992". Arab Studies Quarterly 15 (1993): 41.
- Harris, William. Faces of Lebanon, Sects, Wars, and Global Extensions. Princeton: Markus Wiener Publishers, 1997.
- Irani, Emile George. "The Breakdown of the State in Lebanon, 1967-1976" book review. The Middle East Journal 55 (2001): 320.
- Jehl, Douglas. "Troubled Christian Minority awaits the Pope in Lebanon". New York Times. New York, 9 mei 1997.
- Johnson, Marguerite. "Arabs who look to the West; with guns and crosses, Lebanon's Christians try to survive". Time. 5 maart 1984, p 29.
- Khalaf Tewfik. "The Phalanges and the Maronite community". In Essays on the Crisis in Lebanon ed. Roger Owen. 1976.
- Khashan, Hilal. "Arab Christians as Symbols". Middle East Quarterly 8 (2001): 5.
- Kolvenbach, Peter-Hans. Maronites between two worlds. 6/6/2001. http://www.stmaron.org/twoworld.html
- Library of Congress. The opposing Forces in the Lebanese Civil war. Federal Research division. 6/6/2001.
http://rs6.loc.gov/frd/cs/lebanon/lb_appnb.html
- Naaman, Paul. "Church and Politics in the Maronite Experience (1516-1943)". The Journal of the Maronite Studies (JMS) 1998. 6/6/2001. http://www.mari.org/JMS/january98/
- Najm, Antoine. "Envisioning a formula for living together in Lebanon in light of the Apostolic Exhortation". The Journal of Maronite Studies. The Maronite Research Institute April 1998. 8/6/2001. http://www.mari.org/JMS/april98/
- Navalpotro, Jose. "Destiny (In Danger of Extinction)". Palabra magazine. Madrid, juli 2000.
- Ofeish, Sami. "Lebanon's Second Republic: Secular Talk, Sectarian Application". Arab Studies Quarterly 21 (1999): 97.
- Rabinovich, Itamar. The war for Lebanon 1970-1983. Ithaca And London: Cornell University press, 1984.
- Sachs, Susan. "Syria Frees about 50 of Its Lebanese prisoners". New York Times. New York, N.Y, Dec 12, 2000.
- Seaver, Brenda M. "The regional Sources of Power-sharing Failure: The case of Lebanon". Political Science Quarterly 115 (2000): 247.
- Sennott, Charles M. "Christians in Decline in Lebanon". The Boston Globe, City edition 1999.
- Spagnolo, John P. France and Ottoman 1861-1914. London: Ithaca Press, 1997.
- Tomass, Mark. "Game theory with instrumentally irrational players: A Case Study of Civil War and Sectarian Cleansing". Journal of Economic Issues 1997.
- Yeranian, Edward. "Christians in Lebanon see hopes, numbers diminish". Christian Science Monitor 89 (1997): 7-10.
- Zamir, Meir. The formation of modern Lebanon. London, Dover: Groon Helm, 1985.
- Zisser, Eyal. "The Maronites, Lebanon and the State of Israel: early contacts". Middle Eastern Studies 31 (1995): 889.

Verdere Bronnen:

Voor verder leesmateriaal over de vervolging van de Oosterse christenen, kunt u de gedetailleerde verslagen op deze site lezen:
- "Shattered Christian Minorities in the Middle East"
- "Persecution of Maronites and other Eastern Christians"
- "The Syriacs"
- "The Palestinian Christian: Betrayed, Persecuted, Sacrificed"
En op de Assyrische site:
- "Genocides Against the Assyrian Nation" of
- "CopticWeb dedicates to the persecuted Copts of Egypt".

Bronnen Hoofdstuk 1:
1. http://www.copticweb.com/
2. http://phoenicia.org/maronites.html
3. http://phoenicia.org/persecution1860.html
4. http://phoenicia.org/xtiantranslateforarabs.html
5. http://phoenicia.org/melkites.html
6. http://www.coptic.net/EncyclopediaCoptica/
7. http://53.415.-2.973plusf37:OHawrpc639174173148??




1.20 Slag bij Poitiers (Slag van Tours) - Eerste islamitische golf - Jaar 732

De Slag van Tours (10 oktober 732), ook wel de Slag bij Poitiers genoemd en, in het Arabisch ma'arakat Balat ash-Shuhada (Slag bij het Hof van de Martelaren), werd uitgevochten in een gebied tussen de steden Poitiers en Tours, vlakbij het dorp Moussais-la-Bataille (tegenwoordig Vouneuil-sur-Vienne) ongeveer 20 kilometer ten noorden van Poitiers. De strijd vond dicht bij de grens tussen het Frankische rijk en het onafhankelijke Aquitaine plaats. Hier streden Frankische en Bourgondische troepen onder leiding van de Austrasische Paleisheer Karel Martel [uitspr: mar-TEL] tegen een leger van het Ummayadische kalifaat onder leiding van Abdul Rahman Al Ghafiqi [Abd-al-Rahman], gouverneur-generaal van al-Andalus. De Franken behaalden de overwinning, Abdul Rahman Al Ghafiqi werd gedood, en Karel breidde vervolgens zijn domein uit naar het zuiden. 9e-eeuwse kroniekschrijvers, die de uitkomst van de strijd interpreteerden als een goddelijk oordeel in zijn voordeel, gaven Karel de bijnaam Martellus ("De Hamer"). Er kunnen op basis van de verslagen die bewaard zijn gebleven geen exacte details van de strijd gegeven worden, zoals de exacte locatie en het exacte aantal strijders. Maar de Frankische troepen wonnen de strijd zonder cavalerie.

Waar latere kroniekschrijvers Karel Martel als de kampioen van het christendom prezen, begonnen historici voor de 20ste eeuw deze strijd te karakteriseren als het beslissende keerpunt in de strijd tegen de islam, een strijd waardoor het christendom bewaard bleef als de heersende religie in Europa. "De meeste van de 18e en 19e-eeuwse historici, zoals Gibbon, zagen Poitiers (Tours), als een historische strijd die de golf van de islamitische opmars in Europa markeerde". Leopold von Ranke was van mening dat "Poitiers het keerpunt was van een van de belangrijkste perioden in de geschiedenis van de wereld".

De moderne historici hebben verschillende meningen en er is grote onenigheid over de vraag of deze overwinning wel of niet verantwoordelijk was - zoals Gibbon en zijn generatie historici beweerden, en vele moderne historici bevestigen - voor het redden van het christendom en het tegenhouden van de islamitische verovering van Europa[. Maar] het staat buiten kijf dat de strijd geholpen heeft om de basis te leggen voor het Karolingische rijk en de Frankische overheersing van Europa in de eeuw daarna. "De oprichting van de Frankische macht in West-Europa vormde het lot van dat continent en de Slag van Tours heeft die macht bevestigd".

Eerste islamitische golf

I. Achtergrond

De Slag van Tours werd gevochten na twintig jaar veroveringen in Europa door de Umayyaden, die in 711 waren begonnen met hun invasie van de Visigotische christelijke koninkrijken van het Iberisch schiereiland. Hierop volgden hun militaire expedities in de Frankische gebieden van Gallië, oude provincies van het Romeinse Rijk. De Umayyadische militaire campagnes waren noordwaarts getrokken naar Aquitaine en Bourgondië, met onder andere een grote slag bij Bordeaux en een inval in Autun. Over het algemeen wordt aangenomen dat Karels overwinning de noordwaartse opmars van de Umayyad-troepen van het Iberisch schiereiland een halt toe heeft geroepen, en het christendom in Europa heeft gered in een periode waarin de islamitische heerschappij de resten van de oude Romeinse en Perzische Rijken overwoekerde.

De meeste historici gaan ervan uit dat de twee legers elkaar troffen waar de rivieren de Clain en de Vienne samenkomen tussen Tours en Poitiers. Het aantal troepen in beide legers is onbekend. Op basis van oude islamitische bronnen beschreef [historicus] Creasy de legermacht van de Umayyaden als minstens 80.000 man sterk. Paul K. Davis schreef in 1999 dat de Umayyadische strijdkrachten op 80.000 en de Franken op ongeveer 30.000 uit zouden komen, maar merkte daarbij op dat de moderne historici de legermacht van de Umayyaden bij Tours hebben geschat op tussen de 20.000 en 80.000. Edward J. Schoenfeld (die de oudere cijfers van 60-400.000 Umayyaden en 75.000 Franken verwerpt) stelt dat "schattingen dat de Umayyaden meer dan 50.000 troepen hadden (en de Franken zelfs meer) logistiek onmogelijk zijn". Moderne historici zijn nauwkeuriger dan de middeleeuwse bronnen, aangezien de moderne cijfers zijn gebaseerd op schattingen van de logistieke mogelijkheden van het platteland om deze aantallen mensen en dieren te onderhouden. Zowel Davis als Hanson wijzen erop dat beide legers moesten leven van het platteland, aangezien geen van beiden een systeem van bevoorrading hadden om hen te voorzien in de oorlog. Het aantal doden tijdens de slag is onbekend, maar kroniekschrijvers beweerden later dat Karel Martels leger ongeveer 1500 man verloor, terwijl er van het Umayyad-leger werd gezegd dat ze grote aantallen slachtoffers hebben geleden, tot wel 37.500 man. Maar deze zelfde aantallen slachtoffers worden genoemd in het Liber Pontificalis voor hertog Odo's overwinning van Aquitaine in de Slag bij Toulouse (721). Paul de Diaken meldde waarheidsgetrouw in zijn Historia Langobardorum (geschreven rond het jaar 785) dat de Liber Pontificalis deze aantallen slachtoffers noemde in relatie tot de overwinning van Odo op Toulouse (hoewel hij beweerde dat Karel Martel de slag samen met Odo had gevochten), maar latere schrijvers, waarschijnlijk "beïnvloed door de Continuations of Fredegar's Chronicle, schreven de Saraceense slachtoffers alleen toe aan Karel Martel, en de strijd waarin ze vielen werd ondubbelzinnig die van Poitiers". De Vita Pardulfi, geschreven in het midden van de 8e eeuw, meldt dat Abd-al-Rahman's troepen zich na de slag een weg brandden en plunderden door de regio Limousin op hun weg terug naar al-Andalus, wat aangeeft dat ze niet zo definitief werden vernietigd als men dacht in de Continuations of Fredegar's Chronicle.


De tegenstanders

De invasies van Hispania en daarna Gallië werden geleid door de Umayyad-dynastie, de eerste dynastie van kaliefen van het islamitische rijk nadat het bewind van de vier 'rechtgeleide' kaliefen (Aboe Bakr, Umar, Uthman en Ali) was beëindigd. Het Umayyadische Kalifaat was, op het moment van de Slag van Tours, misschien wel 's werelds belangrijkste militaire macht. Onder het bewind van de Umayyaden werd het kalifaat sterk uitgebreid. Moslimlegers trokken door Noord-Afrika en Perzië in de late 6e eeuw; troepen onder leiding van Tariq ibn Ziyad staken Gibraltar over en vestigden hun islamitische macht in het Iberisch schiereiland, terwijl andere legers hun macht ver weg in Sindh vestigden, in wat nu Pakistan is. Het moslimrijk onder de Umayyaden was nu een uitgestrekt domein dat een divers scala aan volkeren regeerde. Het had de twee voormalig belangrijkste militaire machten vernietigd: het Sassanidische Rijk, dat het volledig geabsorbeerd heeft, en het Byzantijnse Rijk, dat het voor het grootste deel had opgenomen, [aangezien] het Syrië, Armenië en Noord-Afrika kreeg, hoewel Leo de Isaurian Anatolië met succes heeft verdedigd in de Slag bij Akroinon (739) in de laatste campagne van de Umayyad-dynastie.

Het Frankische rijk onder Karel Martel was de belangrijkste militaire macht van West-Europa. Het bestond uit wat nu het grootste deel van Frankrijk is (Austrasië, Neustrië en Bourgondië), het grootste deel van West-Duitsland, en de lage landen. Het Frankische rijk was bezig vooruitgang te boeken om de eerste echte keizerlijke macht in West-Europa sinds de val van Rome te worden, terwijl het worstelde met externe krachten zoals de Saksen, Friezen, en zijn interne tegenstanders zoals Odo de Grote (Oude Franse: Eudes), de hertog van Aquitanië.


Islamitische veroveringen van Hispania

Onder leiding van Al-Samh ibn Malik al-Khawlani, de gouverneur-generaal van al-Andalus, doorkruisten de Umayyadische troepen Septimania in 719, na hun zegetocht in het Iberisch schiereiland. Al-Samh vestigde zijn hoofdstad in 720, in Narbonne, dat de Moren Arbuna noemden. Toen de haven van Narbonne veilig was, onderwierpen de Umayyaden snel de grotendeels willoze steden van Alet, Beziers, Agde, Lodève, Maguelonne, en Nîmes, die nog steeds beheerst werden door hun Visigotische graaf.

De Umayyadische campagne in Aquitaine leed een tijdelijke tegenslag in de Slag bij Toulouse (721), toen hertog Odo van Aquitanië (ook bekend als Eudes de Grote) het beleg van Toulouse stopte, waarbij Al-Samh ibn Malik's troepen een verrassingsaanval leden en de gouverneur-generaal Al-Samh ibn Malik zelf dodelijk gewond raakte. Deze nederlaag bracht geen einde aan de invallen in het oude Romeinse Gallië, aangezien moslimtroepen, die goed gevestigd waren in Narbonne en gemakkelijk bevoorraad door zee, naar het oosten trokken rond 720, en in 725 zo ver als het Bourgondische Autun kwamen.

[Omdat hij werd] bedreigd door zowel de Umayyaden in het zuiden als door de Franken in het noorden, verbond Eudes [Odo] zich in 730 met de Berberse emir Uthman ibn Naissa, die de Franken 'Munuza' noemden, en de vice-gouverneur was van wat later Catalonië werd. Als ruilmiddel, en om de alliantie te beslechten, kreeg Uthman de dochter van Eudes ten huwelijk, Lampade, en toen stopten de Arabische invallen over de Pyreneeën, de zuidelijke grens van het rijk van Eudes. Maar het jaar daarop kwam Uthman in opstand tegen de gouverneur van al-Andalus, Abd-al-Rahman, die die opstand snel verpletterde en zijn aandacht richtte tegen Eudes. Abd-al-Rahman had een enorm leger van Arabische zware cavalerie en Berberse lichte cavalerie, plus troepen uit alle provincies van het kalifaat, voor de poging van de Umayyaden om Europa ten noorden van de Pyreneeën te veroveren. Volgens een onbekende Arabische bron "woedde dat leger door alle plaatsen als een verwoestende storm". Duke Eudes (door sommigen Koning Odo genoemd) verzamelde zijn leger in Bordeaux, maar hij werd verslagen en Bordeaux werd geplunderd. De slachting van christenen bij de Slag van de rivier de Garonne was blijkbaar verschrikkelijk; het Mozarabic Chronicle van 754 schreef erover dat "solus Deus numerum morientium vel pereuntium recognoscat", ("God alleen weet het aantal doden en heengeganen"). De Umayyadische ruiters verwoestten dat deel van Gallië vervolgens volledig, en hun eigen geschiedenis[kundige bronnen] zeggen dat de "gelovigen door de bergen stormden, over ruw en vlak terrein marcheerden, plunderden tot ver in het land van de Franken, en iedereen aan het zwaard regen, zozeer dat toen Eudo met hen kwam strijden op de rivier de Garonne, hij vluchtte".


Eudes en het beroep op de Franken

Eudes vroeg de Franken om hulp, die alleen Karel Martel beloofde nadat Eudes instemde om zich te onderwerpen aan het Frankische gezag.

Het lijkt alsof de Umayyaden zich niet bewust waren van de ware kracht van de Franken. De Umayyadische troepen waren niet bijzonder bezorgd over de Germaanse stammen, waaronder de Franken, en de Arabische kronieken, de geschiedenis van dat tijdperk, laten zien dat ze zich pas na de Slag van Tours bewust werden dat de Franken een groeiende militaire macht waren.

Verder hadden de Umayyaden kennelijk niet noordwaarts verkend voor potentiële vijanden, want als ze dat hadden gedaan zouden ze zeker hebben opgemerkt dat Karel Martel een heel eigen klasse was waarmee men rekening moest houden[. Dit] als gevolg van zijn sterke overheersing in Europa van 717: dit zou de Umayyaden hebben gewaarschuwd dat een daadwerkelijke macht herrezen was uit de as van het West-Romeinse Rijk, onder leiding van een getalenteerde generaal.


Opmars richting de Loire

In 732 trokken de Umayyadische stoottroepen verder in noordelijke richting naar de rivier de Loire, en liepen ver voor hun goederenkaravaan en een groot deel van hun leger uit. In wezen had het binnenvallende leger, dat gemakkelijk alle weerstand in dat deel van Gallië had verslagen, zich opgesplitst tot meerdere delen, waarvan het belangrijkste deel langzamer vooruit trok.

De Umayyadische aanval kwam waarschijnlijk zo laat in het jaar omdat de vele mannen en paarden van het land moesten leven terwijl ze verder trokken, waardoor ze moest wachten tot de tarwe in het gebied was geoogst en dan tot een redelijke hoeveelheid van de oogst was gedorst (langzaam, met de hand, met vlegels) en opgeslagen. Hoe verder naar het noorden, des te later de oogst, en hoewel de mannen het vee op de boerderijen konden doden voor voedsel, kunnen paarden geen vlees eten en moesten ze graan als voedsel hebben. Hen elke dag te laten grazen zou te lang duren, en de plaatselijke bevolking vragen waar de voedselmarkten werden gehouden zou niet werken, want de twee kampen hadden geen gemeenschappelijke taal.

Het is makkelijk om een militaire verklaring te vinden voor waarom Eudes zo gemakkelijk verslagen werd in Bordeaux en bij de Slag van de rivier de Garonne, hoewel hij 11 jaar eerder won in de Slag bij Toulouse. Bij Toulouse slaagde Eudes erin om een eenvoudige verrassingsaanval uit te voeren op een overmoedige en onvoorbereide vijand, van wie alle verdedigingswerken naar binnen waren gericht, terwijl zij werden aangevallen van buitenaf. De Umayyadische troepen waren meestal infanterie, en de cavalerie die ze hadden had nooit de kans gehad om te mobiliseren en hem te treffen in een open strijd. Zoals Herman van Karinthië schreef in een van zijn vertalingen van de geschiedenis van al-Andalus, kreeg Eudes een zeer succesvolle manoeuvre van insluiting voor elkaar die de aanvallers zeer verraste - en het resultaat was een chaotische slachting van de islamitische troepen.

In Bordeaux, en ook bij in de Slag van de rivier de Garonne, bestonden de Umayyadische macht uit cavalerie, niet infanterie, en ze werden niet bij verrassing aangevallen; en ze hadden een kans om zich voor te bereiden de strijd, wat leidde tot de ondergang van het leger van Eudes, die bijna allemaal de dood vonden terwijl de moslims nauwelijks schade ondervonden. De troepen van Eudes, net als andere Europese troepen uit die tijd, hadden geen stijgbeugels, en dus geen zware cavalerie. Vrijwel al hun troepen waren infanterie. De Umayyadische zware cavalerie brak de christelijke infanterie tijdens diens eerste poging, en toen doodden ze naar believen terwijl die hun formatie braken en wegrenden.

De binnenval